Ooit moeten er op het Euraziatische continent zo'n 60 miljoen bevers geleefd hebben. Na de Tweede Wereldoorlog bleven er van het grootste Europese knaagdier nog 1200 exemplaren over. De Europese bever stond op het punt te verdwijnen.
...

Ooit moeten er op het Euraziatische continent zo'n 60 miljoen bevers geleefd hebben. Na de Tweede Wereldoorlog bleven er van het grootste Europese knaagdier nog 1200 exemplaren over. De Europese bever stond op het punt te verdwijnen. Daar waren, naast watervervuiling, vele redenen voor. Zo gingen de kerkelijke autoriteiten ervan uit dat je bevers als vissen kon beschouwen, aangezien ze overwegend in water leven en een platte staart met schubben hebben. Daardoor mocht je ze op vrijdag en in de vasten eten. De kerk heeft wel vaker gedwaald: bevers zijn zoogdieren met een pels. Om goed geïsoleerd te zijn in het water, zeker in de winter, kan de dichtheid van haartjes in een beverpels oplopen tot 23.000 per vierkante centimeter (ter vergelijking: op een volwassen mensenhoofd staan er ongeveer 300 per cm2). Dat maakte van de bever een schietschijf voor de bontindustrie. Een product uit een klier in de buurt van zijn geslachtsorganen deed het goed in de parfumindustrie. Bont en parfum volstaan ruimschoots om het als dier aartsmoeilijk te krijgen in een mensencontext. Bovendien bouwen bevers dammen. Die fungeren onder meer als burcht voor hun familie, met een ingang onder water. De houten constructies kunnen overstromingen veroorzaken - en zijn dus een doorn in het oog van nogal wat menselijke oeverbewoners. Maar beverdammen hebben nuttige functies in een landschap. Ze vormen een buffer tegen zowel uitdroging als (nog meer) overstromingen. Ze filteren vervuilende stoffen uit het water dat erdoorheen sijpelt. Ze dragen bij tot een temperatuurverlaging van het water. In een experiment werd na het bouwen van een beverdam in acht jaar tijd een temperatuurvermindering van 2,6 graden Celsius gemeten. Gezien de klimaatopwarming is dat niet zonder belang. Beverdammen creëren nieuwe ecologische mogelijkheden in ons landschap: natte bosjes met afstervende bomen, waardevolle poelen en meanderende beken. Ze verzorgen een terugkeer naar onze natuur van vroeger, wat je in de context van landschapsbeheer als een weg vooruit moet beschouwen. In feite is de terugkeer van de bever een zegen voor onze natuur. De laatste bever in België werd in 1848 geschoten. In 1998 is hij aan een revival begonnen, na enkele (illegale) herintroducties met Duitse bevers. Het is moeilijk het aantal bevers te bepalen dat momenteel in Vlaanderen leeft, maar experts houden het op zo'n vijfhonderd exemplaren. Er zou bij ons plaats zijn voor een kleine duizend beverfamilies. Zoals in dit soort dossiers de gewoonte is, groeit er weerstand tegen het succes van het dier. Vooral boeren maken zich zorgen. Niet alleen vanwege de overstromingen, ook omdat een bever tot 20 meter ver van het water kan gaan om zich te voeden. Helaas ligt het probleem meestal bij de boer zelf, die met zijn akkers te dicht bij het water komt. Als boeren de gewoonte zouden aankweken om enkele meters oever vrij te laten, zouden ze minder water vervuilen en minder last hebben van bevers. Maar nee, veel boeren willen maar één oplossing voor 'probleembevers': de dood met de kogel. Jagers hoef je dat geen twee keer te vragen. Gelukkig hebben ze daarvoor een speciale vergunning nodig. En zo is de bever nog maar net terug of hij wordt alweer geviseerd. Het is erg.