Toen Mohammed op 8 juni 632 overleed, had de stichter van de islam de helft van de Arabische wereld veroverd, het machtige Byzantijnse wereldrijk het hoofd geboden en naar verluidt vijftien aanslagen overleefd. Na zijn dood zette zijn vriend Abu Bakr zijn veroveringen voort. Er ontstond een imperium dat zich al vlug uitstrekte van India tot Spanje.
...

Toen Mohammed op 8 juni 632 overleed, had de stichter van de islam de helft van de Arabische wereld veroverd, het machtige Byzantijnse wereldrijk het hoofd geboden en naar verluidt vijftien aanslagen overleefd. Na zijn dood zette zijn vriend Abu Bakr zijn veroveringen voort. Er ontstond een imperium dat zich al vlug uitstrekte van India tot Spanje. Bijna 1400 jaar na deze zegetocht is een naamgenoot van Abu Bakr opgedoken. Ook Abu Bakr al-Baghdadi, hoofd van de soennitische terreurgroep Islamistische Staat (IS), strijdt voor een orde die aan de wil van Allah beantwoordt. Wat drijft Baghdadi, een man uit Samarra die als kind graag voetbalde en met onderscheiding afstudeerde? Als je de logica van de jihadisten volgt, dan wil hun leider de gouden oertijd van de islam nieuw leven inblazen, toen Mohammed in 622 het gemeenschapsleven in de stad Medina volgens zijn denkbeelden organiseerde. Voor sommige van zijn gruweldaden kan Baghdadi zich op zijn voorbeeld beroepen. Als de terroristen van de IS vandaag hun slachtoffers de keel oversnijden, wanneer ze kinderen en vrouwen tot slaven maken, volgen ze een bevel uit soera 47 - een soera is een van de 114 hoofdstukken van de Koran: 'Wanneer jullie degenen treffen die ongelovig zijn, sla ze dan op hun nek tot jullie hen helemaal overwonnen hebben.' En de traditie van de islamitische rechtsscholen, die in naam van de sharia overspel en afvalligheid met de dood willen bestraffen, gaat terug tot het begin van de achtste eeuw. Maar was de Koran dan niet de leer van 'de barmhartige, de ontfermer', zoals de aanspreektitel van Allah luidt? 'Geen geweld in de religie', verkondigt soera 2. Eeuwenlang konden joden en christenen ongestoord door het leven gaan, beschermd door islamitische sultans en kaliefen. De cultuur bracht grote natuurkundigen en artsen voort, net als de Vertellingen van duizend-en-één nacht. Ook de aalmoezenbelasting is een uitvinding van de Koran. Maar in de praktijk bestaat er niet zoiets als één islam. Er is het geloof van de soennieten, de sjiieten, de alawieten, de salafisten en de soefi's. En bovenal is er de islam van de massamoordenaars en die van de vredelievenden. Want de 114 soera's van de Koran zijn een allegaartje van contradicties, onduidelijkheden en raadsels. Ze wekken de indruk van een zonderlinge puzzel die iedereen naar eigen goeddunken kan interpreteren. Eeuwig heil, ook voor joden en christenen, belooft soera 5, vers 69. Maar in andere passages spreekt de Koran onverholen de taal van het geweld. Eén enkele man heeft de Koran geproclameerd: Mohammed, hij die de eerste openbaring van zijn god ontving in een grot nabij Mekka. Karakterieel lijkt de profeet opvallend gespleten. Hij voerde 27 meedogenloze veldtochten, maar tegelijk beklemtoonde hij dat hij zich van alle Bijbelse figuren het nauwst verwant voelde met de vredelievende Jezus. In de Koran zelf valt weinig te vernemen over de historische figuur van Mohammed. Zijn naam komt er amper vier keer in voor. Waarschijnlijk werd hij rond 570 na Christus geboren als kind van niet al te bemiddelde ouders. Volgens getuigen begon zijn leven miserabel: zijn vader stierf nog voor zijn geboorte, zijn grootvader gaf de zuigeling weg aan een pleegmoeder. Later kwam de achtjarige knaap bij een oom terecht die instond voor de verzorging van de pelgrims aan de Kaäba. Biografen vertellen dat hij zich daarna tot koopman en karavaanleider opwerkte, tot hij zich plots in de bergen terugtrok. Daar verscheen de aartsengel Gabriël voor het eerst aan hem, om hem zinnen van de Almachtige te dicteren. Tweeëntwintig jaar lang zou Allah hem wijsheden openbaren. Omdat de Koran zo weinig over zijn stichter meedeelt, begonnen geleerden al snel naar biografische gegevens te speuren. Ze ondervroegen ooggetuigen, verwanten en tijdgenoten die hem nog hadden gekend. Zo verzamelden ze beetje bij beetje de vermeende spreuken en daden van Allahs boodschapper, en daarmee ontstond de zogenaamde Hadith. Volgens de Hadith had Mohammed een knap gezicht, 'rond als de maan'. En of het nu om erfeniskwesties, belastingrecht of kledingvoorschriften gaat: al die thema's zou de profeet becommentarieerd hebben. Voor moslims zijn zulke details belangrijk. Mohammed is voor hen een voorbeeld in alle domeinen van het leven. Alleen door zijn voorschriften streng na te leven en de geboden uit de Koran te volgen, zou je kunnen ontsnappen aan de kwellingen van de hel. Maar wat is echt en wat is fake? De mist rond de oorsprong van de derde monotheïstische wereldgodsdienst trekt beetje bij beetje op. Volgens de overlevering was het de derde kalief, Uthman (regeerperiode 644 tot 656), die de Koranverzen verzamelde. Sommige waren mondeling overgeleverd, andere waren op schapenhuid en op de botten van kamelen geschreven. Hij bracht alles samen in een sluitende vorm. Maar vorig jaar dateerden onderzoekers uit Birmingham een Koranhandschrift met behulp van de radiocarbonmethode. Het dier waaruit de perkamenten waren gemaakt, stierf tussen 568 en 645 na Christus. Dat betekent dus dat de Koran gedeeltelijk ouder zou kunnen zijn dan zijn profeet. Dat klinkt absurd, maar het past goed in het concept van nogal wat onderzoekers. Ze vermoeden dat de kern van de Koran al in de zesde eeuw ontstond. Hij zou christelijke liederen in versvorm en preken bevatten. De Arabische naam 'Muhammad' zou 'de geprezene' betekenen en zou in de late oudheid een bijnaam van Jezus Christus zijn geweest. Uit recent wetenschappelijk onderzoek blijkt verder dat veel begrippen uit de Koran leenwoorden uit het Aramees zijn, waarvan latere commentatoren de juiste betekenis niet meer begrepen zouden hebben. De chaos wordt nog groter omdat men in het Arabisch geen korte klinkers schrijft en slechts 6 van de 28 medeklinkers eenduidig zijn. Alleen met behulp van krulletjes, lijnen en vaantjes (de diakritische tekens) wordt de klankwaarde vastgelegd. Die hulpmiddelen bij het lezen waren in de tijd van Mohammed nog niet helemaal ontwikkeld. Gevolg: wazige semantiek en verbastering. In soera 24 staat bijvoorbeeld: 'De vrouwen moeten hun chumur om hun heupen slaan.' Hoewel niemand weet wat chumur betekent, dient het vers als basis voor het hoofddoekgebod. Waarschijnlijk komt het woord uit het Syro-Aramees en betekent het: 'U moet een gordel om uw lenden binden.' Zelfs het woord 'Koran' zou niet Arabisch zijn. Ook dat zou uit de taal van de Syrische buren komen. Het zou betekenen dat een priester een kerkgemeenschap voorleest. En de knappe maagden ('hoeri'), die volgens de Koran in het paradijs op de gelovigen zouden wachten, zouden 'hoer in' zijn, wat 'witte druiven' betekent - een luxe in de Arabische woestijn. 'Telkens als we met een hoeri slapen, verandert ze daarna opnieuw in een maagd. De penis van een moslim zal nooit verslappen', fantaseerde de theoloog al-Suyuti nog in de vijftiende eeuw. Maar volgens anderen mogen martelaars in het paradijs alleen maar fruit eten. Zulke stellingen zijn uiterst omstreden. De hoge geestelijkheid in de kernlanden van de islam begint nu pas schoorvoetend aan die discussies deel te nemen. Maar er zijn ook steeds meer kritische moslims die hun religie niet aan de exclusieve interpretatie van terroristenkartels en religieuze elites willen overlaten. In zijn boek Gott glaubt an den Menschen presenteert professor Mouhanad Khorchide uit Münster een heel andere, milde Koran, die voor de vrijheid van alle mensen opkomt. Zijn credo is: 'Met de islam naar een nieuw humanisme.' Hamed Abdel-Samad, een politicoloog van Egyptische afkomst die in Duitsland woont, slaat daarentegen een rauwere toon aan. Deze zoon van een imam wil de stamvader van de islam uit zijn metahistorische hemel halen: 'Veel moslims zijn tot op vandaag de gevangene van de mysterieuze figuur Mohammed, die in de zevende eeuw leefde. Maar ook de historische Mohammed is een gevangene van de overdreven verering van de moslims die zijn onaantastbaarheid proclameren.' Het blijkt gevaarlijk om de dogma's te betwisten. Abdel-Samad, die het boek De profeet Mohammed - een afrekening schreef, wordt overal door lijfwachten begeleid. Hij beschrijft de historische Mohammed als een krijgsvorst die vrouwen verslond 'als een dorstige man die zout water drinkt'. De profeet zou karaktertrekken 'die je ziekelijk zou kunnen noemen aan de moslims hebben doorgegeven: almachtfantasieën en grootheidswaan, paranoia, het onvermogen kritiek te incasseren en dwangstoornissen'. Abdel-Samad is een pionier. Hij ruimt vooroordelen op, zodat we een frisse kijk op de gebeurtenissen krijgen. Bovendien helpt hij ons de dwangmatige en door rituelen geobsedeerde aspecten van de islam beter te begrijpen. Vijfmaal daags knielt de gelovige voor het verplichte gebed. Hij moet eet- en vastengeboden naleven, hij moet zich voortdurend wassen. Het toilet betreedt hij met de linker-, de moskee met de rechtervoet. Klinkt overdreven? Bedenk dan dat ook de christenen van het Oosten zich ooit te buiten gingen aan heuse ascesecompetities. Sommige monniken stonden wekenlang op hun hoofd en aten alleen sla. De taal van het geweld die in de Koran weerklinkt, valt ook makkelijker te vergeven als je rekening houdt met de sociale context. Toen Mohammed geboren werd, barstte net een nieuw tijdperk los. De hele oudheid ging in vlammen op, er vond een verbeten strijd plaats tussen de toenmalige supermachten Byzantium en Perzië. Toen beide rijken oorlogsmoe waren, konden de moslims met hun invasie beginnen. In de zesde eeuw liep een met wachttorens afgezette bufferzone dwars door het huidige Noord-Irak. Toen slaagden de Perzen erin een bres te slaan. Een golf bewapende ruiters overspoelde de Byzantijnse bezittingen in hun provincies Arabia en Palestina. In de vroege zomer van 614 stond de vijand voor Jeruzalem. Daar stal hij de kostbaarste relikwie van het rijk: het kruis van Christus. Maar uiteindelijk zegevierde de christelijke koning Herakleios over de hele lijn. Op 21 maart 630 trok hij met het heroverde kruis van de Heer in een triomftocht door de straten van Jeruzalem. Al die gebeurtenissen drongen door tot in de afgelegen woestijngebieden van de Arabieren, die een gunstig moment afwachtten. Pas uit recent historisch onderzoek blijkt hoe handig ze daarbij te werk gingen. Veel stammen sloten eerst een bondgenootschap met de christelijke macht en stelden haar hun ruiterformaties ter beschikking. In de tijd na 622 konden de Byzantijnen alleen maar belangrijke overwinningen in de wacht slepen omdat de Arabieren hen daarbij hielpen. Tegelijk stuurde het rijk van de Bosporus zijn monniken uit. Weliswaar wekt de Koran op verschillende plaatsen de indruk alsof de Arabieren van de zesde en zevende eeuw heidenen waren. De soera's maken gewag van djinns en boze geesten die door wijndrinkende en gokverslaafde herders werden aanbeden. Terwijl er in de woestijn waarschijnlijk klokkengelui te horen was. Archeologen hebben tientallen vervallen kerken ontdekt. In Karjat al-Fau, ten oosten van Mekka, vonden opgravers een soort woestijnvaticaan. Er was een prachtige kerk in Sanaa (Jemen), en bisdommen in Aden en Oman. Niet ver van Medina stond een klooster. In Bosra, in het huidige Syrië, werd in 427 een bisdom voor Arabische stammen opgericht. Vertrekkend vanuit die voorposten onderrichtten de christelijke missionarissen de lokale kameel- en schapenfokkers in de zonderlinge leer van de Drievuldigheid. Jezus is de zoon van God, ter wereld gebracht door een maagd bij wie hij onbevlekt is verwekt, vertelden de geestelijken. Niet echt een gedachte die er vlot ingaat bij veetelers. Aanhangers van allerlei allooi zwierven destijds door het Oosten. Op concilies gingen oud-kerkelijke bisschoppen soms met elkaar op de vuist om disputen te beslechten. In die wereld zag Mohammed het levenslicht. Zijn geboortestad Mekka leefde van de handel in goud, wierook en slaven. Aan de rand van de stad bevond zich een christelijk kerkhof. In het centrum stond een sober godshuis, de Kaäba. Een oud-Arabische reisgids vermeldt dat in de Kaäba beelden van Maria en Jezus hingen, en ook een vredesduif uit aloëhout. Diende het heiligdom misschien als kerk? Een en ander lijkt daarop te wijzen. Weliswaar heeft de overlevering het ook over 360 afgodsbeelden die naast de Kaäba stonden, maar dat zouden ook de kalenderheiligen van de oude kerk geweest kunnen zijn. Sommige historici vermoeden dat pas de in Bagdad heersende dynastie van de Abassiden in de negende en tiende eeuw de christelijke sporen uit de Koran liet wissen. De clan wilde meer autonomie verwerven, en hitste zijn soldaten op in de strijd tegen de christelijke legers, de ware vijand. De wereld van het kruis komt in de islamitische bronnen altijd weer naar boven. Jezus komt met zijn naam 25 keer voor in de Koran. Mozes wordt 130 keer genoemd. De eerste moslims baden nog in de richting van Jeruzalem, de heilige plaats van joden en christenen. 'Vooral in Amerika heeft een stroming terrein gewonnen die de islam als een soort recycling van Bijbelse tradities beschouwt', zegt de Berlijnse arabiste Angelika Neuwirth. Maar van blind plagiaat wil ze ook weer niet spreken. Mohammed heeft veeleer een eigen universum gecreëerd. Aan de in wierook gehulde geestelijken uit Byzantium had hij een broertje dood. Nee, dan had de profeet het meer voor Abraham. Hij maakte varianten op verhalen uit het Oude Testament en gaf ze een nieuwe betekenis. Ook gebruikte hij apocriefe christelijke schriften over Maria die niet in de Bijbel opgenomen werden. Dit alles werd met oud-Arabische gebruiken vermengd. De pelgrimstocht naar Mekka was als ceremonie al bekend vóór de islam. De leider uit Mekka gaf het woestijnvolk vooral zijn trots terug. De Byzantijnen (en ook de Perzen) keken namelijk neer op de analfabeten van Arabië, die vaak als nomaden leefden. Mohammed speelde dat underdogimago handig uit. Hij verklaarde dat de Arabieren afstamden van Ismaël, die Abraham bij een Egyptische dienstmeid had verwekt. In de Bijbel wordt de jongen twistziek genoemd, koppig als een 'wilde ezel'. Die voorvader schonk de Arabieren hun identiteit. In zijn preken smeedde Mohammed een vermeende minderwaardigheid om tot een sterkte. In het begin sloeg de boodschap niet echt aan. Vooral de inwoners van Mekka moesten niets hebben van de jonge prediker. Volgens een van de bronnen gooiden ze met drek en kadavers naar hem terwijl hij zat te bidden. Zijn oom Abu Lahab verweet hem dat hij een leugenaar was, en verwondde hem tot bloedens toe. Zelfs de goddelijkheid van zijn verkondigingen werd in twijfel getrokken. De profeet snurkte tijdens de ontvangst van zijn openbaringen, aldus de Hadith, hij zweette enorm, zelfs als het ijskoud was. Ook zou hij gebeefd hebben, en stond het schuim hem op de lippen. De Turkse arts Dede Korkut heeft op basis van al die symptomen een boek samengesteld. Zijn gewaagde conclusie: de profeet leed aan epilepsie. Het staat vast dat Mohammed ook na dertien jaar onophoudelijk preken in Mekka nauwelijks volgelingen had. Hij leek een mislukkeling. Maar anders dan Jezus ('Mijn rijk is niet van deze wereld') gaf hij niet op, en hij begon aan een tweede, vreselijke carrière. In 622 vluchtte hij naar Medina. Die verhuizing luidde niet alleen het begin van de islamitische tijdrekening in, maar ook een tijdperk van geweld. Onophoudelijk hebben islamitische theologen zijn verhuizing uitgelegd met bakerpraatjes: de inwoners van Mekka zouden de ongemakkelijke prediker en de strenge voorvechter van het monotheïsme naar het leven hebben gestaan, en daarom zou hij naar het vierhonderd kilometer verder gelegen Medina zijn geëmigreerd. In werkelijkheid had de man daarvóór al in het geniep geprobeerd om politieke allianties te smeden tegen zijn broers uit Mekka. Uiteindelijk waren het roversstammen zoals de Chasradsj en de Aus die hem bescherming beloofden. Ze leefden in tenten aan de rand van de voornamelijk door joden bewoonde oasestad Yathrib, het latere Medina. Van daaruit begon Mohammed, die toen een jaar of vijftig was, de karavanen van de bewoners uit Mekka te overvallen. Om zijn troepen te versterken zou hij ook een verdrag hebben gesloten met struikrovers en verschoppelingen in de bergen. Hij kopieerde hun strategie van de verrassingsaanval. Afvalligen strafte hij door hun ledematen af te hakken. Hele stammen liet de profeet afslachten of verdrijven, zoals de Banu Nadir, omdat ze een moordaanslag tegen hem beraamd zouden hebben. En daarna kregen de Banu Kuraisa de volle laag: alle mannen werden terechtgesteld - volgens bronnen tussen de vierhonderd en de negenhonderd koppen. Vrouwen en kinderen werden hun slaven. Mohammed voerde op dat ogenblik al een partizanenoorlog. Hij had het geschopt tot aanvoerder van een grote Arabische opstand die zich zowel tegen de Byzantijnen als tegen de Perzen richtte. In die strijd kende nauwelijks iemand genade. Maar waar was de man gebleven die tot barmhartigheid had opgeroepen? De secretaris van Mohammed werd door twijfels overmand. Om de echtheid van zijn goddelijke openbaringen te toetsen, bedacht hij een list. Toen Mohammed hem nieuwe soera's dicteerde, veranderde de secretaris soms de tekst. Later kon de profeet de juiste openbaringen niet van de vervalste onderscheiden. Daarop stelde de secretaris Mohammed openlijk aan de kaak. Het lijkt er haast op alsof er twee gezanten van Allah zijn: de vroege prediker van de naastenliefde, en - in Medina - de machtsmens die almaar bloediger gevechten voerde. Het Oosten heeft behoorlijk wat profijt uit de leer van de gewelddadige jihad gehaald. Mohammed verenigde de verdeelde stammen. In één klap haalde hij de Arabieren uit de duisternis van de geschiedenis en maakte er mondiale spelers van. In 634 versloegen ze voor het eerst een Byzantijns leger. Kort daarna stonden ze aan de Nijl. Het is díé oorlogszuchtige kant van de islam die de opperterrorist Abu Bakr al-Baghdadi nieuw leven heeft ingeblazen. Door Clemens Höges en Matthias Schulz - © Der Spiegel