In coronatijden, waarin de vrijheid in het gedrang komt om te bepalen wat we in eigen land kunnen doen of laten, vergeten we wel eens dat ons land toch nog altijd buitenlands beleid voert. De bouw van een snelweg van Eritrea naar buurland Ethiopië - landen die dag op dag twee jaar geleden vrede sloten - kreeg begin vorig jaar 20 miljoen euro Europese subsidie toegeschoven en in december deed de Europese Unie (EU) daar nog eens 60 miljoen bovenop. België maakt deel uit van die EU. Ons land is bij deze dus zonder meer medeplichtig aan dwangarbeid.

Want inderdaad, Asmara gebruikt voor wegenbouw de 'national service'. Nu werd die 'national service' onder meer door de Verenigde Naties (VN) omschreven als 'slavenarbeid' en 'misdaad tegen de menselijkheid'. Daarover door kamerlid Els Van Hoof (CD&V) ondervraagd, erkent Buitenlandminister Philippe Goffin (MR) dat de mensenrechtensituatie in Eritrea zorgen baart en pleit hij voor "strikte monitoringsmechanismen voor door de EU gefinancierde projecten". Bij haar derde schijf geld gaat de EU niet langer in op de Eritrese vraag om wegenbouw te financieren, maar de tweede schijf is nog niet eens besteed.

Twee jaar vrede met Ethiopië verandert niets voor Eritreeërs.

Voor de Eritreeërs verandert er dus nog maar eens niks. In Eritrea bestaat niet de minste vrijheid van doen en laten, ook niet sinds Eritrea en Ethiopië op 8 juli 2018 een einde maakten aan een jarenlang grensconflict. Die vrede heeft premier Ahmed Abiy Ali van Ethiopië de Nobelprijs voor de Vrede opgeleverd. Voor sterke man Isaias Afwerki van Eritrea was het conflict met buurland Ethiopië steevast het excuus om de 'national service' te handhaven. Maar ook nu er formeel vrede is, verandert er in wat al eens het 'Noord-Korea van Afrika' wordt genoemd, hoegenaamd niets.

Vredesakkoord

Nog altijd worden 17-jarige jongens én meisjes in het hermetisch afgesloten landje in de Hoorn van Afrika - vaak via gewelddadige razzia's - naar militaire kampen gebracht voor hun laatste jaar middelbaar onderwijs. Daarna gaat hun 'national service' voort. Lang niet allen dienen onder de wapens. Sommigen krijgen een studietraject aangeboden en belanden in de administratie of worden leerkracht of zorgkundige. Nog anderen worden ingezet bij openbare werken. Maar niemand van hen kiest wat hij of zij later doet en vooral: de 'national service' is nog altijd onbeperkt in de tijd.

Kan het iemand verbazen dat jonge Eritreeërs massaal hun land ontvluchten? Het VN-Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen (UNHRC) telde voor zomer 2018 vijfduizend Eritrese vluchtelingen per maand. Officiële cijfers zijn er niet, maar alle waarnemers langs zijn het erover eens dat het aantal jonge Eritreeërs die clandestien de grens oversteken sinds het vredesakkoord niet verminderd maar gestegen is. Het Europese geld komt trouwens uit het 'Khartoum-EU Emergency Trust Fund for Africa', opgezet om vluchtelingen 'in eigen regio' te houden door hen daar werk en dus een toekomst aan te bieden.

Maar dat is het net: je kunt de Eritreeërs geen werk aanbieden, want er is geen private arbeidsmarkt in het land. Off the record geven Europese officials al langer toe dat zij dat ook wel weten en dus best beseffen dat de bouwwerkers 'gedwongen arbeiders' in 'national service' zijn. Maar, klinkt het niet zonder enig cynisme bij de Europese diplomaten, wij financieren alleen de bouwmaterialen en hebben met wie ermee aan de slag gaat, niks te maken. Ambassadeurs van Europese lidstaten gingen enkele maanden geleden nochtans de werkzaamheden controleren, netjes begeleid door Eritrese officials.

Oppressie

Dachten die excellenties nu echt dat Eritreeërs over hun werkomstandigheden zouden durven klagen? In Eritrea heerst meedogenloze oppressie; wie zijn mond voorbijpraat, belandt in één van 's lands honderden gevangenissen of verdwijnt gewoon van de aardbodem. Hoever het regime durft te gaan, werd nog eens duidelijk toen de Ethiopische kardinaal-aartseparch Berhaneyesus Demerew Souraphiel medio februari, ondanks officiële uitnodiging en geldig visum, een halve dag op de luchthaven van Asmara werd vastgehouden en daarna zonder pardon terug op een vlucht naar Addis Abeba gezet.

Daarom is het merkwaardig dat enkele Eritreeërs in de diaspora de Stichting voor Mensenrechten voor Eritreeërs durfden op te starten en bij de rechter stopzetting van het Europese project durven te eisen. Afwerki's eenheidspartij heeft ook in het buitenland een lange arm; niet zelden blijkt familie van wie in de diaspora voor mensenrechten opkomt, dat in het moederland met marteling en opsluiting te moeten bekopen. Het aantal Eritrese vluchtelingen in Europa wordt trouwens systematisch onderschat, omdat zij - niet altijd ten onrechte - weinig vertrouwen hebben in de tolken bij Europese asieldiensten.

Medeplichtigheid

De Europese kanselarijen dachten twee jaar geleden Eritrea met de spreekwoordelijke wortel te helpen democratiseren. Zij zien blijkbaar moeilijk in dat dit niet lukt, dat de normalisering van de relaties met Asmara de oppressie integendeel ondersteunt. Niet alleen het Belgische kamerlid Van Hoof, ook leden van de Nederlandse Tweede Kamer, van de Duitse Bundestag en van het Europees Parlement voeren intussen de druk op de Europese 'decision makers' op. Met de derde schijf Europees geld zou Eritrea nu onder meer geholpen covid 19 te bestrijden; da's inderdaad al beter te verantwoorden.

Rest natuurlijk de vraag waarom de internationale gemeenschap zoveel eieren onder de Eritrese dictatuur blijft leggen? Is het onkunde of desinteresse? Was dat maar waar. Kijk je naar een kaart van de Hoorn van Afrika, dan begrijp je meteen welke geostrategische belangen spelen. Soortgelijke belangen bepalen ook het bloedige burgerconflict in Jemen, aan de overkant van de zee-engte die in het Arabisch 'Bab el Mandeb' of 'Poort der Tranen' heet. De engte aan de zuidelijke kant van de Rode Zee is echter vooral een poort voor olietransport en grondstoffenhandel.

Niet toevallig hebben Iran, Israël en de Verenigde Arabische Emiraten een militaire basis in Eritrea; China, Frankrijk, India, Italië en de Verenigde Staten van Amerika hebben dan weer soldaten in buurlandje Djibouti. Het strategische belang van de Eritrese havens als Massawa en Assab of van Djibouti kan dus niet overschat worden. Het zijn niet de Eritreeërs die beter zullen worden van de wegen die in hun land worden aangelegd, maar internationale bedrijven die zo grondstoffen allerhande uit oostelijk Centraal-Afrika willen uitvoeren. Met Europees belastinggeld.

Benoit Lannoo is consulent communicatie en internationale relaties. Hij begeleidde vorig jaar een missie van het Pan-Afrikaans Parlement bij de Eritrese vluchtelingen in het noorden van Ethiopië.

In coronatijden, waarin de vrijheid in het gedrang komt om te bepalen wat we in eigen land kunnen doen of laten, vergeten we wel eens dat ons land toch nog altijd buitenlands beleid voert. De bouw van een snelweg van Eritrea naar buurland Ethiopië - landen die dag op dag twee jaar geleden vrede sloten - kreeg begin vorig jaar 20 miljoen euro Europese subsidie toegeschoven en in december deed de Europese Unie (EU) daar nog eens 60 miljoen bovenop. België maakt deel uit van die EU. Ons land is bij deze dus zonder meer medeplichtig aan dwangarbeid.Want inderdaad, Asmara gebruikt voor wegenbouw de 'national service'. Nu werd die 'national service' onder meer door de Verenigde Naties (VN) omschreven als 'slavenarbeid' en 'misdaad tegen de menselijkheid'. Daarover door kamerlid Els Van Hoof (CD&V) ondervraagd, erkent Buitenlandminister Philippe Goffin (MR) dat de mensenrechtensituatie in Eritrea zorgen baart en pleit hij voor "strikte monitoringsmechanismen voor door de EU gefinancierde projecten". Bij haar derde schijf geld gaat de EU niet langer in op de Eritrese vraag om wegenbouw te financieren, maar de tweede schijf is nog niet eens besteed.Voor de Eritreeërs verandert er dus nog maar eens niks. In Eritrea bestaat niet de minste vrijheid van doen en laten, ook niet sinds Eritrea en Ethiopië op 8 juli 2018 een einde maakten aan een jarenlang grensconflict. Die vrede heeft premier Ahmed Abiy Ali van Ethiopië de Nobelprijs voor de Vrede opgeleverd. Voor sterke man Isaias Afwerki van Eritrea was het conflict met buurland Ethiopië steevast het excuus om de 'national service' te handhaven. Maar ook nu er formeel vrede is, verandert er in wat al eens het 'Noord-Korea van Afrika' wordt genoemd, hoegenaamd niets.Nog altijd worden 17-jarige jongens én meisjes in het hermetisch afgesloten landje in de Hoorn van Afrika - vaak via gewelddadige razzia's - naar militaire kampen gebracht voor hun laatste jaar middelbaar onderwijs. Daarna gaat hun 'national service' voort. Lang niet allen dienen onder de wapens. Sommigen krijgen een studietraject aangeboden en belanden in de administratie of worden leerkracht of zorgkundige. Nog anderen worden ingezet bij openbare werken. Maar niemand van hen kiest wat hij of zij later doet en vooral: de 'national service' is nog altijd onbeperkt in de tijd.Kan het iemand verbazen dat jonge Eritreeërs massaal hun land ontvluchten? Het VN-Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen (UNHRC) telde voor zomer 2018 vijfduizend Eritrese vluchtelingen per maand. Officiële cijfers zijn er niet, maar alle waarnemers langs zijn het erover eens dat het aantal jonge Eritreeërs die clandestien de grens oversteken sinds het vredesakkoord niet verminderd maar gestegen is. Het Europese geld komt trouwens uit het 'Khartoum-EU Emergency Trust Fund for Africa', opgezet om vluchtelingen 'in eigen regio' te houden door hen daar werk en dus een toekomst aan te bieden.Maar dat is het net: je kunt de Eritreeërs geen werk aanbieden, want er is geen private arbeidsmarkt in het land. Off the record geven Europese officials al langer toe dat zij dat ook wel weten en dus best beseffen dat de bouwwerkers 'gedwongen arbeiders' in 'national service' zijn. Maar, klinkt het niet zonder enig cynisme bij de Europese diplomaten, wij financieren alleen de bouwmaterialen en hebben met wie ermee aan de slag gaat, niks te maken. Ambassadeurs van Europese lidstaten gingen enkele maanden geleden nochtans de werkzaamheden controleren, netjes begeleid door Eritrese officials.Dachten die excellenties nu echt dat Eritreeërs over hun werkomstandigheden zouden durven klagen? In Eritrea heerst meedogenloze oppressie; wie zijn mond voorbijpraat, belandt in één van 's lands honderden gevangenissen of verdwijnt gewoon van de aardbodem. Hoever het regime durft te gaan, werd nog eens duidelijk toen de Ethiopische kardinaal-aartseparch Berhaneyesus Demerew Souraphiel medio februari, ondanks officiële uitnodiging en geldig visum, een halve dag op de luchthaven van Asmara werd vastgehouden en daarna zonder pardon terug op een vlucht naar Addis Abeba gezet.Daarom is het merkwaardig dat enkele Eritreeërs in de diaspora de Stichting voor Mensenrechten voor Eritreeërs durfden op te starten en bij de rechter stopzetting van het Europese project durven te eisen. Afwerki's eenheidspartij heeft ook in het buitenland een lange arm; niet zelden blijkt familie van wie in de diaspora voor mensenrechten opkomt, dat in het moederland met marteling en opsluiting te moeten bekopen. Het aantal Eritrese vluchtelingen in Europa wordt trouwens systematisch onderschat, omdat zij - niet altijd ten onrechte - weinig vertrouwen hebben in de tolken bij Europese asieldiensten.De Europese kanselarijen dachten twee jaar geleden Eritrea met de spreekwoordelijke wortel te helpen democratiseren. Zij zien blijkbaar moeilijk in dat dit niet lukt, dat de normalisering van de relaties met Asmara de oppressie integendeel ondersteunt. Niet alleen het Belgische kamerlid Van Hoof, ook leden van de Nederlandse Tweede Kamer, van de Duitse Bundestag en van het Europees Parlement voeren intussen de druk op de Europese 'decision makers' op. Met de derde schijf Europees geld zou Eritrea nu onder meer geholpen covid 19 te bestrijden; da's inderdaad al beter te verantwoorden.Rest natuurlijk de vraag waarom de internationale gemeenschap zoveel eieren onder de Eritrese dictatuur blijft leggen? Is het onkunde of desinteresse? Was dat maar waar. Kijk je naar een kaart van de Hoorn van Afrika, dan begrijp je meteen welke geostrategische belangen spelen. Soortgelijke belangen bepalen ook het bloedige burgerconflict in Jemen, aan de overkant van de zee-engte die in het Arabisch 'Bab el Mandeb' of 'Poort der Tranen' heet. De engte aan de zuidelijke kant van de Rode Zee is echter vooral een poort voor olietransport en grondstoffenhandel.Niet toevallig hebben Iran, Israël en de Verenigde Arabische Emiraten een militaire basis in Eritrea; China, Frankrijk, India, Italië en de Verenigde Staten van Amerika hebben dan weer soldaten in buurlandje Djibouti. Het strategische belang van de Eritrese havens als Massawa en Assab of van Djibouti kan dus niet overschat worden. Het zijn niet de Eritreeërs die beter zullen worden van de wegen die in hun land worden aangelegd, maar internationale bedrijven die zo grondstoffen allerhande uit oostelijk Centraal-Afrika willen uitvoeren. Met Europees belastinggeld.Benoit Lannoo is consulent communicatie en internationale relaties. Hij begeleidde vorig jaar een missie van het Pan-Afrikaans Parlement bij de Eritrese vluchtelingen in het noorden van Ethiopië.