Duizenden planten- en diersoorten op aarde zijn geschikt als voedingsbron. Toch halen we wereldwijd meer dan 90% van alle voedingsenergie uit slechts 15 planten- en 8 diersoorten. Tarwe, rijst en maïs staan met hun drieën in voor meer dan de helft van de voedingsenergie. Slechts 1 rundersoort levert bijna alle koemelk wereldwijd: de Holstein-Friesian, de soort met de hoogste melkproductie. Tegelijk gaan we met onze bodem en natuur om alsof ze bronnen zijn die nooit zullen opdrogen. We rooien op gigantische schaal regenwouden voor de massaproductie van soja, palmolie, oliehoudende zaden, planten voor de suikerproductie, enzovoort. In onze eigen regio verschralen onze akkers tot industriële percelen waarop je nog slechts 1 plantensoort en geen ander leven meer aantreft. Weilanden worden omgeploegd en ingezaaid met 1 grassoort: degene die het meeste opbrengt. Het is groen, maar geen natuur meer. Alle vers...

Duizenden planten- en diersoorten op aarde zijn geschikt als voedingsbron. Toch halen we wereldwijd meer dan 90% van alle voedingsenergie uit slechts 15 planten- en 8 diersoorten. Tarwe, rijst en maïs staan met hun drieën in voor meer dan de helft van de voedingsenergie. Slechts 1 rundersoort levert bijna alle koemelk wereldwijd: de Holstein-Friesian, de soort met de hoogste melkproductie. Tegelijk gaan we met onze bodem en natuur om alsof ze bronnen zijn die nooit zullen opdrogen. We rooien op gigantische schaal regenwouden voor de massaproductie van soja, palmolie, oliehoudende zaden, planten voor de suikerproductie, enzovoort. In onze eigen regio verschralen onze akkers tot industriële percelen waarop je nog slechts 1 plantensoort en geen ander leven meer aantreft. Weilanden worden omgeploegd en ingezaaid met 1 grassoort: degene die het meeste opbrengt. Het is groen, maar geen natuur meer. Alle verscheidenheid wordt weggemaaid. Van de 8 miljoen dier- en plantensoorten op aarde zijn er de komende decennia zowat een miljoen met uitsterven bedreigd. En dat uitsterven gaat almaar sneller, waarschuwt het Intergouvernementeel Platform voor Biodiversiteit en Ecosysteemdiensten van de Verenigde Naties. Daar zitten iconische dieren en planten bij die prachtige foto's en natuurreportages opleveren. Maar het uitsterven slaat vooral op talrijke onooglijke varianten, die de grote rijkdom aan biodiversiteit uitmaken en die van levensbelang zijn voor als het mis gaat. Hoe groter de rijkdom aan varianten, hoe groter immers de kans is dat een aantal ervan toch geschikt blijkt om moeilijke omstandigheden het hoofd te bieden. Het verdwijnen van de verscheidenheid bedreigt onze voedselvoorziening, en monoculturen maken ons erg kwetsbaar. Lijkt dit een ver-van-mijn-bedverhaal? Volg dan even het verhaal van de banaan. De internationale handel betreft bijna uitsluitend 1 variëteit, de Cavendish. Dat is zeker niet de lekkerste soort, maar ze is heel productief en vrij goed bestand tegen minder gunstig weer en de ongemakken van internationaal transport. De Cavendish bracht redding nadat zijn voorganger, de Gros Michel, in de jaren 1950 op grote schaal aangetast werd door een bodemschimmel, Fusarium oxysporum. Helaas ondergaat de Cavendish ondertussen hetzelfde lot als zijn dikke voorganger en wel door aantasting van varianten van dezelfde schimmel die opnieuw zo goed als onuitroeibaar zijn. De wereldwijde monocultuur van de bananen voor de internationale handel draagt bij tot de verspreiding van die schimmels. Maar het wordt nog erger: de schimmels tasten nu ook lokale variëteiten aan en bedreigen zo een cruciale voedingsbron van honderden miljoenen mensen. Onderzoekers zoeken intensief naar oplossingen om de toekomst van de banaan te beschermen, maar ze maken zich behoorlijk zorgen. De bedreiging komt niet alleen van schimmels. De Wereldvoedselorganisatie oordeelt dat meer dan een derde van alle landbouwgronden geërodeerd, vervuild, uitgeput en minder vruchtbaar is. Met de onvoorspelbare evolutie van het klimaat voor de deur dreigt veel landbouwgrond ongeschikt te raken voor de huidige teelten. We hebben dus nood aan planten die bestand zijn tegen deze nieuwe uitdagingen, en de kans om die te vinden is het grootst in de natuurlijke gebieden waar de wilde soorten nog voorkomen en waar de voedingsgewassen oorspronkelijk gekweekt werden. Maar daar zijn we nauwelijks aan toe. Van 7.000 nuttige wilde plantensoorten die het Internationaal Centrum voor Tropische Agricultuur (CIAT) in kaart heeft gebracht, is minder dan 3% voldoende beschermd - lees: opgenomen in zadenbanken, botanische tuinen of andere conserveringsinitiatieven. Neem nu koffie. Dat is geen onmisbare voedselbron op wereldschaal, maar wel een mooi voorbeeld van de problematiek. Van de 32 wilde soorten zijn er slechts 10 beschermd, meestal dan nog alleen de voorlopers van de meest gekweekte soorten. Van de wilde soorten die bekendstaan om hun grote weerstand tegen ziektes zijn er zo goed als geen beschermd, terwijl de nood daaraan net het hoogst is. Bovendien biedt een opname in een zadenbank of botanische tuin slechts een minimale garantie op behoud. De beste manier om wilde soorten te behouden, is door hun natuurlijke omgeving te beschermen. Maar het regenwoud in Ethiopië, de bakermat van de koffie, dreigt binnen enkele jaren volledig te verdwijnen. En wat dan? Uitsterven is definitief. Wat weg is, komt nooit meer terug. Het verdwijnen van onze wilde natuurlijke omgeving brengt onze voedselveiligheid ernstig in gevaar. Dat beseffen we veel te weinig.