De maatregel van 'sociale onthouding' in de bestrijding van infectieziektes voelt voor heel wat mensen erg onnatuurlijk aan, in de dierenwereld is het evenwel normaal instinctief gedrag.
...

De maatregel van 'sociale onthouding' in de bestrijding van infectieziektes voelt voor heel wat mensen erg onnatuurlijk aan, in de dierenwereld is het evenwel normaal instinctief gedrag. De meeste dieren weten immers dat ze uit de buurt moeten blijven bij zieke soortgenoten om niet overspoeld te worden door ziektegolf na ziektegolf met het mogelijk verdwijnen van de hele soort tot gevolg.Een recente studie daarover richtte zich op wilde vampiervleermuizen, een uitermate sociale diersoort. Een groep vleermuizen werd geïnjecteerd met een substantie die een bacteriële infectie nabootst. Een andere groep kreeg een placebo. Vervolgens werden de dieren uitgerust met sensoren en terug in het wild gezet. De studie in Behavioural Ecology toont aan dat de zieke vampiervleermuizen spontaan minder tijd doorbrengen met andere vleermuizen om zo de ziekte in te dijken. Deze bevindingen werden al eerder aangetoond bij vleermuizen in een laboratoriumsetting. Al vermoeden de onderzoekers dat het gedrag van de vleermuizen niet zozeer een persoonlijke opoffering is, maar simpelweg een gevolg van het feit dat de zieke dieren de energie niet kunnen opbrengen om aan sociale interactie te doen. Vleermuizen zijn niet de enige dieren die het fenomeen kennen. Ook kreeften, apen, vissen, insecten en vogels doen aan sociale onthouding wanneer ze een ziekte detecteren onder hun soortgenoten. Kreeften hebben bijvoorbeeld een chemische stof in hun urine die bij een infectie wordt uitgescheiden. Wanneer gezonde kreeften de chemische stof bij anderen gewaar worden, weten ze dat ze afstand moeten houden tot de ziekte gepasseerd is, ook al blijft de zieke kreeft wel nog contact zoeken. De meest extreme beoefenaars van fysieke afstand zijn de mieren. Die leven in grote kolonies waarin optimale omstandigheden aanwezig zijn voor de verspreiding van besmettelijke ziektes. Wanneer een infectie de kolonie bereikt, veranderen zowel de zieke als de gezonde mieren hun gedrag. De besmette mieren gaan in zelfisolatie, de gezonde zetten de interactie met andere mieren op een lager pitje. De koningin en de larvenverzorgsters zijn de meest kwetsbare koloniebewoners en worden afgeschermd van de voedselverzamelaars die potentieel microben van buitenaf kunnen meebrengen. Deze maatregelen zijn zeer effectief in het beschermen van de mierenkolonie. Sommige dieren zijn dan weer iets selectiever in hun social distancing-gedrag. De mandril kiest er bijvoorbeeld voor om voor een ziek familielid te zorgen, maar blijft uit de buurt van zieke dieren die geen familie zijn. Het is evolutionair immers verstandig om een zieke verwante te verzorgen om zo de familiegenen te kunnen laten voortleven. Helaas zijn niet alle dieren even voorzichtig. Zo zijn er exemplaren van de mensensoort die in coronatijden op gezette tijden op straat komen uit protest tegen het indijken van hun individuele vrijheid. Toch beschikt de mens over een belangrijk voordeel tegenover de dierenwereld. Dankzij geavanceerde technologische communicatiemiddelen kan informatie over gezondheidsdreigingen in een mum van tijd de hele wereld rondgaan. Zo is het mogelijk proactief en snel de juiste maatregelen te nemen. Een ander verschil tussen dier en mens is dat de mens gedreven wordt door altruïsme. Mensen riskeren een grotere kans op besmetting wanneer ze ervoor kiezen om naast hun familieleden ook vrienden en buren de nodige zorg te geven. Zorgverstrekkers zijn daar het ultieme voorbeeld van. Maar soms zijn de kosten van sociale onthouding gewoonweg te hoog voor een diersoort. Dat is het geval voor de zeer sociale zebramangoesten. Deze dieren gaan hun soortgenoten juist niet uit de weg als die zichtbaar ziek zijn. Ook voor de mens heeft fysieke afstand grote gevolgen voor de sociale relaties. Vooral eenzame en kwetsbare mensen hebben het daardoor hard te verduren.