Het is een klassiek onderdeel van de Amerikaanse presidentsverkiezingen: de October surprise, een explosieve onthulling die kort voor de stembusgang de hele campagne dooreenschudt en op die manier soms in een definitieve plooi legt. Eerder deze maand bracht New York Post - een tabloid van eerder laag allooi, niet te verwarren met kwaliteitskrant The New York Times of The Washington Post - het verhaal dat Hunter Biden, de jongste zoon van de Democratische presidentskandidaat, zijn vaders positie en invloed als vicepresident misbruikt had om zichzelf, zijn familie en mogelijk ook Joe Biden persoonlijk te verrijken. New York Post publiceerde fragmenten van e-mails die zouden moeten bewijzen dat Joe Biden weet had van allerlei lucratieve deals in China en dat Hunter Biden in 2015 een ontmoeting regelde tussen zijn vader en een adviseur van Burisma, een Oekraïens energieconcern waarvoor hij in de raad van bestuur zat. Het Biden-kamp zette het verhaal weg als een smeercampagne maar ontkende ook niet staalhard dat het om vervalsingen ging.
...

Het is een klassiek onderdeel van de Amerikaanse presidentsverkiezingen: de October surprise, een explosieve onthulling die kort voor de stembusgang de hele campagne dooreenschudt en op die manier soms in een definitieve plooi legt. Eerder deze maand bracht New York Post - een tabloid van eerder laag allooi, niet te verwarren met kwaliteitskrant The New York Times of The Washington Post - het verhaal dat Hunter Biden, de jongste zoon van de Democratische presidentskandidaat, zijn vaders positie en invloed als vicepresident misbruikt had om zichzelf, zijn familie en mogelijk ook Joe Biden persoonlijk te verrijken. New York Post publiceerde fragmenten van e-mails die zouden moeten bewijzen dat Joe Biden weet had van allerlei lucratieve deals in China en dat Hunter Biden in 2015 een ontmoeting regelde tussen zijn vader en een adviseur van Burisma, een Oekraïens energieconcern waarvoor hij in de raad van bestuur zat. Het Biden-kamp zette het verhaal weg als een smeercampagne maar ontkende ook niet staalhard dat het om vervalsingen ging. In de reguliere pers werd het Biden-verhaal van New York Post niet breed opgepikt, met uitzondering van enkele programma's op Fox News. De authenticiteit van het bronmateriaal kon namelijk nog niet onafhankelijk geverifieerd worden. Er waren ook ernstige vragen over de manier waarop de informatie bij de redactie van de Post was beland. Volgens de officiële versie zou Hunter Biden een laptop en harde schijf met waterschade hebben binnengebracht bij een reparateur in Delaware, waarna hij die nooit meer ophaalde. De eigenaar van de computerwinkel zou daarop belastend materiaal hebben ontdekt. Hij zou contact opgenomen hebben met de FBI, maar ook een kopie van de bestanden hebben bezorgd aan de advocaat van Rudy Giuliani, de voormalige Republikeinse burgemeester van New York maar vooral ook de adviseur en persoonlijke advocaat van Donald Trump. Het was via Giuliani dat New York Post vervolgens inzage kreeg in de bestanden. Enkele inconsistenties in dat verhaal veroorzaakten scepsis bij andere persmedia. Klopt het laptopverhaal? Bewijzen de gelekte e-mails wangedrag waarbij Joe Biden betrokken was? Of was dit een Russische hack-and-leak-desinformatiecampagne om het Amerikaanse democratische proces een stok tussen de spaken te steken? Dat blijft voorlopig onduidelijk. Vijftig voormalige leden van de Amerikaanse inlichtingendiensten ondertekenden vorige week een open brief die het vermoeden uitspreekt dat de vingerafdrukken van Rusland op dit verhaal staan. Time Magazine vond getuigen die beweren dat de e-mails van Hunter Biden vorig jaar al in Oekraïne te koop werden aangeboden. John Ratcliffe, de door Trump benoemde Director of National Intelligence (de chef van de Amerikaanse inlichtingendiensten), stelde dan weer dat voorlopig geen bewijs bestaat dat het gaat om Russische desinformatie. De FBI onderzoekt de kwestie en heeft nog niet publiekelijk gereageerd. Of er nog voor de stembusgang op 3 november uitsluitsel komt, is onzeker.Vooral de reactie van socialemediabedrijven kwam onder vuur kwam te liggen. Facebook communiceerde dat het de verspreiding van het New York Post-verhaal over Hunter Biden zou beperken tot het geverifieerd was door factcheckers. Twitter liet aanvankelijk zelfs niet toe dat er naar het verhaal werd gelinkt, met als argument dat het ging om privé-informatie en mogelijk gehackt materiaal, twee zaken die ze van hun platform proberen te weren. De accounts van de Trump-campagne en van Kayleigh McEnany, woordvoerster van het Witte Huis, werden zelfs even geblokkeerd omdat ze over het verhaal wilden tweeten. De ophef over de beslissingen van Facebook en Twitter was groot, mogelijk zelfs nog groter dan die over de niet-geverifieerde inhoud van de e-mails. Republikeinse politici en opiniemakers zagen erin het bewijs dat big tech - de beperkte groep wereldwijd actieve grote cyberbedrijven - aan beïnvloeding van de verkiezingen doen ten voordele van de Democraten. Trump zelf noemde big tech als een van zijn tegenstanders. De ingreep van Twitter leidde uiteindelijk tot publieke verontschuldigingen van topman Jack Dorsey, die de manier van handelen onaanvaardbaar noemde. Daarop volgde een versoepeling van het beleid rond gehackte informatie. Maar de kritiek kwam niet alleen uit Republikeinse hoek. Cristina Tardáguila, vicedirecteur van het International Fact-Checking Network, schreef een striemend opiniestuk over de weinig transparante en gevaarlijke manier waarop Facebook en Twitter de kwestie hadden aangepakt. Onduidelijke criteria op basis waarvan bepaalde verhalen minder verspreiding krijgen, schreef ze, kunnen wel degelijk afglijden naar censuur. Achteraf bleek overigens, uit een analyse van MIT Technology Review, dat de zet van Facebook en Twitter de aandacht voor het Hunter Biden-verhaal paradoxaal genoeg bijna had verdubbeld. Sociale media hebben de voorbije jaren een groot aantal nieuwe regels en ingrepen geïntroduceerd om te vermijden dat desinformatie zich via hun kanalen verspreidt. Facebook is in 2016 gaan samenwerken met ' third-party factcheckers', onafhankelijke journalisten die bepaalde claims onderzoeken. Ook factcheckers van Knack werken daar al enige tijd aan mee. Op basis van hun conclusies kan Facebook waarschuwingslabels aanbrengen boven posts die desinformatie bevatten. Grote accounts en groepen die complottheorieën als QAnon (rond de vermeende plannen van een deep state gericht tegen Donald Trump en zijn volgers) verspreiden, zijn van verschillende sociale media verwijderd. Twitter is deze zomer begonnen met het labelen of verbergen van tweets die 'gemanipuleerde media' bevatten, of die onzin verkopen over het coronavirus of het Amerikaanse verkiezingssysteem. Vorige week nog introduceerde het platform twee nieuwe features: een kleine wijziging om het achteloos retweeten van berichten te beperken en een soort pop-up die waarschuwt dat 'titels van artikels niet alles zeggen', waarmee ze mensen willen aansporen om een stuk ook helemaal te lezen alvorens het op sociale media te delen. Af en toe leiden die ingrepen ook tot collateral damage. Lange Frans, een Nederlandse rapper die ook podcasts verspreidt met allerlei complotdenkers, zag op 21 oktober hoe zijn hele YouTube-kanaal verwijderd werd, inclusief zijn muzikale werk. De satirische website De Raaskalderij zag haar Facebook-pagina opgeschort, volgens de redactie omdat ze in een grap een foto van mensen in de witte puntkappen van de racistische Ku Klux Klan had gebruikt. Facebook en Twitter zijn ook schaars met commentaren over het hoe en waarom van ingrepen. Klassiek is hun reactie tegenover journalisten dat ze over het verwijderen van bepaalde pagina's alleen communiceren met de betrokkenen zelf. In de nasleep van het brexitreferendum en de verkiezing van Donald Trump hebben de herhaalde beschuldigingen aan het adres van techbedrijven over hun funeste rol bij fenomenen als radicalisering en desinformatie geleid tot lovenswaardige ingrepen, maar ook tot overreacties. Dat Facebook, Twitter, en andere sociale media zo openlijk worstelen met hun machtige rol, toont alvast aan dat het bewustzijn over mogelijke onlinemanipulatie van de publieke opinie duidelijk is gegroeid