'We zijn veroordeeld tot hoop', verklaarde Syrisch toneelmaker Sa'adallah Wannous in de jaren negentig, toen Syrië nog bekend stond als het koninkrijk der stilte omwille van de harde repressie van dissidenten. Die hoop deed Syrische burgers in 2011 hun angst voor het Assad-regime overwinnen en massaal op straat komen in anti-regime protesten. Tien jaar na de start van die protesten regeert president Assad nog steeds het land dat hij vernietigde en blijft hij oorlogsmisdaden plegen. Verdere internationale isolatie lijkt echter geen optie, nu een aantal Arabische landen de relaties met het regime wil normaliseren. De idee dat de oorlog voorbij is, maakt ook opgang in politieke kringen in het Globale Noorden en opent de deur voor discussies over schijnoplossingen zoals de terugkeer van vluchtelingen naar Syrië. Dit pad vormt een recept voor blijvende internationale instabiliteit. Zonder perspectief op een vorm van gerechtigheid is het onmogelijk om het conflict te beteugelen.

Zijn we veroordeeld tot het Assad-regime?

De transformatie van een volksopstand tot een burgeroorlog, de opgang van de Islamitische Staat en zijn internationale terreurdaden, en de interventies van onder meer Rusland, Iran en Turkije maakten van het Syrisch conflict een schijnbaar onontwarbaar kluwen. Noch de Europese Unie, noch de Verenigde Staten slaagden erin, of gingen zover, om het regime te doen wankelen. Assad kon, met de steun van Rusland en door middel van internationale misdaden het grootste deel van het grondgebied opnieuw onder zijn controle krijgen. Enkel in de provincie Idlib en delen van Noord-Syrië bezet door Turkije of onder controle van Syrische Koerden lukte dit niet. Anno 2021 lijkt een transitie naar democratie een verre wensdroom. Maar wil dat ook zeggen dat Syriërs veroordeeld moeten worden tot een regime van oorlogsmisdadigers?

Deze vraag laat ook de Europese Unie (EU) niet onverschillig. De EU houdt vast aan haar positie van 2011 dat een transitie essentieel is en pleit voor rekenschap voor internationale misdaden door alle partijen. Ook stuurt ze permanent haar sancties bij tegen ondertussen 270 Syrische regimeleden en 70 instanties betrokken bij internationale misdaden. In tegenstelling tot Arabische landen zoals de Verenigde Arabische Emiraten en Algerije, blijft de EU ook fel gekant tegen normalisering van de betrekkingen met het regime. Zo bestempelde de Hoge Vertegenwoordiger van de EU, Joseph Borrell, de Syrische presidentsverkiezingen van mei 2021 als frauduleus. Toch lijkt de Europese consensus over de noodzaak tot een isolatie van het regime af te brokkelen. Zo heropenden Griekenland, Cyprus, Hongarije en Bulgarije recent hun ambassade in Damascus en deden ze hiermee afstand van het Europese beleid dat Assad diplomatiek probeert te isoleren.

Het debat over het terugsturen van vluchtelingen naar Syrië is een ander voorbeeld waaruit de twijfel spreekt over het officiële Europese beleid en de bredere internationale aanpak van het conflict. Voorlopig is Denemarken het enige land dat geen bescherming meer verleent aan Syrische vluchtelingen uit de regio van Damascus. Al mag de veiligheidssituatie verbeterd zijn, toch is een terugkeer allesbehalve veilig omwille van het risico op vervolging. Zoals 11.11.11 en haar lokale partners in een nieuw rapport aangeven, alsook Amnesty International en Human Rights Watch, riskeren Syriërs bij terugkeer gedwongen inlijving bij het leger en willekeurige detenties, en leven ze in angst voor de Syrische veiligheidsdiensten.

Voorlopig kreeg het Deense precedent geen navolging, maar het debat woedt in de diplomatieke en humanitaire wandelgangen. Zo luidt de officiële positie van VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR dat een terugkeer van vluchtelingen naar Syrië niet veilig is, maar wil het hoofd van de organisatie desalniettemin samenwerken met het regime om die terugkeer te faciliteren. Ook Rusland pleit hiervoor en meent dat het een constructieve rol kan spelen, inclusief in de heropbouw van het land waarbij het aandringt op Europese heropbouwfondsen zonder enige voorwaarden voor Assad. Die houding is cynisch aangezien Rusland medische faciliteiten en scholen in Syrië bombardeerde, en mede verantwoordelijk is voor de ontheemding van honderdduizenden burgers.

De Russische houding lijkt eerder te zijn ingegeven door de wens het Assad-regime veilig te stellen en zijn positie in de regio versterken. De EU ziet dit met lede ogen aan. Toch zal de Europese en internationale spreidstand groter worden omdat het onmogelijk is, de vele crisissen te beteugelen en zowel het Assad-regime als Rusland te omzeilen. Politieke leiders kunnen zich geen alternatief voorstellen. De VN-Veiligheidsraad is verlamd door het Russische veto en diplomatieke proces ligt op apegapen. Net als zijn voorgangers heeft speciaal VN-gezant Pedersen nog niets uit de brand kunnen slepen. Op internationaal niveau neemt defaitisme daarom steeds meer de plaats in van oplossingsgericht denken.

Toch houden de EU en haar lidstaten vast aan hun officiële positie en ondernemen ze nieuwe demarches. De strijd voor rechtvaardigheid voor slachtoffers van internationale misdaden is een van de centrale pistes. De steun voor VN-instellingen zoals de Commission of Inquiry en het IIIM die de misdrijven documenteren en bewijsmateriaal verzamelen, is groot. Ook lopen er in verschillende Europese lidstaten rechtszaken volgens het principe van universele jurisdictie dat vervolging van internationale misdrijven in nationale rechtbanken in het buitenland mogelijk maakt. In het Duitse Koblenz startte in 2020 het eerste proces tegen twee voormalige Syrische regime-beambten. Dit precedent heeft meer dan een symbolische impact op slachtoffers en daders. Syrische ngo's en slachtoffergroepen zetten zich de afgelopen jaren ook actief in om de rekenschap te bevorderen en doen concrete voorstellen. Een voorstel dat Europese lidstaten, en ook België, voluit kunnen steunen is de oprichting van een humanitair mechanisme om het lot van de meer dan 150.000 vermiste en verdwenen Syrische burgers te achterhalen. Dit zou een wereld van verschil uitmaken voor hun geliefden, en slachtoffers onttrekken aan de leugens en de vergetelheid. Want zoals Sa'adallah Wannous vervolgde: 'Wat vandaag gebeurt, kan niet het einde van de geschiedenis zijn.'

Brigitte Herremans, onderzoeker mensenrechtencentrum UGent

Kan er sprake zijn van gerechtigheid voor Syriërs? Die vraag staat centraal tijdens het panelgesprek 'Imagining Justice for Syrians' op maandagavond 6 december om 20u in Liberas in Gent. Doorwinterd Midden Oosten-specialist Chams Eddine Zaougui interviewt Syrisch fotograaf Mohammed Abdullah, auteur en Midden Oosten-expert Koert Debeuf (VUB) en onderzoeker Brigitte Herremans (UGent). Deze avond is de lancering van de fototentoontstelling 'Syrians in the Frame' van Mohammed Abdullah).

'We zijn veroordeeld tot hoop', verklaarde Syrisch toneelmaker Sa'adallah Wannous in de jaren negentig, toen Syrië nog bekend stond als het koninkrijk der stilte omwille van de harde repressie van dissidenten. Die hoop deed Syrische burgers in 2011 hun angst voor het Assad-regime overwinnen en massaal op straat komen in anti-regime protesten. Tien jaar na de start van die protesten regeert president Assad nog steeds het land dat hij vernietigde en blijft hij oorlogsmisdaden plegen. Verdere internationale isolatie lijkt echter geen optie, nu een aantal Arabische landen de relaties met het regime wil normaliseren. De idee dat de oorlog voorbij is, maakt ook opgang in politieke kringen in het Globale Noorden en opent de deur voor discussies over schijnoplossingen zoals de terugkeer van vluchtelingen naar Syrië. Dit pad vormt een recept voor blijvende internationale instabiliteit. Zonder perspectief op een vorm van gerechtigheid is het onmogelijk om het conflict te beteugelen.De transformatie van een volksopstand tot een burgeroorlog, de opgang van de Islamitische Staat en zijn internationale terreurdaden, en de interventies van onder meer Rusland, Iran en Turkije maakten van het Syrisch conflict een schijnbaar onontwarbaar kluwen. Noch de Europese Unie, noch de Verenigde Staten slaagden erin, of gingen zover, om het regime te doen wankelen. Assad kon, met de steun van Rusland en door middel van internationale misdaden het grootste deel van het grondgebied opnieuw onder zijn controle krijgen. Enkel in de provincie Idlib en delen van Noord-Syrië bezet door Turkije of onder controle van Syrische Koerden lukte dit niet. Anno 2021 lijkt een transitie naar democratie een verre wensdroom. Maar wil dat ook zeggen dat Syriërs veroordeeld moeten worden tot een regime van oorlogsmisdadigers?Deze vraag laat ook de Europese Unie (EU) niet onverschillig. De EU houdt vast aan haar positie van 2011 dat een transitie essentieel is en pleit voor rekenschap voor internationale misdaden door alle partijen. Ook stuurt ze permanent haar sancties bij tegen ondertussen 270 Syrische regimeleden en 70 instanties betrokken bij internationale misdaden. In tegenstelling tot Arabische landen zoals de Verenigde Arabische Emiraten en Algerije, blijft de EU ook fel gekant tegen normalisering van de betrekkingen met het regime. Zo bestempelde de Hoge Vertegenwoordiger van de EU, Joseph Borrell, de Syrische presidentsverkiezingen van mei 2021 als frauduleus. Toch lijkt de Europese consensus over de noodzaak tot een isolatie van het regime af te brokkelen. Zo heropenden Griekenland, Cyprus, Hongarije en Bulgarije recent hun ambassade in Damascus en deden ze hiermee afstand van het Europese beleid dat Assad diplomatiek probeert te isoleren. Het debat over het terugsturen van vluchtelingen naar Syrië is een ander voorbeeld waaruit de twijfel spreekt over het officiële Europese beleid en de bredere internationale aanpak van het conflict. Voorlopig is Denemarken het enige land dat geen bescherming meer verleent aan Syrische vluchtelingen uit de regio van Damascus. Al mag de veiligheidssituatie verbeterd zijn, toch is een terugkeer allesbehalve veilig omwille van het risico op vervolging. Zoals 11.11.11 en haar lokale partners in een nieuw rapport aangeven, alsook Amnesty International en Human Rights Watch, riskeren Syriërs bij terugkeer gedwongen inlijving bij het leger en willekeurige detenties, en leven ze in angst voor de Syrische veiligheidsdiensten. Voorlopig kreeg het Deense precedent geen navolging, maar het debat woedt in de diplomatieke en humanitaire wandelgangen. Zo luidt de officiële positie van VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR dat een terugkeer van vluchtelingen naar Syrië niet veilig is, maar wil het hoofd van de organisatie desalniettemin samenwerken met het regime om die terugkeer te faciliteren. Ook Rusland pleit hiervoor en meent dat het een constructieve rol kan spelen, inclusief in de heropbouw van het land waarbij het aandringt op Europese heropbouwfondsen zonder enige voorwaarden voor Assad. Die houding is cynisch aangezien Rusland medische faciliteiten en scholen in Syrië bombardeerde, en mede verantwoordelijk is voor de ontheemding van honderdduizenden burgers. De Russische houding lijkt eerder te zijn ingegeven door de wens het Assad-regime veilig te stellen en zijn positie in de regio versterken. De EU ziet dit met lede ogen aan. Toch zal de Europese en internationale spreidstand groter worden omdat het onmogelijk is, de vele crisissen te beteugelen en zowel het Assad-regime als Rusland te omzeilen. Politieke leiders kunnen zich geen alternatief voorstellen. De VN-Veiligheidsraad is verlamd door het Russische veto en diplomatieke proces ligt op apegapen. Net als zijn voorgangers heeft speciaal VN-gezant Pedersen nog niets uit de brand kunnen slepen. Op internationaal niveau neemt defaitisme daarom steeds meer de plaats in van oplossingsgericht denken. Toch houden de EU en haar lidstaten vast aan hun officiële positie en ondernemen ze nieuwe demarches. De strijd voor rechtvaardigheid voor slachtoffers van internationale misdaden is een van de centrale pistes. De steun voor VN-instellingen zoals de Commission of Inquiry en het IIIM die de misdrijven documenteren en bewijsmateriaal verzamelen, is groot. Ook lopen er in verschillende Europese lidstaten rechtszaken volgens het principe van universele jurisdictie dat vervolging van internationale misdrijven in nationale rechtbanken in het buitenland mogelijk maakt. In het Duitse Koblenz startte in 2020 het eerste proces tegen twee voormalige Syrische regime-beambten. Dit precedent heeft meer dan een symbolische impact op slachtoffers en daders. Syrische ngo's en slachtoffergroepen zetten zich de afgelopen jaren ook actief in om de rekenschap te bevorderen en doen concrete voorstellen. Een voorstel dat Europese lidstaten, en ook België, voluit kunnen steunen is de oprichting van een humanitair mechanisme om het lot van de meer dan 150.000 vermiste en verdwenen Syrische burgers te achterhalen. Dit zou een wereld van verschil uitmaken voor hun geliefden, en slachtoffers onttrekken aan de leugens en de vergetelheid. Want zoals Sa'adallah Wannous vervolgde: 'Wat vandaag gebeurt, kan niet het einde van de geschiedenis zijn.'Brigitte Herremans, onderzoeker mensenrechtencentrum UGent