Iedereen die hem ooit zag spreken, weet dat Recep Tayyip Erdogan gemaakt is voor het podium. Al zestien jaar leeft hij tussen microfoonstatief en confettikanon. Een onvermoeibare campagnetijger, die met bulderende redevoeringen de massa in vuur en vlam kan zetten. Binnen één minuut kan Erdogan oreren als een prediker en spuwen als een taxichauffeur. De specialiteit van het huis: harde uithalen naar kritische westerse politici en het liberaal-seculiere deel van de Turkse elite, tegen wie zijn conservatief-religieuze basis een diep wantrouwen koestert. Al die jaren was Erdogan het onbetwiste sluitstuk van een electorale machine die het centrumrechtse buikgevoel perfect kon vertalen in verkiezingsprogramma's.
...

Iedereen die hem ooit zag spreken, weet dat Recep Tayyip Erdogan gemaakt is voor het podium. Al zestien jaar leeft hij tussen microfoonstatief en confettikanon. Een onvermoeibare campagnetijger, die met bulderende redevoeringen de massa in vuur en vlam kan zetten. Binnen één minuut kan Erdogan oreren als een prediker en spuwen als een taxichauffeur. De specialiteit van het huis: harde uithalen naar kritische westerse politici en het liberaal-seculiere deel van de Turkse elite, tegen wie zijn conservatief-religieuze basis een diep wantrouwen koestert. Al die jaren was Erdogan het onbetwiste sluitstuk van een electorale machine die het centrumrechtse buikgevoel perfect kon vertalen in verkiezingsprogramma's. Hoe anders vergaat het de zittende president tijdens de huidige campagne. Vroeger toonde Erdogan op het podium de energie van een kooivechter, vandaag oogt hij vermoeider, als een korzelige oom die tegen zijn zin moet speechen op een jubileum. Verstrooid en kribbig, bij momenten. Een jonge leerkracht die hem tijdens een meeting een vraag stelde over het gebrek aan benoemingen in het onderwijs kreeg het bitse advies om zich tot de oppositie te wenden. Toen tijdens een campagnetoespraak in Diyarbakir de teleprompter uitviel, bleef Erdogan verdwaasd naar het scherm staren, niet in staat om even te improviseren. Muharrem Ince, zijn voornaamste tegenstander bij de komende presidentsverkiezingen, liet de kans niet liggen: 'Ik heb de indruk dat die prompter mijn voornaamste tegenstander is.' Erdogan is 'het' kwijt: zijn X-factor, zijn flegma, zijn aura van onoverwinnelijkheid. De publieke belangstelling voor zijn campagnemomenten loopt terug. Zelfs in de bolwerken van de AK Partij lopen de pleinen niet meer zo vol als voorheen. 'Erdogan trekt geen volle stadions meer', zegt Turkijekenner Joost Lagendijk. 'Hij is zodanig alomtegenwoordig in de media dat veel Turken hem beu zijn. Wat heb je nog te vertellen als je al meer dan vijftien jaar aan de macht bent? Als Erdogan enkele jaren geleden een tv-interview gaf, was dat gegarandeerd een kijkcijferkanon. Nu haalt zo'n televisieoptreden niet eens de top twintig.' De beslissing om de parlements- en presidentsverkiezingen op 24 juni te houden, is hoe dan ook een noodgreep. De verkiezingen, die aanvankelijk pas op 3 november 2019 zouden plaatsvinden, luiden het begin in van het nieuwe presidentiële systeem, waarbij zowat alle uitvoerende macht in handen van de president komt. Door de stembusgang zo drastisch te vervroegen, hoopt Erdogan zijn electorale neergang voor te zijn. Die tanende populariteit - Erdogan omschreef het zelf al eens als 'metaalmoeheid' - bleek al bij het grondwettelijk referendum, waarbij de AKP er slechts met veel moeite en dankzij de steun van de Europese Turken in slaagde om een meerderheid te vinden. In Istanbul, Ankara en Izmir, de drie grootste steden, stemden de meeste inwoners tégen het nieuwe stelsel. 'Het is duidelijk dat Erdogan en zijn partij deze verkiezingen nauwelijks voorbereid hebben', zegt de Brits-Turkse analist Michael Daventry Sercan. 'Hun verkiezingsmanifest is op verschillende pagina's woord voor woord hetzelfde als dat van 2015, de laatste keer dat er verkiezingen waren. Ze lijken nu pas te beseffen dat de beloftes van toen het niet meer doen voor veel Turken.' De voornaamste oorzaak van die terugvallende populariteit is de sputterende economie. Lange tijd stond Erdogan garant voor economische succesverhalen. In 2002, het jaar voordat hij zou aantreden als premier, bedroeg de gemiddelde inflatie 47 procent en moest Turkije bij het Internationaal Monetair Fonds aankloppen voor een noodlening. Erdogan liberaliseerde de economie ten koste van de oude kemalistische elite, en haalde de voorbije vijftien jaar voor bijna 200 miljard euro aan buitenlandse investeringen binnen. Met grote infrastructuurprojecten, vooral in de minder ontwikkelde regio's, werd de werkloosheid teruggedrongen en bouwde hij een trouwe fanbasis op in de rurale gebieden. Tussen 2003 en 2013 zou het bruto nationaal product van Turkije verdrievoudigen. Die opmerkelijke opgang heeft een flinke knik gemaakt. Veel appartementen die tijdens de bouwwoede van de voorbije vijftien jaar werden opgetrokken, staan leeg of te koop. De Turkse lira is de voorbije drie jaar gehalveerd in waarde, waardoor buitenlandse producten fiks duurder zijn geworden en veel Turkse bedrijven een schuldenberg hebben opgebouwd. De werkloosheid en de inflatie liggen boven de 10 procent, de buitenlandse investeringen lopen terug. En Erdogan, die lijkt niet langer in staat het tij te keren. Integendeel, zijn interventies lijken de situatie enkel te verergeren. In mei choqueerde hij nog een publiek van vooraanstaande bankiers en investeerders door aan te kondigen dat hij na de verkiezingen de controle over de Turkse centrale bank zou overnemen. Bovendien toonde hij in zijn tussenkomsten een nogal onorthodoxe kijk op economie, door te suggereren dat de Turkse inflatie veroorzaakt wordt door een te hoge rente, een stelling die zowat elke geschoolde econoom zal afdoen als onzin. Op andere momenten hebben Erdogan en Turkse economieministers al gesproken over een 'rentelobby', die 'uit jaloezie' samenzweert tegen de Turkse economie. Ook ratingbureaus die de kredietwaardigheid in twijfel trekken, maken volgens bepaalde AKP-prominenten deel uit van een wereldwijd complot. Een deel van de verklaring voor Erdogans fascinatie met rentes is ongetwijfeld religieus: volgens de Koran is rente heffen verboden, en dus ligt het concept voor de diepgelovige president moeilijk. 'Tegelijk is het ook duidelijk dat Erdogan niet goed omringd wordt', zegt Kemal Kirisci, die bij het Amerikaanse Brookings Institution het Turkijeprogramma leidt. 'Sinds hij een verbond met de nationalisten sloot, heeft hij er heel wat adviseurs met Euraziatische denkbeelden bij gekregen. Zij hebben meer affiniteit met Rusland en Iran dan met Europa. Hoewel de Euraziaten electoraal weinig impact hebben, zijn hun samenzweringstheorieën alom verspreid onder de Turkse bevolking. Erdogan heeft dat discours naadloos overgenomen.' In de voorbije zestien jaar heeft Erdogan zijn greep op de Turkse samenleving alleen maar verstevigd. Zijn beleid kent één constante: telkens als hij onder druk komt, draait hij de duimschroeven aan. Tijdens de Gezi-protesten van 2013 liet Erdogan de betogers uit elkaar ranselen door de oproerpolitie; er vielen 22 doden. Na de mislukte staatsgreep van 2016 stelde hij de noodtoestand in, waardoor betogingen verboden zijn. Zowat alle grote tv-kanalen zijn in handen van de overheid of van bevriende AKP-sympathisanten. Turkije is al jaren het land met het grootste aantal opgesloten journalisten ter wereld. Selahattin Demirtas, de voorzitter van de centrumlinkse pro-Koerdische HDP, zit sinds november 2016 in voorarrest op beschuldiging van banden met de terreurbeweging PKK. Mensenrechtenorganisaties zien in zijn arrestatie een wraakoefening voor de verkiezingen van 2015, waarbij de HDP erin slaagde om de kiesdrempel van 10 procent te halen. Op die manier werd de absolute meerderheid van de AKP verrassend genoeg gebroken. Tot voor kort leek Erdogan gewonnen spel te hebben. Na het nipt gewonnen grondwettelijk referendum van vorig jaar zou hij onbedreigd op tien jaar almachtig presidentschap afstevenen. Maar tot ieders verbazing bijt de oppositie net nu weer van zich af. Met de Iyi Parti (letterlijk de 'Goede' Partij, nvdr) heeft Erdogan voor het eerst sinds lang weer een centrumrechtse concurrent. Partijvoorzitster Meral Aksener, die in de jaren negentig kort minister van Binnenlandse Zaken was, heeft zelfs een waterkansje om de tweede ronde van de presidentsverkiezingen te halen. Maar het is vooral CHP-kandidaat Muharrem Ince die een frisse indruk geeft. In tegenstelling tot de stramme CHP-voorzitter Kemal Kilicdaroglu is Ince een bevlogen spreker, die zijn publiek inpakt met vlammende tirades en er niet voor terugschrikt zijn tegenstanders te jennen. Zo daagde hij Erdogan al meermaals uit voor een debat. Hij mag zelfs zijn teleprompter meenemen, verzekerde Ince. 'Hij doet denken aan de jonge Erdogan', zegt Daventry. 'Kilicdaroglu spreekt vlot en ongedwongen, hij spreekt mensen aan met "jij" in plaats van "u". Hij presenteert zich als de kerel met wie de gemiddelde Turk graag een biertje zou drinken - of toch minstens thee. En in tegenstelling tot Erdogan is hij geen despoot en toont hij zich bereid om te luisteren.' Bovendien appelleert Ince ook graag aan de Turkse onderbuik. De meer dan drie miljoen Syrische vluchtelingen die vandaag in Turkije worden opgevangen, kunnen wat hem betreft inpakken. Ince is een atypische kandidaat voor de CHP, die zich graag opwerpt als de beschermer van de erfenis van Atatürk. Hij komt uit een traditioneel religieus gezin uit Anatolië, en pakt ermee uit dat hij meermaals per dag bidt. Daarnaast zoekt hij in zijn campagne toenadering tot de Koerden. Zo organiseerde hij grote meetings in steden als Diyarbakir en Kayseri, waar hij vol vuur spreekt over de broederschap tussen Turken en Koerden en onder meer de belofte maakte om Koerdisch toe te laten in het onderwijs. Hij bezocht ook HDP-leider Demirtas in de gevangenis. Voor de CHP, die naar het voorbeeld van Atatürk strikt vasthoudt aan de eenheid van Turkije, is dat een heuse koerswijziging. Dat Ince zich zo expliciet richt op de Koerden, die ongeveer 20 procent van de totale bevolking uitmaken, is niet toevallig. Traditioneel heeft de AKP bij veel conservatieve Koerden een stevige aanhang. Maar sinds Erdogan een coalitie aanging met de nationalisten is hij in zijn discours enorm opgeschoven, vindt Ebubekir Isik, die aan de Vrije Universiteit Brussel onderzoek voert naar de Koerdische identiteit. 'Erdogan zegt tegenwoordig geregeld dat hij de Koerden "tot de laatste druppel bloed" zal bestrijden. Vroeger maakte hij duidelijk het onderscheid tussen de Koerden als volk en de strijders van de PKK, vandaag niet meer.' Het is een van de redenen waarom Erdogan volledig heeft afgedaan in de Koerdische gebieden, vindt Isik. 'Ondanks alle mooie woorden heeft Erdogan de vijandelijkheden tegen de Koerden weer opgevoerd. Abdullah Öcalan voerde strijd met de PKK en zit in de gevangenis. Selahattin Demirtas deed het via de politieke weg, en ook hij zit in de gevangenis. Dat geeft veel Koerden het gevoel dat hun leiders altijd in de gevangenis eindigen, zelfs als ze via de politieke weg opkomen.' Van cruciaal belang voor de komende parlementsverkiezingen is de score van de centrumlinkse, pro-Koerdische HDP. Hoewel de charismatische Demirtas sinds 2016 in voorarrest zit en verscheidene HDP-parlementsleden het land ontvluchtten, lijkt de partij nog altijd meer dan 10 procent van de stemmen te zullen behalen. Op die manier zou de partij in het parlement heel wat zetels wegkapen van de AKP. Ironisch genoeg heeft Erdogan de oppositie zelf de wapens aangereikt om zijn macht te ondergraven. In maart besloot hij samen met de extreemrechtse MHP de kieswet te veranderen om voortaan partijcoalities toe te laten. Die wijziging was nodig om de AKP en de MHP een alliantie te laten aangaan, zodat Erdogan de teruglopende populariteit van zijn eigen partij zou kunnen compenseren en met nationalistische stemmen toch een meerderheid kan behalen. Voor de MHP, die tegenwoordig onder de kiesdrempel dreigt te landen, was het een reddingsboei om te garanderen dat de partij in het parlement blijft. Alleen hield de president er kennelijk nooit rekening mee dat ook andere partijen die regel zouden kunnen gebruiken. Kort na de aankondiging van nieuwe verkiezingen kondigden de centrumlinkse CHP, de centrumrechtse Iyi Parti, de islamistische Saadet en de liberaal-conservatieve Democratische Partij (DP) een monsterverbond aan. Ondanks de grote ideologische verschillen delen de partijen hun afkeer voor Erdogan en het nieuwe presidentiële systeem, dat ze bij winst onmiddellijk willen afschaffen. Hun alliantie is vooral belangrijk voor de parlementaire verkiezingen. Door een alliantie aan te gaan, hoeven kleinere partijen zoals Saadet en de DP zich geen zorgen te maken over de kiesdrempel. De nieuwe kieswet zal de AKP zeker stemmen kosten, meent Joost Lagendijk. 'Het aantal realistische alternatieven voor Erdogan is enorm toegenomen. Voor religieus-conservatieve kiezers wordt het nu namelijk interessant om op Saadet te stemmen, omdat die partij nu zeker in het parlement raakt. Vroeger was dat een weggegooide stem.' Het ziet er voorlopig niet naar uit dat Erdogan in de eerste ronde van de presidentsverkiezingen een meerderheid van de Turken achter zich zal kunnen scharen. Hoewel peilingen in Turkije tegenwoordig notoir onbetrouwbaar zijn - weinig Turken durven aan de telefoon over hun politieke voorkeur te praten - lijkt er een run-off in de maak tussen Erdogan en Ince. In de meeste polls behaalt Erdogan om en bij de 45 procent, Ince zou net onder de 30 procent blijven hangen. Hoewel de andere oppositiebewegingen beloofden dat ze in een eventuele tweede ronde de tegenstander van Erdogan zouden steunen, betwijfelen de meeste waarnemers dat genoeg Turken zich kunnen verzoenen met het centrumlinkse profiel van de CHP. 'De voorbije vijftig jaar stemde 60 à 65 procent van de Turken consistent op rechts of centrumrechts', zegt Daventry. 'Ik kan me niet voorstellen dat zij nu plots links zullen stemmen.' Ook Isik is sceptisch over het kiespotentieel van Ince. 'Ik denk dat de achterstand te groot is. Ondanks alle weerzin van Erdogan blijft de CHP een partij waarmee veel religieus-conservatieve Turken zich moeilijk kunnen identificeren. Ook voor veel Koerden ligt een stem op Ince moeilijk. Vergeet niet dat ze voor hun werk afhankelijk zijn van staatsinvesteringen. Het is niet denkbeeldig dat zij voor zekerheid kiezen, en dus op Erdogan zullen stemmen.' Rest de vraag of het nieuwe presidentiële systeem kan functioneren zonder een parlementaire meerderheid. Hoewel het parlement in het nieuwe systeem veel minder macht heeft, kan het de president nog altijd een spaak in het wiel steken. Het kan de begroting blokkeren en wetten goedkeuren die het beleid van de president kunnen dwarsbomen. Erdogan zelf heeft tijdens de campagne al aangegeven dat hij zijn presidentschap niet verenigbaar acht met een parlement zonder meerderheid. Als hij inderdaad een oppositieparlement tegen zich krijgt, zijn er twee mogelijkheden. Erdogan kan proberen enkele oppositieparlementsleden te overtuigen om naar zijn meerderheid over te stappen - vooral bij de centrumrechtse Iyi Parti van Meral Aksener zouden daarvoor kandidaten te vinden zijn. Lukt dat niet, dan lijken nieuwe verkiezingen de enige optie. Bovendien kan Erdogan in het nieuwe systeem geen nieuwe parlementaire verkiezingen organiseren zonder opnieuw presidentiële verkiezingen te houden. Vroeger hield hij bij een slechte uitslag gewoon nieuwe verkiezingen, maar dit keer staat zijn presidentschap op het spel. 'Het is hybris van het zuiverste water', zegt Kirisci. 'Erdogan heeft er nooit bij stilgestaan dat het in het presidentiële systeem moeilijker is om aan de macht te blijven. Voordien had hij aan 35 procent van de stemmen genoeg om nagenoeg almachtig te regeren. Nu heeft hij minstens de helft van de stemmen nodig.'