Dirk Draulans Beestenboel: de gewone rookwants heeft een natuurlijke blender in zijn snuit

rookwants
Dirk Draulans
Dirk Draulans Bioloog en redacteur bij Knack.

De schrik voor insecten zit er bij veel mensen goed in – of misschien is het vooral een afkeer. Veel mensen grijpen spontaan naar de spuitbus of andere verdelgingsmaatregelen wanneer ze kriebelbeestjes in hun huis zien, meestal zonder erbij stil te staan of die al dan niet problemen veroorzaken. De situatie van de gewone rookwants illustreert dat perfect.

De rookwants is een beestje met lange poten dat de voorbije halve eeuw vanuit Midden- en Zuid-Europa onze contreien heeft bereikt, op natuurlijke wijze, mogelijk gestimuleerd door de klimaatopwarming. Het kan tegenwoordig plaatselijk talrijk zijn, ook in huizen en tuinen.

Het diertje wordt nooit groter dan een centimeter en is mooi gekleurd. De hoofdtinten zijn zwart, bruin en grijs, en zeker op de voorvleugels komen die samen in uitgewerkte patronen, een echt donker schilderwerkje.

Rookwantsen komen makkelijk in woningen terecht als verstekelingen in hout voor de open haard.

De kleuren bieden het beestje een uitstekende camouflage voor gescharrel in de strooisellaag onder bomen en struiken, waar het voortdurend op zoek is naar afgevallen zaden. Het is weinig kieskeurig op het vlak van voeding – zaden zijn zaden. Met zijn steeksnuit boort het een gat in een zaadje, waarna het er wat speeksel vol enzymen in spuit. Die moeten het zaadweefsel verwerken tot een vloeibaar product, dat vervolgens wordt opgezogen. Op een bepaalde manier heeft het diertje dus een natuurlijke blender ontwikkeld.

Met zijn lange pootjes is een rookwants een voortreffelijke loper – je ziet er tegenwoordig geregeld een op een tuinterras voorbijsnellen. Toch kan hij ook goed vliegen. Als het moet, legt een rookwants een naar zijn normen grote afstand af tussen zijn zomerverblijf en een overwinteringsplek. Die laatste is doorgaans aan hout gekoppeld: de diertjes overwinteren bij voorkeur onder schors of tussen houtblokken, soms gezellig samen in grote groepen.

Wanneer ze in het voorjaar wakker worden, paren ze en worden er eitjes gelegd, die vrij snel uitkomen. De jonge wantsjes lijken sterk op de volwassen vorm, maar ze hebben een vijftal vervellingen nodig om volgroeid te zijn – hun pantserhuid is zachter dan die van de volwassen wantsen. Vanaf augustus zijn ze klaar om in wintermodus te gaan. Het actieve seizoen van de beestjes is dikwijls vrij kort.

Dat laatste is niet geval als ze in huizen terechtkomen. Rookwantsen worden steeds meer in woonsten gezien, waar ze niet zelden terechtkomen als verstekelingen in hout voor de open haard. Houttransporten lijken ook het belangrijkste verplaatsingsvehikel voor de soort op de lange afstand te zijn. De diertjes blijven in onze huizen actief in de winter, waarbij ze graag hun omgeving verkennen. Veel mensen vinden dat ergerlijk.

Nochtans is de rookwants een insect dat op geen enkele manier overlast bezorgt, tenzij door zijn aanwezigheid. Ze steekt niet, ze bijt niet, ze draagt geen ziektes over, ze stinkt niet, ze veroorzaakt geen schade (ook buiten niet trouwens, ze is geen pest voor de landbouw). Het is dus zinloos om ze met pesticiden te lijf te willen gaan. Als je ze niet in huis wilt, zet je ze het best gewoon buiten. Meer hoeft dat niet te zijn.

Partner Expertise