Het is een heikel punt in het hoger onderwijs: meisjes zijn minder geneigd om voor een ingenieursstudie of wetenschappelijke discipline te kiezen dan jongens. Naar de oorzaken daarvan wordt naarstig gespeurd, onder meer omdat ingenieur en wiskundeleraar knelpuntberoepen worden.
...

Het is een heikel punt in het hoger onderwijs: meisjes zijn minder geneigd om voor een ingenieursstudie of wetenschappelijke discipline te kiezen dan jongens. Naar de oorzaken daarvan wordt naarstig gespeurd, onder meer omdat ingenieur en wiskundeleraar knelpuntberoepen worden. Al vroeg in de schoolloopbaan is er een geslachtsgebonden verschil in vaardigheden. In het zesde leerjaar halen bijvoorbeeld meisjes minder vaak de eindtermen voor wiskunde - jongens scoren op sommige proeven meer dan 10 procent beter. De oorzaak daarvan, zo blijkt nu, ligt niet in een verschil in wiskundige vaardigheden op jonge leeftijd. Het team rond Bert De Smedt van de onderzoekseenheid Gezins- en Orthopedagogiek van de KU Leuven onderzocht de wiskundige capaciteiten van 400 Vlaamse kleuters. De resultaten, die verschenen in Developmental Science, tonen aan dat kleuters al over wiskundige vaardigheden beschikken. Er is wel een grote individuele variatie, maar van een noemenswaardig gemiddeld verschil tussen jongens en meisjes is geen sprake. Als er op het einde van de lagere school verschillen in succes worden gevonden, hebben die dus met andere factoren te maken. Het cliché dat meisjes minder in wiskunde geïnteresseerd zijn, kan zo'n factor zijn. Eerder toonden De Smedt en zijn ploeg in Frontiers in Psychology aan dat kleuters beter zijn in getallenproefjes als hun ouders er bijzondere aandacht voor hebben. Hoe meer ouders hun kleuters met getallen en sommen confronteren, hoe sneller ze kunnen tellen.