Aan het einde van een verslag in het wetenschappelijke topvakblad Nature over de speurtocht naar de bron van het coronavirus in China kwam er een korte waarschuwing van een wetenschapster: we moeten er rekening mee houden dat we de bron nooit zullen vinden. De algemene gedachte is dat het coronavirus zijn oorsprong vond in een vleermuis en van daaruit, al dan niet via een tussenstation in een andere diersoort, naar de mens is overgesprongen. De wetenschapster omschreef de speurtocht naar de bron als 'het zoeken naar een naald in een hooiberg met de afmetingen van Azië of zelfs meer'.
...

Aan het einde van een verslag in het wetenschappelijke topvakblad Nature over de speurtocht naar de bron van het coronavirus in China kwam er een korte waarschuwing van een wetenschapster: we moeten er rekening mee houden dat we de bron nooit zullen vinden. De algemene gedachte is dat het coronavirus zijn oorsprong vond in een vleermuis en van daaruit, al dan niet via een tussenstation in een andere diersoort, naar de mens is overgesprongen. De wetenschapster omschreef de speurtocht naar de bron als 'het zoeken naar een naald in een hooiberg met de afmetingen van Azië of zelfs meer'. De wetenschapster was biologe Sophie Gryseels van de Evolutionaire en Computationale Virologiegroep (KU Leuven). Nature nam met haar contact op omdat ze een experte is in zoönosen: ziekten die van andere dieren naar de mens overspringen. Ze werkte al op aids, dat zijn oorsprong heeft in chimpansees, en op ebola, dat afkomstig zou zijn van fruitvleermuizen. Recent schreef ze met een aantal collega-wetenschappers een review over de vraag welke zoogdieren vatbaar zouden zijn voor het coronavirus dat momenteel een ravage aanricht in de mensenwereld. Hoe kwamen jullie op het idee om dat overzicht te maken? Sophie Gryseels: We kregen een vraag van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) om advies te geven over het risico dat is verbonden aan vleermuisonderzoek. Omdat vleermuizen als een reservoir voor coronavirussen kunnen fungeren, groeide de vrees dat vleermuisonderzoekers het huidige coronavirus uit de mens aan lokale vleermuissoorten zouden kunnen doorgeven. Het virus stamt wel uit China en is nooit elders in vleermuizen gevonden, maar er zijn veel coronavirussen en vleermuizen blijken er geschikte reservoirs voor te zijn. We moeten dus vermijden dat vleermuizen bij ons drager worden van het virus dat nu een pandemie veroorzaakt. Wat waren de conclusies? Gryseels: We stelden min of meer dezelfde maatregelen voor als er genomen zijn om de verspreiding in de mensenwereld tegen te gaan: afstand bewaren en als dat niet kan veiligheidsvoorschriften in acht nemen. Maar in de praktijk is het veldonderzoek naar vleermuizen waarbij rechtstreeks contact met de dieren mogelijk is, stilgelegd. Het is beter geen risico's te nemen. Hoe groot is het risico van virusoverdracht bij ons bij contact met vleermuizen? Gryseels: Er zijn nog geen coronavirussen gevonden in Belgische vleermuizen, maar je weet nooit alles. Coronavirussen zijn een diverse groep van virussen, waardoor je er altijd wel vindt als je er in een diergroep naar zoekt. In onze buurlanden is vastgesteld dat een belangrijke proportie van de egels er een egelcoronavirus draagt, maar het is nooit in mensen gevonden, dus is de kans minimaal dat het ooit een probleem wordt. Is het realistisch dat het coronavirus van de mens naar een andere diersoort overspringt? Gryseels: Het is misschien niet heel waarschijnlijk, maar het is niet uit te sluiten. Virussen kunnen overspringen van de ene diersoort naar de andere, de mens inbegrepen. De kans is klein dat zo'n sprong een probleem veroorzaakt, maar ze is nooit nul. Als je de statistische kans op deze coronapandemie had berekend, zou je op een uiterst klein getal uitgekomen zijn. Hetzelfde geldt voor besmetting van andere dieren. Ze moeten vrij snel hun besmetting kunnen doorgeven om het virus te laten circuleren, wat bijvoorbeeld voor dieren die solitair leven niet gemakkelijk is. Het risico is dus moeilijk in te schatten, maar de gevolgen van een sprong kunnen groot zijn, zoals we nu allemaal aan den lijve ondervinden. Welk dier biedt de meeste kans om als een reservoir voor het huidige virus te fungeren? Gryseels: Het coronavirus gebruikt een eiwit op onze celwanden om onze cellen te infiltreren. Dat fungeert als een slot voor een sleutel op het virus. Als dieren een vergelijkbaar slot hebben, kunnen ze geïnfecteerd worden. Wij gaan dat in kaart brengen voor de zoogdieren in ons land, door middel van een analyse van het gen met de informatie over het slot. We hopen daar tegen het einde van het jaar klaar mee te zijn. Wat leverde de review op inzake kwetsbaarheid van soorten? Gryseels: Goed nieuws is dat huismuizen en bruine ratten, die dicht bij de mens leven, waarschijnlijk niet vatbaar zijn voor ons coronavirus. Katten kunnen het wel doorgeven. Ook marterachtigen zijn een risicogroep. Gelukkig betreft het in beide gevallen dieren die doorgaans weinig contact hebben met andere dieren, wat de kans op verspreiding van het virus beperkt - hoewel het voor straatkatten anders zou kunnen liggen. Er zijn al gevallen beschreven van overdracht van het coronavirus van mensen op huiskatten, maar voor zover bekend hebben de dieren het niet verder verspreid. Vreest u niet dat mensen katten zullen dumpen als dit bekend wordt? Gryseels: Het is een moeilijke afweging, want het is zeker niet nodig dat mensen katten gaan dumpen. Toch denk ik dat het belangrijk is dat deze informatie verspreid wordt, zodat er eventueel maatregelen genomen kunnen worden om te vermijden dat katten andere dieren besmetten. Mensen die positief testen op het coronavirus zouden hun kat mee in quarantaine moeten nemen, zodat zij de besmetting niet kan doorgeven. Katten reageren ongeveer op dezelfde manier op een besmetting als mensen: sommige merken er niets van, andere kunnen er echt ziek van worden. Honden zijn er minder vatbaar voor. Er is beschreven hoe katten jachtluipaarden in een safaripark infecteerden. Gryseels: Katten hebben een eigen coronavirus, waar de meeste geen last van hebben. Maar soms ondergaat het virus een verandering waardoor het afweercellen gaat infecteren, zodat katten er wel zwaar ziek van worden. Ze kunnen er dan zelfs aan sterven. Het is dat virus dat in de jaren 1980 ergens in de Verenigde Staten in een jachtluipaardenpopulatie terechtkwam en een aantal dieren doodde. Het blad The Atlantic publiceerde onlangs trouwens een bizar verhaal over een variant van de virusremmer remdesivir, die oorspronkelijk voor de strijd tegen ebola werd ontwikkeld en nu voorlopig een van de enige medicaties blijkt te zijn die efficiënt is tegen ons coronavirus. De variant zou héél efficiënt zijn in de strijd tegen het kattencoronavirus. Maar hij is alleen in China op de zwarte markt te verkrijgen en kost veel geld. Hoe weten jullie dat marters vatbaar zijn voor het virus? Gryseels: In eerste instantie door werk met fretten in laboratoriumomstandigheden. Maar ook door grote uitbraken in nertsenkwekerijen in Nederland. Ze liggen toevallig allemaal in Noord-Brabant, waar het coronavirus in Nederland het eerst en het hardst toesloeg. Er zijn nu al 27 kwekerijen waarin het virus is opgedoken. Mogelijk zijn seizoenarbeiders de bron van de verspreiding. Maar we sluiten niet uit dat er een externe verspreidingsbron door wilde dieren is. De kwekerijen hebben bijvoorbeeld open daken, waardoor vleermuizen er binnen en buiten kunnen vliegen. Het zou een illustratie kunnen zijn van onze nieuwe reservoirhypothese. Maar vooralsnog is er geen bewijs voor. Als gevolg van de lockdown trokken op veel plaatsen wilde dieren, zelfs luipaarden en poema's, de mensenwereld in. Vormt dat een extra risico? Gryseels: Daar had ik nog niet bij stilgestaan, maar de contacten tussen mensen en andere dieren zullen in een lockdown beperkt zijn, dus de kans dat het een invloed heeft lijkt me niet groot. Onderzoek wijst uit dat apen uit de oude wereld vatbaar zijn voor het coronavirus, maar apen in de nieuwe wereld niet? Gryseels: Inderdaad. Makaken uit de oude wereld kunnen met het virus besmet worden. Een van de vier gewone coronavirussen die al lang in de mensheid circuleren, is in chimpansees gevonden als gevolg van overdracht door een mens. Maar uit onderzoek is gebleken dat penseelaapjes in Zuid-Amerika een paar mutaties in het slot op de wand van hun cellen hebben, waardoor de sleutel van het virus er niet in past. Ze kunnen wel geïnfecteerd worden, maar heel moeilijk en het virus verdwijnt snel uit hun lichaam. Het gaat op voor alle soorten waaraan ze verwant zijn. Moeten er maatregelen komen om gorilla's en chimpansees in Centraal- Afrika te beschermen tegen besmetting door menselijke bezoekers? Gryseels: Toeristen moeten al mondmaskers dragen als ze bij die dieren op bezoek willen. Zelfs onze gewone verkoudheidsvirussen kunnen problemen opleveren voor mensapen die er geen ervaring mee hebben. Bovendien wordt er een afstand van minstens 8 meter aanbevolen voor contacten tussen menselijke bezoekers en mensapen. Dat zou moeten volstaan voor bescherming. U stelde in Nature dat de kans klein is dat de oorspronkelijke bron van het virus in China ooit gevonden wordt. Gryseels: Het is een moeilijke kwestie. Er circuleren veel virussen, corona- en andere, in de vleermuizen daar. We weten dat dit coronavirus uit een hoefijzervleermuis stamt. Het is niet duidelijk of er een tussenstap via een ander dier is geweest voor het de mensenwereld bereikte. Schubdieren zijn daarvoor genoemd, maar de coronavirussen die daarin gevonden zijn kunnen niet als voorloper van het virus in de mens gefungeerd hebben - daarvoor verschillen ze er te veel van. Er is een studie verschenen waaruit blijkt dat vleermuizen en schubdieren in dezelfde gangen kunnen slapen. Gryseels: Dat was nuttig, al was het maar om aan te tonen hoe het er in de natuur aan toegaat. Veel virologen hebben daar geen ervaring mee. Als schubdieren niet het tussenstation waren, heeft het bannen van de handel in schubdieren in China en andere Aziatische landen dan wel zin? Gryseels: De ban heeft in ieder geval zin vanuit het oogpunt van het beschermen van de biodiversiteit, want veel schubdieren zijn bedreigd in hun voortbestaan. Er zijn trouwens aanwijzingen dat er meer coronavirussen aangetroffen worden in verhandelde schubdieren dan in schubdieren in de natuur, wat erop zou kunnen wijzen dat ze besmet worden door de handel - door handelaars of door andere verhandelde dieren. Het is een complexe situatie. Is het überhaupt vermijdbaar dat er virussen van andere dieren naar de mens overspringen? Gryseels: Nee, dat is een utopie. Zolang mensen in contact komen met wilde dieren zal het risico op zoönosen blijven bestaan. Er wordt overal op wilde dieren gejaagd, ook bij ons. Op sommige plaatsen is dat nodig als voedselbron. Het is dus niet realistisch te veronderstellen dat we het kunnen vermijden. In Nature verscheen een artikel dat aantoonde dat de kans op een zoönose veel groter is in een door de mens aangetast leefmilieu dan in de pure natuur. Gryseels: Ik was aanvankelijk sceptisch toen ik de titel van dat artikel zag en was al bang voor statistische onvolkomenheden. Maar nadat ik de studie gelezen had, bleek ze solide te zijn. Ze toont eigenlijk aan dat het vooral kleinere dieren zijn, die goed gedijen in door de mens gedomineerde omstandigheden, die ziektes overdragen. Het verhaal ging dus minder over mensen die het regenwoud binnendringen en zo een grotere kans lopen om geïnfecteerd te worden door een onbekende drager. U publiceerde zopas een artikel in het vakblad Emerging Infectious Diseases over een zoektocht naar de bron van een ebolabesmetting in Congo. Maar jullie vonden niets. Was dat niet frustrerend? Gryseels: Het was op een bepaalde manier ontgoochelend, maar ons werk toonde wel aan dat een uitbraak van een virus in de mensenwereld niet betekent dat hetzelfde virus ook gemakkelijk in dieren in de brede omgeving op te sporen is. Het ebolavirus is moeilijk te vinden in de natuur, hoewel het een belangrijke bron in het regenwoud moet hebben. Mensen leven er al millennia mee samen in het woud, maar gemotoriseerd transport maakt het de laatste tijd veel gemakkelijker voor virussen om zich in de mensenwereld te verspreiden. De kans op verspreiding van besmettingen is veel groter geworden. U deed terreinonderzoek naar een ebolabesmetting. Was dat niet beangstigend? Gryseels: Nee hoor. Ebola is voor mij zowat de moeder van de virale besmettingen, omdat het virus zo mysterieus en zo dodelijk is. Maar we beschikten over de nodige veiligheidskledij. Ik vond het zelfs mooi om te beleven hoe mensen op heel afgelegen plekken er toch in slagen alles wat ze nodig hebben uit hun omgeving te halen. Het leven leek er daarom ook vredig. Op het vlak van aids had u wel positieve resultaten, zo bleek uit een publicatie in Proceedings of the National Academy of Sciences. Gryseels: Het was verrassend toen ik op mijn computerscherm de genetische code van het aidsvirus zag verschijnen na de analyse van een weefselstaal dat in 1966 in Congo was afgenomen. Het aidsvirus moet meer dan honderd jaar geleden in Kameroen de sprong van chimpansee naar mens gemaakt hebben. Vanuit Kameroen is de besmetting in de beide Congo's terechtgekomen. In de Congolese hoofdstad Kinshasa maakte het virus waarschijnlijk de sprong naar Haïtiaanse gezondheidswerkers, die het meenamen naar Amerika, van waaruit het de rest van de wereld veroverde. Dat scenario wordt steeds weer bevestigd. Tot slot: speculeren jullie als wetenschappers soms over doemscenario's met virussen die echt een bedreiging zijn voor de overleving van de mensheid? Gryseels: (aarzelend) Niet echt, en als het al eens gebeurt, zit het meestal in de sfeer van grieppandemieën. De coronapandemie is in ieder geval veel erger geworden dan ik had gedacht. Blijkbaar heb ik de organisatorische capaciteit van westerse samenlevingen overschat.