Een koosnaampje dat Emma Wedgwood, echtgenote van Charles Darwin (1809-1882), graag gebruikte voor haar man was ' nigger' ('neger'). Het raakte ingeburgerd in het gezin omdat Charles het woord geregeld zou hebben gebruikt om zichzelf als haar 'slaaf' te omschrijven. Henrietta, een van hun dochters, schreef in een brief dat ' you nigger' als koosnaampje van haar moeder voor haar vader 'vertrouwd klinkt in onze oren'.
...

Een koosnaampje dat Emma Wedgwood, echtgenote van Charles Darwin (1809-1882), graag gebruikte voor haar man was ' nigger' ('neger'). Het raakte ingeburgerd in het gezin omdat Charles het woord geregeld zou hebben gebruikt om zichzelf als haar 'slaaf' te omschrijven. Henrietta, een van hun dochters, schreef in een brief dat ' you nigger' als koosnaampje van haar moeder voor haar vader 'vertrouwd klinkt in onze oren'. Het is een veelzeggend detail over de man die ons met zijn mechanismen van natuurlijke en seksuele selectie een sluitende verklaring voor de evolutie van het leven gaf. Geen enkele wetenschapper leerde ons meer over hoe wijzelf en de rest van het leven functioneren dan Charles Darwin. Geen wonder dat elk aspect van zijn levenswandel dat uit brieven en andere geschriften opduikt, meticuleus tegen het licht wordt gehouden. Je kunt je natuurlijk afvragen hoe correct de inschattingen van iemands doen en laten nog kunnen zijn, meer dan 200 jaar na zijn geboorte en meer dan 150 jaar na de publicatie van zijn belangrijkste werk, On the Origin of Species, in 1859. Zeker omdat wetenschappers met het oog op de verkoop weleens een verhalend aspect aan hun analyses durven toe te voegen. Sommigen hebben het in die context onomwonden over een Darwin-industrie. In hun meer dan 800 pagina's tellende biografie uit 1991 omschreven de Britse hoogleraren Adrian Desmond en James Moore Darwin als een 'getormenteerde evolutionist'. Ze baseerden zich daarvoor op het ziekelijke karakter van de man, die een derde van zijn volwassen leven ziek zou hebben doorgebracht, zowel thuis als in kuuroorden waar vruchteloze pogingen ondernomen werden om hem te genezen. Recent hebben artsen hun licht laten schijnen op wat er van zijn symptomen bekend is, maar ze raken er niet uit. Er zijn liefst 38 mogelijke oorzaken voor zijn ziek-zijn gepubliceerd. Dat Darwin als twintiger een vijf jaar durende reis om de wereld maakte, dikwijls in barre omstandigheden, maakt de diagnose er niet gemakkelijker op. Maar geen enkele bekende tropische ziekte past helemaal bij zijn symptomen. Wat de optie openhoudt dat Darwin zou hebben geleden onder het besef dat zijn evolutionaire inzichten, die hij al tijdens zijn reis verwierf, bij publicatie grote ophef zouden veroorzaken. Dat strookt evenwel niet met zijn avontuurlijke en volhardende karakter tijdens de expeditie. En evenmin met het feit dat hij zonder aarzelen tot publicatie overging toen bleek dat een andere wetenschapper, Alfred Russel Wallace, onafhankelijk van hem op hetzelfde idee van natuurlijke selectie broedde. Darwin deinsde er evenmin voor terug om in 1871, precies 150 jaar geleden dus, in The Descent of Man zijn ideeën toe te passen op de evolutie van de mens, hoewel uit zijn geschriften blijkt dat hij zich goed bewust was van de mogelijke consequenties ervan voor zijn maatschappelijke positie. Dezelfde analisten Desmond en Moore publiceerden in 2009, naar aanleiding van de tweehonderdste verjaardag van Darwins geboorte, een nieuw boek over de man: het bijna 500 pagina's dikke Darwin's Sacred Cause. Daarin exploreren ze een nieuw verhaal: het idee dat Darwin zijn evolutietheorie ontwikkelde als bijdrage aan de strijd tegen slavernij, die onder meer zijn schatrijke schoonvader voerde. Het zou zijn 'heilige drijfveer' zijn geweest. Tijdens zijn reis was hij in Zuid-Amerika geregeld gebotst op de weerzinwekkende houding van blanke eigenaars tegenover zwarte slaven. Hij schreef in het slothoofdstuk van zijn reisverslag dat de slavenhandel 'een verwerpelijke verwezenlijking is die bavianen, ondanks hun gebrek aan moraliteit, niet kennen'. Als hij erin zou slagen te bewijzen dat alle mensen dezelfde biologische afkomst hebben, zou hij de voornaamste stelling van slavenhandelaars om hun mensonterende praktijken te verantwoorden onderuit kunnen halen. Die stelling was dat zwarten een minderwaardige mensensoort zijn en bijgevolg als slaven konden worden gebruikt. In die zin is de anekdote over het koosnaampje ' nigger' relevant. Het is ook relevant dat Darwin zijn kinderen het boek De hut van Oom Tom van Harriet Beecher Stowe liet lezen, een verteerbaar verhaal over de gevolgen van de slavernij voor slaven. Als (mislukt) student geneeskunde in het Schotse Edinburgh kreeg Darwin op eigen initiatief lessen in het opzetten van vogels van John Edmonstone: een vrijgelaten slaaf uit Brits-Guyana, die verderop in zijn straat woonde. Hij was gecharmeerd door de vaststelling dat 'die volbloed neger' karaktertrekken en een geest (' mind') had, die vergelijkbaar waren met de zijne. Het inspireerde hem later tot de zin: 'Negers en Europeanen zijn nauw verwant, ondanks oppervlakkige verschillen in voorkomen.' Tijdens de eerste fase van zijn wereldreis met het Britse marineschip Beagle waren er drie Vuurlanders aan boord: indianen van de zuidelijkste punt van Zuid-Amerika, die tijdens een eerdere tocht van de Beagle mee naar Engeland waren genomen voor een 'spoedcursus beschaving'. Na twee jaar Engeland, waarbij ze niet alleen de basis van de Engelse taal hadden geleerd, maar ook basisgewoonten van de Britten hadden overgenomen - ze waren zelfs op theevisite bij de koningin geweest - werden ze weer naar hun thuisland gebracht, in de verwachting dat ze er de rest zouden 'beschaven'. Darwin was constant zeeziek aan boord en werd verzorgd door een van de Vuurlanders, wiens lof hij zong. Maar zijn toon veranderde toen ze een jaar na het 'loslaten' van de indianen in hun geboorteregio eens gingen kijken hoe ze het er hadden afgebracht. Zwaar ontgoocheld schreef Darwin dat ze 'opnieuw gedegenereerd waren tot de wilden die ze waren voor ze naar Engeland waren gebracht'. Hij gebruikte veel het woord 'wilden' ( savages). Voor hem waren het 'gedegradeerde en miserabele creaturen'. Het is aannemelijk dat ze hem mee inspireerden om de mensheid te zien als een vervolg op andere diersoorten, zeker nadat hij in een Londense zoo een levende mensaap had geobserveerd, een orang-oetan. Mensen die wat minder menselijk waren en apen die wat menselijker leken, verkleinden de afstand tussen de mens en een aapachtige voorouder. Het evolutieverhaal werd een verhaal van continuïteiten, van kleine veranderingen die grote verschillen konden introduceren. Zoals iedereen was Charles Darwin een kind van zijn tijd. Die tijd was het victoriaanse Engeland, waarin blanke mannen uit de high society aan de touwtjes trokken en een denigrerende houding aannamen tegenover de andere maatschappelijke klassen. Darwin was naar onze normen een onversneden seksist, hoewel hij een uitstekende relatie had met zijn vrouw en dochters - Henrietta werkte zelfs actief mee aan het samenstellen van The Descent of Man. Maar hij liet zijn dochters niet studeren, omdat hij dat als verloren moeite beschouwde aangezien vrouwen minder hersenen hebben dan mannen. Dat is een correcte biologische vaststelling, alleen compenseren vrouwen hun geringer hersenvolume door een intenser netwerk van verbindingen tussen hersencellen, wat belangrijker is voor de kracht van de hersenen. Dat kon Darwin met de beperkte neurologische inzichten uit zijn tijd echter niet weten. Een recent commentaarstuk van een Amerikaanse antropoloog in Science bracht in herinnering dat Darwin vrouwen in The Descent of Man omschreef als 'minder capabel' dan (blanke) mannen, vergelijkbaar met de 'lagere rassen'. Darwin labelde mannen als 'moediger, energieker, inventiever en intelligenter' dan vrouwen, en deinsde er niet voor terug om natuurlijke en seksuele selectie in te zetten om die visie te staven. Terwijl die visie niet meer was dan de geijkte houding van blanke mannen in het victoriaanse Engeland. Hetzelfde deed hij met rassen. Ondanks zijn strijd tegen de slavernij omschreef hij Afrikanen als 'cognitief verarmd, minder capabel en van een lagere orde dan andere rassen'. De auteur van het commentaarstuk in Science besloot dat ' Descent dikwijls problematisch, bevooroordeeld en beledigend is'. 'Darwin meende dat hij steunde op gegevens, objectiviteit en wetenschappelijk denken in het beschrijven van de uitkomsten van menselijke evolutie. Maar in een groot deel van het boek doet hij dat niet. Zoals veel wetenschappelijke werken in zijn tijd geeft Descent een ronduit racistische en seksistische visie op de mensheid.' De antropoloog gaat niet zover dat hij Darwin en The Descent of Man in de banvloek wil slaan. Hij geeft wel aan dat we de tekst van Descent niet moeten verheerlijken, wel louter gebruiken om er uit te leren. Zelfs de meest briljante wetenschappers slagen er niet altijd in zich te onttrekken aan de opvattingen van de maatschappij waarin ze zich bewegen. Zeker niet als ze met controversiële thema's bezig zijn en weten dat ze zich bloot zullen stellen aan kritiek. Wetten van de fysica lanceren is veel vrijblijvender dan wetten die ons eigen doen en laten beschrijven. Darwin haalde in Descent zelfs een opvallend trucje uit, dat we vandaag als handige marketing zouden beschouwen: hij omschreef de monotheïstische godsdienst als een bewijs van beschaving in vergelijking met het animisme en fetisjisme van primitieve stammen. Zo trachtte hij de angel te halen uit de problematiek dat zijn evolutietheorie niet strookte met het idee van de mens en de rest van de natuur als een goddelijke schepping. Mogelijk was het ook een manier om zijn religieuze echtgenote mee te krijgen in zijn ideeën. Ondanks zijn seksistische inborst had hij een diep respect voor haar. Het is gelukkig minder moeilijk dan het lijkt om Darwins racisme te verzoenen met zijn strijd tegen de slavenhandel. Hij steigerde namelijk bij elke vorm van onrecht. Dat werd mooi verwoord door zijn oudste zoon William in een brief: 'Twee onderwerpen die mijn vader misschien meer bewogen dan eender welk ander, waren wreedheid tegen dieren en slavernij. Zijn afkeer van beide was intens, en zijn verontwaardiging overweldigend in het geval van lichtzinnigheid of gevoelloosheid inzake deze materies.' Als jonge snaak ging Darwin op jacht. Hij schreef ooit dat hij, nadat hij zijn eerste snip had geschoten, van opwinding geen schot meer kon lossen. Maar tijdens zijn reis rond de wereld delegeerde hij het 'verzamelen' (lees: schieten en vangen) van specimens al snel aan een 'bediende'. Later ageerde hij met zijn vrouw tegen het gebruik van klemmen om dieren te vangen. Hij loofde zelfs een geldprijs uit voor het ontwerp van een 'draagbare, goedkope én efficiënte' klem voor diervriendelijke verdelging - een prijs die hij bij gebrek aan winnend ontwerp niet hoefde uit te betalen. Mede onder druk van zijn vrouw en dochters verzette hij zich ook tegen vivisectie. Hij was evenzeer emotioneel begaan met het leed van mensen, zelfs als hij ze als 'inferieur' beschouwde. Tijdens zijn geneeskundestudie zag hij tot zijn afschuw hoe professoren voor een publiek operaties zonder verdoving uitvoerden op sukkelaars, inbegrepen kinderen, die zonder het te beseffen als proefkonijn fungeerden. In zijn reisverslag beschreef hij vol ontzetting hoe een man een kind keihard met het hoofd tegen een rots sloeg, omdat het een mand met zee-egels had laten vallen. Hij had misselijkmakende ervaringen met een privémilitie die op de Argentijnse pampa's jacht maakte op indianen om plaats vrij te maken voor Spanjaarden. Verkrachtingen en slachtpartijen waren onderdeel van de strategie. Hij drukte regelmatig zijn afschuw uit over hoe slaven werden behandeld als koeien en geiten. Elke mens, hoe 'minderwaardig' ook, verdient het om menselijk te worden behandeld: dat was voor Darwin de normaalste zaak van de wereld. Hij deed actief aan liefdadigheid, maar maakte zich wel zorgen om een eventuele degeneratie van het Britse volk door de snelle voortplanting van armen en zieken. Het opgeven van liefdadigheid om dat risico te verkleinen - een politiek thema in zijn tijd - was echter niet aan de orde, zo liet hij in Descent weten. Net als de meeste Britse notabelen had hij het evenmin voor Ierse katholieken, die zich 'voortplanten als konijnen'. In veel aspecten vertegenwoordigde Darwin dus de ideeën van zijn tijd. Maar helaas wordt hij vandaag, anderhalve eeuw later, met de aandacht die zijn inzichten blijven genereren, tegen een ander licht gehouden. Voor veel moslims, die sowieso worstelen met de consequenties van zijn evolutietheorie, wordt zijn racisme een thema om zijn wetenschap in diskrediet te brengen. Terwijl het ondertussen glashelder is dat zijn evolutiemechanismen wel degelijk de drijvende kracht achter het leven zijn. Zijn wetenschap blijft moeiteloos overeind. Het is overigens nog altijd nodig om te vechten tegen racistisch en seksistisch geïnspireerde onzin. In die zin verschilt Darwins tijd misschien minder van de onze dan sommigen bereid zijn aan te nemen. Nochtans is de biologie er helemaal uit: geef mensen van verschillende geslachten, rassen, culturen of maatschappelijke klassen dezelfde kansen en ze ontwikkelen dezelfde capaciteiten. Moeilijker dan dat is het niet.