Ik ben een koele minnaar van president Donald Trump, zijn stijl, zijn opportunisme, zijn beleid. Met Trump is Amerika grootsprakeriger geworden, maar zeker niet grootser. Toch schuilen er in die trumpiaanse grootspraak een aantal ongemakkelijke waarheden, vooral voor de vorige generatie leiders die weliswaar een keurig voorkomen hadden, de juiste tonen aansloegen in hun toespraken en de mond vol hadden van waarden, maar de moed niet hadden die waarden te verdedigen in de praktijk.
...

Ik ben een koele minnaar van president Donald Trump, zijn stijl, zijn opportunisme, zijn beleid. Met Trump is Amerika grootsprakeriger geworden, maar zeker niet grootser. Toch schuilen er in die trumpiaanse grootspraak een aantal ongemakkelijke waarheden, vooral voor de vorige generatie leiders die weliswaar een keurig voorkomen hadden, de juiste tonen aansloegen in hun toespraken en de mond vol hadden van waarden, maar de moed niet hadden die waarden te verdedigen in de praktijk. Zo zat ik gisteren te luisteren naar een toespraak van vicepresident Mike Pence. De politicus ging flink tekeer. Hij betichtte grote Amerikaanse multinationals ervan dat ze uit winstbejag knielen voor China. Hij veegde Nike en het Amerikaanse basketbal de mantel uit. Zij zouden zich, zo stelde hij, onderwerpen aan buitenlandse censuur, terwijl ze zich wél kritisch opstellen tegenover de binnenlandse politiek. Amerikaanse burgers en bedrijven, zo ging hij verder, moeten opstaan voor westerse waarden, thuis en in de wereld. Het discours van Pence valt moeilijk te rijmen met het feit dat het Witte Huis een week eerder de Koerdische verzetsstrijders dumpte als waren ze grofvuil, en dat de Amerikaanse defensieminister Mark Esper de NAVO verzocht om mee het hyperautoritaire Saudi-Arabië te beschermen. Toch zat er een kern van waarheid in de toespraak van Pence. In hun kosmopolietenclubjes jammeren zakenlui graag om ter hardst over de teloorgang van de liberale wereldorde, de terugkeer van het nationalisme en het feit dat autoritaire landen het vaak niet zo ernstig nemen met internationale economische spelregels, maar ze blijven vooral toch investeren in autoritaire landen. Gemakkelijker is het te teren op een standvastige dictatuur dan een onstabiele democratie sterker te helpen maken. Het autoritarisme van de Russische president Vladimir Poetin is niet groot gemaakt door Trump, maar door onze eigen sociaaldemocraten, de christendemocraten en de liberalen. Denk maar aan Gerhard Schröder. De dictatuur van China en zijn uitbreidende invloed wordt nog steeds met de rode loper onthaald - door onze nette, pragmatische politici, de liberalen en sinds kort de zogezegde nationalisten op kop. Sommigen van die nette politici of bedrijfsleiders rechtvaardigen hun koers met het argument dat we onze belangen in de gaten moeten houden. Maar sinds wanneer zijn onze belangen gebaat bij de verknechting aan strategische rivalen? Het houdt geen steek, noch vanuit het perspectief van onze waarden, noch voor wat de belangen betreft. Ik was ook geïntrigeerd door een opmerking die Donald Trump onlangs maakte over kosmopolitisme. Hij stelde dat als je de vrijheid een dienst wilt bewijzen, je eerst je verantwoordelijkheid moet nemen voor je eigen land. Ik vind dat een correcte stelling. Al te vaak hoor je de welgestelde globetrotters opperen dat de wereld een dorp geworden is, maar ze vertikken het om voor hun eigen deur te vegen. Wat schiet het op in Davos te filosoferen over dat wereldwijde dorp als in je eigen straat de rioleringen overlopen, er kraters in de wegen zitten en de mensen elkaar lijken te mijden. Dat wereldwijde dorp, die globalisering, functioneert pas als de verschillende onderdelen hun gevoel voor eigenwaarde behouden en uitdrukken. Hoe kun je spreken van liefde voor de wereld als je geen liefde kunt opbrengen voor je eigen land, je dorp, je naasten? Die boodschap is niet nieuw. Aan het begin van de twintigste eeuw waarschuwde Theodore Roosevelt ervoor dat bedrijven zich meer en meer loskoppelden van hun land en als een soort van huurlingen diensten aanboden aan de meestbiedende. Napoleon Bonaparte vatte dat mooi samen: 'Geld kent geen vaderland.' Een bijkomend probleem is dat geld politici mee op sleeptouw neemt, door ofwel de beleidsmakers zelf te incorporeren, ofwel hun familieleden en entourage. Denk aan Joe Biden: zelf is hij een integere politicus, maar als vader wordt hij blootgesteld aan verzoeken van een zoon die er in China en andere landen flinke zakelijke belangen opna hield. Of Bill Clinton, wiens echtgenote, Hillary Clinton, lange tijd in de raad van bestuur van Wal-Mart zat. Of Barack Obama, die beloofde de invloed van de lobbyisten in te perken maar cruciale posten aan Wall Street bleef uitdelen. In dat opzicht is het minstens ironisch vast te stellen dat veel grote bedrijven vandaag sakkeren dat ze geen vat hebben op deze president. Trump is geen rolmodel, verre van. Maar hij maakt enkele belangrijke punten. Hij is niet verantwoordelijk voor de puinhoop die Amerika vandaag is, hij is er het gevolg van. Het zijn vooral de pragmatische leiders die kansen hebben laten liggen en het politieke vertrouwen hebben laten kelderen. Als zij de democratie werkelijk zo genegen zijn, zou het niet misstaan een beetje de hand in eigen boezem te steken.