Ze twijfelt nog of ze zal solliciteren, wanneer de Europese Ruimtevaartorganisatie ESA eind deze maand op zoek gaat naar nieuwe astronauten. Bij de volgende ruimtemissies wil de ESA een astronautenteam met veel vrouwelijke leden kunnen voorstellen. 'Het is een unieke kans', vertelt Angelique Van Ombergen, wanneer we elkaar ontmoeten voor een coronaproof wandelinterview in het Antwerpse Stadspark. 'Maar ik weet niet of ik de brandende ambitie heb om astronaut te worden. Het vooruitzicht om vier à vijf jaar lang te trainen en de wereld af te reizen spreekt me eigenlijk niet aan. Maar tegelijk is het natuurlijk een ongelooflijk inspirerende baan, en wil ik achteraf geen spijt hebben dat ik het niet heb geprobeerd.'
...

Ze twijfelt nog of ze zal solliciteren, wanneer de Europese Ruimtevaartorganisatie ESA eind deze maand op zoek gaat naar nieuwe astronauten. Bij de volgende ruimtemissies wil de ESA een astronautenteam met veel vrouwelijke leden kunnen voorstellen. 'Het is een unieke kans', vertelt Angelique Van Ombergen, wanneer we elkaar ontmoeten voor een coronaproof wandelinterview in het Antwerpse Stadspark. 'Maar ik weet niet of ik de brandende ambitie heb om astronaut te worden. Het vooruitzicht om vier à vijf jaar lang te trainen en de wereld af te reizen spreekt me eigenlijk niet aan. Maar tegelijk is het natuurlijk een ongelooflijk inspirerende baan, en wil ik achteraf geen spijt hebben dat ik het niet heb geprobeerd.' Met haar cv is alvast weinig mis. Van Ombergen werkt sinds 2019 bij de ESA, als coördinator van het wetenschappelijk onderzoek. Ze werd aangenomen dankzij een baanbrekend doctoraat, waarin ze de impact van ruimtereizen op de hersenen onderzocht. Door zowel vóór als na hun ruimtereis MRI-scans van astronauten te nemen, ontdekte ze dat de astronauten achteraf minder grijze stof en meer hersenvocht in hun brein hadden. Die verandering is een mogelijke verklaring voor de vele kwaaltjes waarmee astronauten tijdens en na hun reizen te maken krijgen. Van Ombergen: 'Ruimtereizen hebben een enorme impact op het menselijk lichaam. Astronauten verliezen spiermassa en hebben ook last van evenwichtsstoornissen, omdat ze in de ruimte hun evenwichtsorgaan niet echt gebruiken. En we merken dat astronauten na verloop van tijd oogproblemen krijgen, waardoor ze minder scherp zien. Kent u Gravity, die ruimtefilm met Sandra Bullock? Op het einde van de film landt ze na een ruimtereis terug op aarde, en zie je haar uit haar cabine kruipen en verder lopen. Dat is dus onmogelijk. Astronauten die terugkeren naar de aarde zijn supermisselijk. De meesten vallen geregeld flauw en kunnen aanvankelijk nauwelijks stappen. (grijnst) Die scène was voor mij de druppel. Gelukkig vond ik het vóór die scène ook al een slechte film.' Is die fysieke schade permanent? Angelique Van Ombergen: Eigenlijk weten we dat niet. In ruimteonderzoek zijn we heel goed in vóór en na de ruimtereis meten, maar de opvolging op lange termijn is niet zo makkelijk. Van de meeste problemen weten we dat ze redelijk snel overgaan. Het evenwichtsorgaan, de spieren en het hart passen zich vrij snel aan, maar bij de botten duurt het tamelijk lang voor ze weer even sterk zijn. Die fysieke problemen schrikken u niet af om te solliciteren? Van Ombergen: Astronauten worden goed opgeleid om met die verschijnselen om te gaan. Van alle astronauten die ooit in de ruimte zijn geweest, is er niet een die achteraf niet gewoon weer normaal kon functioneren op aarde. Over het algemeen zijn mensen eigenlijk enorm goed in staat om zich aan te passen aan extreme omstandigheden. Waarom is het zo belangrijk om vrouwen in de ruimte te hebben? Van Ombergen: Eerst en vooral gaat het om het principe dat vrouwen meer dan de helft van de wereldbevolking uitmaken. Het is toch hallucinant dat er nog nooit een vrouw op de maan is geweest? In 2008 was slechts een van de zes kandidaat-astronauten een vrouw: Samantha Cristoforetti. Dat was ergens ook logisch, want slechts een op de zes sollicitanten was vrouw. Er is ook een praktische reden: we weten nog te weinig over hoe vrouwen reageren op ruimtereizen. Ik heb voor mijn onderzoek nooit een vrouw kunnen testen, omdat er geen vrouwelijke astronauten beschikbaar waren. Dat is een enorm probleem bij biomedisch onderzoek: vrouwen zijn niet populair als proefpersonen. Waarom worden er zo weinig vrouwelijke proefpersonen gebruikt? Van Ombergen: Omdat vrouwen complexer zijn om te onderzoeken. Bij een van onze experimenten leggen we proefpersonen twee maanden lang op een bed dat naar beneden wordt gekanteld, om de effecten van spierafbraak te simuleren. De proefpersonen moeten alles doen vanaf dat bed: eten, naar het toilet gaan, zich wassen. Dat gaat nu eenmaal gemakkelijker bij mannen. Je hoeft bij mannelijke proefpersonen ook geen rekening te houden met hormonale wisselingen. Om goed te kunnen vergelijken, moet je ervoor zorgen dat alle vrouwen ongeveer op hetzelfde moment hun menstruatiecyclus hebben. Dat is enorm moeilijk, en dus nam men voor dat soort onderzoek tot nu toe voornamelijk mannelijke proefpersonen. Waarom is dat een probleem? Van Ombergen: Mannen en vrouwen reageren biologisch anders. We vermoeden bijvoorbeeld dat vrouwen in de ruimte minder last krijgen van oogproblemen. Binnenkort gaan we bij de ESA een nieuw experiment opzetten, waarbij proefpersonen vijf dagen lang in een zeil liggen, dat in een groot bad ligt. Op die manier proberen we het gevoel te simuleren dat je nergens op kunt steunen, zoals dat in de ruimte bestaat. Op die manier hopen we beter te begrijpen wat vrouwenlichamen doormaken als ze zich in de ruimte begeven. In welke mate zijn fysieke vereisten een belemmering om meer vrouwen in de ruimte te krijgen? Van Ombergen: Het is een misvatting dat je enorme fysieke capaciteiten moet hebben om astronaut te worden. Je moet natuurlijk een zekere conditie hebben en een goede algemene gezondheid, maar we zijn niet op zoek naar olympische atleten. Wat is het finale doel? Gelooft u dat we ooit naar Mars zullen gaan? Van Ombergen: Het eerstvolgende doel is om opnieuw mensen naar de maan te sturen. Maar uiteindelijk moet het de bedoeling zijn een vlucht met crew naar Mars te sturen. Dat is niet voor meteen. Maar ik ben er redelijk zeker van dat ik in mijn leven nog zal meemaken dat er astronauten op Mars rondlopen. Voor uw onderzoek werkt u vaak samen met Russische kosmonauten. Hoe valt dat mee? Van Ombergen: In Rusland worden kosmonauten veel minder op een voetstuk gezet dan in het Westen. Ik ben al meermaals in Sterrenstad geweest, het trainingscentrum waar de kosmonauten getraind worden. (grinnikt) Daar wil je echt niet blijven overnachten. De fancy zeteltjes en de comfortabele matrassen uit de films zijn er allemaal niet bij in Rusland. Ondanks de vele spanningen tussen Rusland en Europa werken we in de ruimtevaart nog steeds vlot samen. Hoe verklaart u dat? Van Ombergen: We hebben elkaar nodig in de ruimte. Het Internationaal Ruimtestation is een unieke samenwerking van landen die onderling niet altijd overeenkomen, en toch gaat dat maar door. Ruimtevaart is een van de weinige disciplines waarin je mensen van alle culturen en alle politieke systemen laat samenwerken. Is de ruimtevaart een machowereld? Van Ombergen: Ik moet zeggen dat ik aangenaam verrast ben door de recente aanwervingen bij de ESA. Daar zijn heel veel vrouwen bij, stuk voor stuk topwetenschappers. Zonder alle mannen over dezelfde kam te willen scheren: meer diversiteit zorgt toch voor een andere dynamiek. Maar hét grote probleem blijft dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn in de academische wereld. Onder doctorandi is de man-vrouwverhouding redelijk gelijk, maar daarna is het ontzettend moeilijk voor vrouwen om door te breken. Hoe komt dat? Van Ombergen: Omdat het academische systeem niet voorzien is op vrouwen die een academische carrière najagen. Eigenlijk beloont het huidige systeem de onderzoeker die het meest roofbouw op zichzelf pleegt. Ik kan het niet anders benoemen. De concurrentie is moordend. Er zijn minder postdocplekken dan er doctorandi zijn, en er zijn minder vaste aanstellingen dan er postdocs zijn. Het enige wat je kunt doen om te overleven, is zorgen dat jouw cv nog nét iets beter is dan dat van je collega's. En dus schrijf je nog een extra paper, doe je nog een extra congres, volg je nog een extra buitenlandse stage, tot je erbij neervalt. Ligt dat aan uw perfectionisme, of aan het systeem? Van Ombergen: Dat ligt waarschijnlijk aan beide, maar zeker ook aan het systeem. Het stopt nooit. Zelfs als je erin slaagt een vaste aanstelling te krijgen, moet je beurzen binnenhalen, je laboratorium opbouwen en ben je constant aan het puzzelen om mensen te kunnen aannemen. Toen ik op 13 december 2018 de vraag kreeg van de ESA of ik in januari kon beginnen, had ik nog geen contract aan de universiteit voor 2019. Dat is toch onvoorstelbaar? Je krijgt natuurlijk altijd te horen dat het wel goed komt, dat het maar een administratieve formaliteit is, maar je hebt dus totaal geen zekerheid. Het salaris is zeker niet onaangenaam, maar het is ook niet van die aard om tachtig uur per week voor te werken. Ik begrijp dat de universiteit ook maar beperkte middelen heeft, en dat er keuzes gemaakt moeten worden. Maar het moet toch op een andere manier kunnen? U bent er echt door gefrustreerd. Van Ombergen: Het is toch doodjammer? Onderzoeker zijn aan de universiteit is de mooiste job ter wereld. Maar dat hypercompetitieve milieu maakt van elke collega je grootste concurrent. Er komen geregeld verhalen naar boven over plagiaat of over data die vervalst zijn. Ik keur dat volledig af, en ik zou het zelf nooit overwegen. Maar ik begrijp dat mensen in de verleiding komen. Ik wil hier echt niet kwaadspreken over de universiteit, maar op lange termijn is het huidige academische model onhoudbaar. De academische wereld verliest op deze manier enorm veel talent. Het moet u wel plezier doen dat de wetenschap nu al meer dan een jaar vol in de picture staat. Van Ombergen: (knikt) De coronacrisis maakt het duidelijk dat je wetenschap nodig hebt om beslissingen te nemen. Het is enorm positief dat wetenschappers zo'n enorm platform hebben gekregen. Het dwingt ons ook om uit de ivoren toren te komen. Dat iemand als Erika Vlieghe zo'n prominente rol speelt in de coronastrategie, is enorm positief. Voor meisjes is het ongelofelijk belangrijk dat zulke rolmodellen bestaan. De pandemie leidt ook tot een opstoot in het complotdenken. Van Ombergen: Daar kan ik me enorm aan ergeren. Ik snap niet dat mensen zo bereid zijn om te geloven dat vaccins autisme veroorzaken, terwijl er nog nooit een sluitend onderzoek is geweest dat dat heeft aangetoond. Maar tegelijk merk ik dat die ideeën zich wel degelijk verspreiden. Onlangs belde mijn moeder me op, om te vragen of ze dat vaccin wel zou nemen. Hebt u begrip voor het argument dat die vaccins nieuw zijn en we eigenlijk niet goed weten wat erin zit? Van Ombergen: Dat vind ik echt een onnozel argument. Weet u exact wat er in uw eten zit? Dat weerhoudt u er toch ook niet van om naar de frituur te gaan? Er zijn mensen die tijdens het uitgaan allerlei drugs of pillen nemen waarvan ze niet het flauwste idee hebben wat erin zit, maar nu willen ze plots een ingrediëntenlijst van wat er in zo'n vaccin zit? Dat zijn twee maten en twee gewichten. Hebt u uw moeder kunnen overtuigen? Van Ombergen: Ja hoor, ze gaat zich laten vaccineren. Maar haar keuze is niet volledig gestoeld op rationele argumenten, maar op het feit dat ik erop aandring. Dat is natuurlijk ook niet ideaal. Wat vond u van de beslissing van de VRT om in De Zevende Dag ook antivaxers aan het woord te laten? Van Ombergen: Homeopaten en antivaxers horen niet op de openbare omroep. Het is totaal onethisch om met belastinggeld een forum te geven aan mensen die opzettelijk antiwetenschappelijke nonsens verkopen. Het is vandaag voor niet-wetenschappelijk geschoolde mensen al moeilijk genoeg om feit van fictie te scheiden. Het is alsof je Frank De Winne in debat zou laten gaan met iemand die gelooft dat de aarde plat is. Wetenschappers hebben het moeilijk om dergelijke onzin te weerleggen. Hoe komt dat? Van Ombergen: Complotdenkers gaan totaal in tegen de wetenschappelijke methode. Dat is bijzonder moeilijk om mee om te gaan. Hebt u ooit Behind the Curve gezien, die Netflixdocumentaire over de Flat Earth Society? Helemaal op het einde doen die flat-earthers een experiment, waarbij ze per ongeluk bewijzen dat de aarde rond is. En toch blijven ze volharden. Zou u weigeren met dergelijke figuren in debat te gaan? Van Ombergen: Absoluut. Daar stop ik geen energie in. Dan geef ik veel liever een lezing voor kinderen. Behalve wetenschapper bent u ook jeugdauteur. Van Ombergen: (knikt) Ik heb tijdens de kerstperiode twee weken vakantie genomen om mijn derde jeugdboek te schrijven. Ik heb er elke dag twaalf à veertien uur aan gewerkt. Ik vraag me soms af wat ik mezelf aandoe. Maar de voldoening achteraf is wel groot. Waarom houdt een topwetenschapster zich met jeugdboeken bezig? Van Ombergen: Ik zou het als kind enorm leuk gevonden hebben om zulke boeken te lezen. En het speelt natuurlijk ook mee dat je van zo'n jeugdboek tenminste weet dat het gelezen wordt. Bij een doctoraat mag je al blij zijn als je promotoren het volledig gelezen hebben, en je familie kijkt hoogstens eens of ze in het dankwoord staan. (glimlacht) Wetenschappelijke doorbraken en publicaties in belangrijke wetenschappelijke tijdschriften zijn leuk, maar finaal is er niets mooiers dan een kind dat dankzij mijn boek wetenschapper wil worden. Daar doe je het toch voor.