De steeds dieper wordende kloof tussen Democraten en Republikeinen in de VS uit zich sinds enkele decennia ook op radio en televisie. Republikeinen kijken naar Fox News en luisteren naar Sean Hannity op de radio. Progressieven zijn er nooit in geslaagd zo'n groot publiek te bereiken, maar ook zij hebben honderden eigen programma's op zenders als MSNBC. Zo is het niet altijd geweest.
...

De steeds dieper wordende kloof tussen Democraten en Republikeinen in de VS uit zich sinds enkele decennia ook op radio en televisie. Republikeinen kijken naar Fox News en luisteren naar Sean Hannity op de radio. Progressieven zijn er nooit in geslaagd zo'n groot publiek te bereiken, maar ook zij hebben honderden eigen programma's op zenders als MSNBC. Zo is het niet altijd geweest. Uiteraard is polarisatie niet nieuw. Al in de vroege twintigste eeuw raasden kranten tegen hun politieke tegenstanders. Maar op de radio en televisie bleef de berichtgeving lang geciviliseerd. Tot 1987 waren Amerikaanse zenders verplicht om een uitgebalanceerde berichtgeving te brengen - en daardoor was de polarisatie beperkt.Het eerste belangrijke keerpunt viel al in 1968, het jaar waarin Martin Luther King en presidentskandidaat Robert Kennedy werden doodgeschoten. Vijf jaar eerder was hetzelfde gebeurd met president John F. Kennedy. De burgerrechtenbeweging streed voor gelijke rechten en de anti-oorlogsbeweging hoopte met betogingen en rellen de Vietnamoorlog te beëindigen. Turbulente tijden dus. In die geladen sfeer - veel Amerikanen vreesden dat er elk moment een burgeroorlog kon losbarsten - vonden de Republikeinse en Democratische conventies voor de presidentsverkiezingen plaats.Ondanks de grote spanningen - de straten rond de Democratische conventie waren een slagveld - was de berichtgeving vrij saai. Televisiezenders zonden conventies altijd integraal uit, hoe slaapverwekkend en voorspelbaar die strak geregisseerde partijhoogdagen ook waren. Tot ABC, een relatief kleine zender die te kampen had met teruglopende kijkcijfers en een gebrek aan financiële middelen, besloot dat het de conventies niet helemaal meer zou uitzenden, maar zou inzetten op debat en controverse.ABC nodigde twee stokebranden uit, de conservatieve opiniemaker William F. Buckley en de progressieve schrijver Gore Vidal. Vidal en Buckley - twee erudiete intellectuelen die in een meanderend, aristocratisch Engels hun ideeën uit de doeken deden - verafschuwden elkaar. Hun debatten verliepen grimmig en ontaardden uiteindelijk in een legendarische scheldpartij. Op het hoogtepunt van de ruzie zei Vidal dat Buckley een 'crypto-nazi' was. Waarop een furieuze Buckley Vidal 'een nicht' noemde en dreigde hem in elkaar te slaan.Het was een dieptepunt, maar de kijkers smulden ervan. De debatten trokken miljoenen kijkers en bij de conventies van vier jaar later hadden alle zenders het model van ABC overgenomen. De debatten tussen Buckley en Vidal hadden definitief bewezen dat polarisatie veel beter verkoopt dan degelijke, saaie analyses.Toch bleven radio en televisie behoorlijk serene media. Dat was grotendeels te danken aan de Fairness Doctrine. Die wet stamde uit 1949 en eiste dat zenders 'eerlijk en billijk' verslag deden.Voor de digitale revolutie waren er slechts een beperkt aantal frequenties waarop radio- en televisieprogramma's uitgezonden konden worden. Die radiogolven waren publiek bezit, was het idee achter de Fairness Doctrine. De zenders die een uitzendlicentie wilden, moesten daarom het algemene belang dienen en zich aan een aantal deontologische regels onderwerpen. Daar hoorde de berichtgeving over maatschappelijk controversiële thema's bij, op een faire en uitgebalanceerde manier. Voor- en tegenstanders moesten evenveel kansen krijgen om hun argumenten uiteen te zetten. Als een programmamaker bijvoorbeeld tegen abortus was, moest de zender ook een voorstander uitnodigen en die evenveel tijd geven. Bovendien moesten die gasten experts zijn en geen brulboeien met een sappige maar ongefundeerde mening.Die eindeloze debatten tussen technisch onderlegde experten konden de mensen nauwelijks boeien. Zenders konden er ook geen specifiek publiek mee aanspreken. Als een conservatieve opiniemaker een drie uur durend programma kreeg, moest dat er ook komen voor een progressief. Maar progressieve programma's waren, zeker op de radio, substantieel minder populair dan hun rechtse tegenhangers. Dat betekende minder reclame-inkomsten en een financiële aderlating voor de zenders.Vooral conservatieven verafschuwden de Fairness Doctrine, want ze vonden haar een ontoelaatbare inbreuk op de vrije meningsuiting. Het waren immers ambtenaren die beslisten welke thema's controversieel waren, wie zichzelf een expert mocht noemen en wat een faire berichtgeving inhield. Maar die ambtenaren waren volgens conservatieven veel te links en allerminst onpartijdig.Helemaal onterecht was die bezorgdheid niet. De Fairness Doctrine werd geregeld door het Witte Huis gebruikt om druk uit te oefenen op kritische journalisten. Daarom werd de Fairness Doctrine in 1987 onder het presidentschap van Ronald Reagan, in de praktijk afgevoerd. Voortaan, zo zei een belangrijke medewerker van Reagan, zou de ideeënoorlog niet langer door de overheid, maar door de vrije markt geregeld worden. De gevolgen van de afschaffing van de Fairness Doctrine waren immens. Enkele maanden later kreeg de toen nog redelijk onbekende Rush Limbaugh een radioprogramma dat in heel Amerika werd uitgezonden. De conservatieve Rush Limbaugh Show - waarin met bijtend sarcasme tekeer werd gegaan tegen abortus, wapenbeperkingen en de welvaartsstaat - werd een instant hit die ook vandaag nog miljoenen Amerikanen bereikt. In het zog van Limbaughs succes sprongen de opiniërende programma's als paddenstoelen uit de grond. Uiteindelijk ontstonden er zelfs ideologische televisiezenders als Fox News of MSNBC.Zonder de afschaffing van de Fairness Doctrine was dat onmogelijk geweest. Limbaugh zelf zei daarover dat de Doctrine 'het enige was wat tussen het succes van conservatieve talkshowhosts en het Amerikaanse volk stond'.Dat de Amerikaanse publieke opinie de afgelopen dertig jaar steeds meer is gepolariseerd, lijkt op het eerste gezicht een logisch gevolg van de gepolariseerde media. Maar zijn journalisten zo belangrijk als ze graag denken? En kunnen opiniemakers werkelijk de publieke opinie sturen? Heel wat onderzoekers vermoeden van niet.Om te beginnen werkt de causaliteit in twee richtingen. Ja, de media beïnvloedt de publieke opinie. Maar de media wordt ook gepolariseerder omdat de mensen dat willen. Door de toenemende ongelijkheid en allerlei religieuze en culturele spanningen schuift de bevolking op naar links of rechts. In dat opzicht is de media niet de oorzaak van de polarisatie, maar beantwoordt zij gewoon aan een vraag op de vrije markt.Bovendien is de Amerikaanse kiezer ondanks die toename van de opiniërende programma's niet meer geïnteresseerd in de politiek. Er gaan vandaag niet meer Amerikanen stemmen dan vroeger. Amerikanen zijn vandaag zelfs minder goed geïnformeerd, omdat er naast al die nieuwsprogramma's meer entertainment op de buis is. Wie vroeger rond etenstijd de televisie aanzette, moest bij gebrek aan alternatieven wel naar het nieuws kijken. Vandaag kun je een hele dag voor de televisie zitten zonder een seconde van de actualiteit te hoeven zien.Maar de belangrijkste reden waarom de impact van opiniemakers beperkt blijft, is omdat ons stemgedrag veel meer wordt bepaald door gesprekken met familieleden, buren en collega's. Echte menselijke interactie is voor onze opinievorming veel belangrijker dan het internet of de radio.Maar de gepolariseerde media spelen met een omweg wel een belangrijke rol. Zeker in Amerika, waar partijen voor hun financiering afhankelijk zijn van giften van bedrijven en particulieren, speelt de geëngageerde burger een belangrijke rol. Het zijn de twintig procent meest geëngageerde mensen die campagne voeren en deur aan deur gaan. Zij proberen hun familie en buren te overtuigen - en hebben daarbij een een veel grotere impact dan de opiniemakers op radio of televisie.Die overtuigde mensen beluisteren en bekijken wel meer gepolariseerde programma's en vooral programma's die aansluiten bij hun mening. Door die programma's raken ze nog meer overtuigd van hun eigen gelijk, waardoor ze verder radicaliseren. De ontwikkeling van het internet heeft die tendens nog versterkt. Op die manier hebben de honderden opiniemakers wel een grote impact.Die polarisatie kan extreme vormen aannemen. In Among The Truthers beschrijft de Amerikaanse journalist Jonathan Kay hoe dat zelfs tot een explosie van het complotdenken heeft geleid. Amerikanen zijn altijd in de ban geweest van samenzweringstheorieën. Maar tot de jaren tachtig bleven samenzweringstheoretici eerder zonderlingen die nauwelijks contact met elkaar hadden. Na de afschaffing van de Fairness Doctrine kregen samenzweringtheoretici plots nationale programma's, waardoor ze zich beter konden organiseren en hun ideeën makkelijker op elkaar konden afstemmen.Die samenzweringstheoretici hebben de afgelopen jaren een enorme impact gehad. Zo waren er 'the birthers', mensen die geloven dat president Barack Obama niet in de Verenigde Staten geboren is en dus op illegale wijze president is geworden. Een van hun belangrijkste voormannen was Donald Trump, die zo begon aan zijn politieke opmars.Is de Belgische media zo gepolariseerd als de Amerikaanse? Of moeten we ons zorgen maken dat dat zal gebeuren?Dat lijkt niet onmiddellijk het geval. Om te beginnen is België te klein. Slechts een vrij kleine minderheid van de Amerikanen kijkt of luistert naar opiniërende programma's. Het best bekeken nieuwsprogramma op de televisie - van de recent ontslagen conservatieve opiniemaker Bill O'Reilly op Fox News - haalde dagelijks drie miljoen kijkers. Dat is goed voor een massa reclame-inkomsten, maar het ging uiteindelijk slechts om een procent van de Amerikaanse bevolking. In Vlaanderen zou datzelfde programma nauwelijks enkele tienduizenden kijkers trekken, wat natuurlijk veel te weinig is om rendabel te zijn.Daarnaast heeft de openbare omroep in Vlaanderen een te groot gewicht. Zeker op de radio is de overmacht van de VRT zo groot, dat er geen plaats meer is voor veel concurrentie. Naast de VRT en concurrent VTM is er simpelweg geen plaats meer voor een veelheid aan nieuws- of opinieprogramma's. Alle pogingen van VIER om nieuwsprogramma's zijn bijvoorbeeld snel afgevoerd.Bovendien hebben activisten door ons kiessysteem veel minder impact dan in Amerika. In Amerika is er geen kiesplicht. Erg overtuigde mensen gaan veel vaker stemmen, waardoor hun impact op het electoraat groter is dan bij ons, waar veel meer gematigde mensen moeten gaan stemmen.Bovendien houden partijen bij ons geen voorverkiezingen. Omdat daarbij enkel de basis stemt, moeten gematigde politici lippendienst bewijzen aan de meer radicale vleugels van hun partij. Dus zelfs als een deel van de bevolking bij ons zou radicaliseren door een polariserende media, is hun uiteindelijke impact kleiner dan in de VS.Veel Amerikanen maken zich zorgen om de toegenomen polarisatie. Zal de Fairness Doctrine ooit terugkeren? Dood en begraven is dat idee allerminst. Progressieve activisten blijven ijveren voor een nieuwe Fairness Doctrine - deels om de macht van conservatieve media te breken, deels uit een oprechte bekommernis voor een eerlijkere berichtgeving. Daarbij krijgen ze steun van belangrijke Democraten. Nog tijdens het presidentschap van Obama pleitte minister van Buitenlandse Zaken John Kerry voor een nieuwe Fairness Doctrine. Obama besloot daar echter niet op in te gaan, omdat conservatieven zich al schrap zetten voor het gevecht van hun leven. En met miljardenbedrijven als Fox News die definitief hun marktaandeel veroverd hebben en een leger aan lobbyisten hebben, zou dat bovendien onmogelijk zijn. Daarnaast zorgde de Fairness Doctrine inderdaad voor een beperking van de vrije meningsuiting, toch een cruciale Amerikaanse waarde. Ze lijkt dus voorgoed verdwenen. Als de Amerikaanse media minder gepolariseerd wil worden, zal dat door zelfregulering moeten komen. Of omdat de Amerikaanse mediaconsument genoeg heeft van alle ideologische strijd.