Er vliegen vlinders in de winter. Met name mannelijke motten. Ze kunnen zich zelfs voortplanten, maar dan moeten ze wel vrouwtjes vinden. In het geval van de kleine wintervlinder kunnen die niet vliegen: de vleugels die ze ooit hadden, zijn gereduceerd tot (waarschijnlijk functieloze) stompjes.
...

Er vliegen vlinders in de winter. Met name mannelijke motten. Ze kunnen zich zelfs voortplanten, maar dan moeten ze wel vrouwtjes vinden. In het geval van de kleine wintervlinder kunnen die niet vliegen: de vleugels die ze ooit hadden, zijn gereduceerd tot (waarschijnlijk functieloze) stompjes. Als het koud wordt, kruipen de vrouwtjes uit de pophuid waarin ze de zomer hebben doorgebracht. Ze klimmen meteen op de stam van de dichtstbijzijnde boom. Met wat geluk zitten daar mannetjes te wachten, en anders zenden de vrouwtjes feromonen uit: stoffen om hen te lokken. Je kunt in de natuur beter niets aan het toeval overlaten als je je wilt voortplanten. De kleine wintervlinder is een banaal motje uit de familie van de spanners. De mannetjes hebben doorgaans vuilwitte vleugels met een niet altijd gemakkelijk te onderscheiden dwarsband. Als je in november en december 's avonds fladderende witte driehoekjes in het oog krijgt, is de kans groot dat het kleine wintervlinders zijn. De soort is algemeen: u hebt ze mogelijk al gezien, hoewel u zich daar misschien niet bewust van was. Als u nu in het donker met een lampje op de stam van vooral eiken en appelbomen schijnt, is de kans groot dat u wintervlinders zult spotten. De diertjes proberen zo snel mogelijk na een ontmoeting te paren. Seks in de winter, het bestaat in de natuur. Het grote voordeel voor de wintervlinder is dat hij dan niet op zijn hoede moet zijn voor vleermuizen, gepatenteerde motteneters. Die zijn namelijk grotendeels in hun winterslaap verzonken. Na de paring kruipen de vrouwtjes hoger de boom in, om in de kruin tot honderd eitjes af te zetten. Ze doen dat op plekken waar later bladeren zullen uitkomen, want de rupsen hebben frisse blaadjes nodig om te groeien. Daarna is het afgelopen voor de vlinders en begint het wachten op de volgende generatie. Die sluipt in de lente uit de eitjes. Maar er is een probleem. De rupsen van de wintervlinder reageren nogal scherp op de eerste warme temperaturen, en door de klimaatopwarming komen die er nu vroeger aan dan jaren geleden. Dat heeft een effect op de bladeren waarvan de rupsen leven, maar zijzelf reageren trager. Gelukkig heeft de natuur daarmee rekening gehouden: er zijn vroege en late geboortes, zodat er altijd diertjes zijn die op het juiste moment uitkomen. Nederlands onderzoek heeft bovendien een aanpassing aangetoond. Volgens een studie in Nature Climate Change kruipen de rupsen sinds begin van deze eeuw almaar later uit hun eitje. De vertraging bedraagt een dag per jaar. In totaal komen ze nu gemiddeld vijf dagen later uit, waardoor ze weer synchroon zijn met de bladeren. Snelle aanpassingen kunnen cruciaal zijn voor het succes van een soort. Als de rupsen zich in de late lente volgevreten hebben, vallen ze op de grond en verpoppen ze. De meeste vlinders komen uit in de buurt van de boom waarin ze als rups groot zijn geworden. Vrouwtjes hoeven dus niet per se te kunnen vliegen om mannetjes te vinden. Zo kunnen ze meer energie in hun eitjes pompen.