In Hongkong wordt gevochten voor het behoud van de democratie en tegen de dictatoriale overname door China. In Moskou komen de dapperen de straat op om het herstel van de democratie te eisen. Ook in Oost-Europa zijn er demonstraties tegen corrupte dan wel autoritaire politici. Toch zijn dat eerder uitzonderingen. Democratie en vrijheid staan overal onder druk. Zelfs in het Westen, de bakermat van de democratie. Wat ooit vanzelfsprekend leek, is dat niet meer.
...

In Hongkong wordt gevochten voor het behoud van de democratie en tegen de dictatoriale overname door China. In Moskou komen de dapperen de straat op om het herstel van de democratie te eisen. Ook in Oost-Europa zijn er demonstraties tegen corrupte dan wel autoritaire politici. Toch zijn dat eerder uitzonderingen. Democratie en vrijheid staan overal onder druk. Zelfs in het Westen, de bakermat van de democratie. Wat ooit vanzelfsprekend leek, is dat niet meer. China was al nooit een democratie, maar onder president Xi Jinping zijn de censuur, de totale controle van de staat en en wrede onderdrukking van de Oeigoeren, een etnische minderheid, opgevoerd. China laat zijn invloed in steeds meer landen gelden. India geldt als de grootste - want dichtstbevolkte - democratie ter wereld. Sinds de nogal autoritaire hindoenationalist Narendra Modi vijf jaar geleden premier werd, zijn er wel zorgen. Zeker nu hij deze zomer de islamitische deelstaat Kashmir zijn speciale status heeft afgenomen. Ook in Brazilië, op de Filipijnen en in Venezuela zijn wel democratisch gekozen presidenten aan het bewind, maar vanuit het Westen worden zij allemaal fronsend bekeken. De Arabische Lente is, op een enkele uitzondering na, omgeslagen in een democratische winter. Democratie met zeggenschap voor het volk, met grondwettelijke rechten, met vrijheden en de bescherming voor minderheden: zo héél lang is ze nog niet vanzelfsprekend. Ook niet in het Westen. De moderne democratie met algemeen stemrecht bestaat amper een eeuw. In 1917 stapte de Amerikaanse president Woodrow Wilson de Eerste Wereldoorlog in onder het motto: ' Making the World Safe for Democracy'. Van dan af werden de Amerikanen inderdaad ijverige exporteurs van de staatsvorm. De huidige Amerikaanse president Donald Trump wordt aangerekend dat hij een antidemocraat zou zijn. Toch eiste hij half augustus wel dat Peking de handen afhield van de demonstranten in Hongkong. In ruil zou hij handelsbeperkingen met China loslaten. Maar in het algemeen lijken de vanzelfsprekendheden uit de dagen van westerse en vooral Amerikaanse dominantie voorbij. En daarmee erodeert ook de vanzelfsprekendheid van westerse waarden. Dertig jaar geleden zag het er nog heel anders uit. In de zomer van 1989 viel het IJzeren Gordijn, te beginnen bij de Oostenrijks-Hongaarse grens. Enkele maanden later viel de Berlijnse Muur en daarmee was het einde van de Koude Oorlog in zicht. Het leek een kwestie van tijd tot de hele wereld westerse waarden zou omarmen. De Amerikaanse auteur Francis Fukuyama muntte die ontwikkeling als 'het einde van de geschiedenis'. Dat idee hield amper een decennium stand. China bleef een communistische dictatuur, maar wist wel een wereldmacht te worden door enige economische vrijheid te scheppen en door staatskapitalisme te introduceren. In Rusland kwam in 1999 Vladimir Poetin aan de macht, om die niet meer op te geven. Hij beoogt het herstel van de invloedssfeer van het tsaristische en bolsjewistische Rusland, zoals Georgië, Oekraïne en de Baltische staten hebben gemerkt. Rechtsstaat en democratie zijn daaraan ondergeschikt. Pijnlijk voor de erosie van de westerse superioriteit is de opkomst van de Turkse leider Recep Tayyip Erdogan. Die werd na zijn verkiezingsoverwinning in 2002 gesteund door de Amerikaanse president George Bush jr en de meeste EU-regeringsleiders, die in hem een verlicht politicus zagen. Maar Erdogan had al laten weten dat hij democratie zag als 'de trein die wij nemen totdat wij op onze bestemming zijn aangekomen'. En deze zomer besloot hij zich niets aan te trekken van het Turkse NAVO-lidmaatschap en luchtdoelraketten van Poetin te kopen. De geloofwaardigheid van een moreel getint exportproduct als democratie lijdt er natuurlijk ook onder als de leverancier zelf in moreel opzicht te wensen overlaat. President George Bush jr trok in 2003 Irak binnen met het doel daar democratie te brengen. Dat bleek niet alleen ongeloofwaardig, het resultaat van de Iraakse interventie was vooral chaos en eindeloze ellende. Sinds 'Irak' is er nauwelijks nog iemand te vinden die gelooft dat democratie met militaire middelen kan worden opgelegd. Vooral sinds 2016 worden ook ontwikkelingen in het Westen zelf als risico's voor de democratie gezien. Het trefwoord heet 'populisme' en de bijbehorende gebeurtenissen zijn het Britse referendum voor vertrek uit de Europese Unie ('brexit'), de verkiezing van Donald Trump tot Amerikaans president en verkiezingen in Europese landen met grote successen voor als populistisch betitelde partijen. Het begon zo'n beetje in november 1991, toen het Vlaams Blok zijn eerste opvallende verkiezingsuitslag behaalde op Zwarte Zondag. Op links initiatief, maar gesteund door alle traditionele partijen, volgde er een cordon sanitaire dat tot nu toe standhield - ook nadat het Vlaams Blok verboden werd, terugkeerde als Vlaams Belang en Filip Dewinter meer naar de achtergrond verdween. In Denemarken en - even - in Nederland werd precies andersom gereageerd. De Deense Volkspartij regeerde sinds de eeuwwisseling herhaaldelijk mee als gedoogpartner. In Nederland 'gedoogde' de PVV van Geert Wilders in de jaren 2010-2012 het eerste kabinet van Mark Rutte, maar kan het toelaten van Wilders tot de macht ook ingegeven zijn door het oogmerk hem zo buitenspel te zetten. Vanaf 2002 implodeerde de LPF van de vermoorde Pim Fortuyn immers al na honderd dagen regeringsdeelname. In Duitsland wordt ook de partij Alternative für Deutschland, die onlangs nog sterk scoorde bij verkiezingen in enkele oostelijke deelstaten, buitengesloten door de andere partijen. Het kan niet van de hele partij worden gezegd, maar zelfs in de top van de AfD zitten politici met neonazistische en dus antidemocratische sympathieën. Het einde van de Koude Oorlog leidde in voormalige landen van de Sovjetzone tot democratie en economische vrijheid, maar de democratie bracht ook conservatieve nationalisten aan de macht: de PiS in Polen, Viktor Orbán in Hongarije. In Polen kwam de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in het geding, Hongarije ondermijnde rechtsstatelijke instituties en beide landen kwamen zo in conflict met de Europese Commissie. De rode lijn bij de opkomst van alle populistische en nationalistische partijen wordt gevormd door de immigratie van de laatste decennia en de verscheidenheid ('diversiteit') die daardoor een kenmerk van de westerse samenlevingen zijn geworden. Het 'rechtspopulisme' en het neonationalisme verzetten zich daartegen, nog extra als het de toestroom van moslims betreft. Een afkeer van de Europese eenmaking en - recenter - weerstand tegen ingrijpende klimaatmaatregelen completeren het populistische menu. Zijn de populisten daarmee antidemocratisch? En zijn zij de enige bedreiging voor de democratie in het Westen in het algemeen en in West-Europa in het bijzonder? Allerminst. Om te beginnen staat niet ondubbelzinnig vast of rechtse populisten wel echt zo antidemocratisch zijn. Er zijn bovendien ook linkse partijen, zoals Die Linke in Duitsland en de Socialistische Partij in Nederland, die als populistisch betiteld kunnen worden, soms wortels hebben in het antidemocratische communisme en nog altijd antiparlementarische reflexen vertonen. Maar hoe zit het eigenlijk met de traditionele partijen, met de gevestigde orde in het algemeen, ook met het progressieve deel daarvan? Het staat helemaal niet zo vast of de 'rechtspopulisten' wel het monopolie hebben op antidemocratische tendensen. Bovendien kan het rechtspopulisme ook gezien worden als het gevolg van democratische verwaarlozing door traditionele partijen, de linkse niet in de laatste plaats. Er is alles voor te zeggen om populisme vooral te zien als verzet tegen verlies - verlies waar de gevestigde orde actief of passief aan heeft meegewerkt. Niet alleen legt het Westen het internationaal gezien af, maar de internationalisering brengt de wereld ook het Westen binnen. De bovenste helft van de samenleving heeft daar niet zo'n last van of heeft daar zelfs baat bij, maar vooral de onderste helft van de samenleving ervaart de nadelen. Gerechtvaardigde bezwaren zijn door de traditionele partijen verwaarloosd of bij voorbaat als 'fout' weggezet. Vooral de partijen die een traditie hadden om op te komen voor de arbeiders (de sociaaldemocraten) betalen daar nu in heel Europa een hoge prijs voor. Politiek links heeft daarbij de aandacht de afgelopen decennia niet alleen verplaatst naar een nieuwe, geïmmigreerde aanhang, maar is ook van kleur verschoten: van rood naar groen. Waar links ontstaan is uit verzet tegen de gevestigde orde, is het daar maar al te vaak zelf deel van geworden. Omgekeerd heeft het establishment vooral de immateriële agenda van links overgenomen, de agenda van diversiteit en duurzaamheid. Het is vervolgens niet eens zo verbazingwekkend dat links zich samen met traditioneel rechts afkeert van de verworvenheden van de democratie, die immers de gehate populisten aan de macht brengen. Een interessante factor is daarbij het steeds hogere gemiddelde opleidingsniveau, waarbij het alle schijn heeft dat de academisch opgeleide sociale stijgers zich emotioneel vastklampen aan de sociaal wenselijke opvattingen van het establishment en zich om dat te benadrukken afkeren van ervaringen en inzichten in lagere klassen. Zo worden nieuwe antidemocratische tendensen geboren. De historicus René Cuperus, lang verbonden aan de Nederlandse Partij van de Arbeid, zegt dat 'heel veel mensen - academici, zeker ook van linkse signatuur - het basisidee van de democratie niet meer accepteren, namelijk dat iedere stem evenveel waard is. Er wordt met verachting neergekeken op gewone mensen.' Hij noemt dat 'volksangst'. Zo kon het ook gebeuren dat in Nederland het vooral GroenLinks en het progressief-liberale D66 waren die tot voor enkele jaren de meest uitgesproken voorstanders waren van de invoering van directe democratie. Referenda gingen door voor progressief. Maar sinds de Nederlanders zich in 2005 per referendum in meerderheid afkeerden van de Europese Grondwet en in 2016 tegen het EU-Associatieverdrag met Oekraïne stemden, is de progressieve liefde voor referenda voorbij. Het pleiten voor referenda is van progressief populistisch geworden en daarmee bij het progressieve afval beland. Zorgen over het klimaat leiden intussen tot nieuwe antidemocratische tendensen. Het klimaat wordt door klimaatactivisten en groene politici te belangrijk gevonden om aan de nukken van de democratie over te laten. Duitse critici noemen dat 'Öko-Diktatur', dan wel 'Zwangsbegrüning'. De Vlaamse milieuwetenschapper Pieter Lely maakte zich nog onlangs tolk van de afweging tussen klimaat en democratie met de stelling dat er, 'vrees ik, geen democratische oplossing voor het klimaatprobleem' is. De socioloog Mark Elchardus betrekt de jeugdige demonstranten voor het klimaat in zijn oordeel: 'Experts en adolescenten zijn het vaak roerend eens wat democratie betreft. Te traag, overbodig eigenlijk. Wat heb je aan de mening van het domme en onbewuste volk, als overtuigde jongeren en zelfverzekerde experts al lang weten wat er moet gebeuren?' De Nederlandse tv-weerman Gerrit Hiemstra (58) pleit er zelfs voor het beslissingsrecht over klimaatmaatregelen te beperken tot 30-minners en ouderen daarvan dus uit te sluiten, omdat de jeugdigen meer toekomst hebben en de juiste geestelijke instelling zouden hebben voor doortastend klimaatbeleid. De Nederlandse publieke omroep (NPO) heeft overigens al jaren de opvatting dat zij behalve 'diversiteit' ook 'duurzaamheid' dient uit te dragen en ziet daarbij geen reden afwijkende geluiden aan het woord te laten. Het laat een opmerkelijk licht schijnen op de onafhankelijk geachte pers, immers ook een onmisbaar element in de democratie. Antidemocratische tendensen dringen ondertussen al door in de praktijk van het Nederlandse klimaatbeleid. Bij de landelijke verkiezingen van 2017 speelde het klimaat geen rol, maar na zeven maanden formatie bleek Nederland plots 'klimaatkoploper' van Europa te willen worden. Onderdeel van het Nederlandse klimaatbeleid bleek - ook een verrassing - een verbod op het aansluiten van nieuwbouwwoningen op aardgas. De komende tien jaar moeten ook 1,5 miljoen bestaande Nederlandse woningen van het gas af worden gesloten, ook tegen de wil van huurders en eigenaars. Het klimaatbeleid is vastgelegd in een Klimaatwet, inclusief vijfjarenplannen. Zelfs voorstanders zien tot hun verontrusting de overeenkomst met de werkwijze van de Russische bolsjewieken. Het Westen is dus niet alleen aan het verzwakken als exporteur van democratie. Aziaten lijken door de bank genomen het inperken van vrijheden en rechten te kunnen billijken en te kunnen leven met autocraten en technocraten, als die maar stabiliteit en welvaart brengen. Dertig jaar na de Koude Oorlog is de democratische gezindheid in voormalige communistische landen niet meer vanzelfsprekend. En in Europa en Noord-Amerika zijn er tal van factoren die de tot voor kort zo vanzelfsprekend ogende steun voor de democratie ondermijnen. De gevestigde orde verwijt de populistische concurrentie de democratie te ondermijnen, maar heeft daar misschien zelf wel de basis voor gelegd.