In tijden van mentale shock schrikt een mens weleens van zichzelf. Reflexen waarvan je het bestaan niet vermoedde, presenteren zich op zulke momenten met een griezelige vanzelfsprekendheid. Bij de geboorte van je kind. Bij die brand in het washok. Bij de aanblik van je leeggehaalde huis.
...

In tijden van mentale shock schrikt een mens weleens van zichzelf. Reflexen waarvan je het bestaan niet vermoedde, presenteren zich op zulke momenten met een griezelige vanzelfsprekendheid. Bij de geboorte van je kind. Bij die brand in het washok. Bij de aanblik van je leeggehaalde huis. Sommige mensen blijven dan als verlamd staan. Anderen beginnen te ratelpraten. Ik, ik denk in zulke gevallen aan drie zwarte Amerikanen die hun wollen trui in hun broek hebben gestopt, en het mooiste lied zingen dat er bestaat: At the Dark End of the Street, zoals Ry Cooder en zijn band het in 1977 zongen op de BBC. Cooder, 71 intussen, is de verpersoonlijking van de Amerikaanse gitaarmuziek van de voorbije eeuw. Het grote gitaargeweld van de jaren zestig en zeventig was nauwelijks aan hem besteed. Cooder werd een school op zich, een meestergitarist die zich niet aan een band of een stijl verbond. Plaat na plaat slenterde hij door de wereld van de countryblues uit de Mississippidelta, de hotjazz van trompettist Bix Beiderbecke, de gospel van The Staple Singers, de stadsblues van John Lee Hooker, de outlawcountry van Johnny Cash, de paleoblues uit Mali en natuurlijk de son uit Cuba, als motor achter de Buena Vista Social Club. Terwijl lui als producer T-Bone Burnett en muzikant-labelbaas Jack White floreren in hun rol van bibliothecaris van het Amerikaanse muziekarchief, is Ry Cooder wandelend, ademend erfgoed. De voorbij tien jaar kreeg zijn hart het zwaar te verduren. Cooders output werd steeds meer gedomineerd door verontwaardiging, woede zelfs. In een reeks conceptalbums ging hij tekeer tegen de verwoesting van een latino volkswijk in LA, schreef hij een communistisch pamflet met een kat als hoofdpersonage, een curieuze ode aan een autoracer, een sneer naar graaiende bankiers en een afrekening met de Republikeinen. Cooder, zo leek het, was moe van de wereld en van zichzelf. Zoals ik, die ochtend van de 9e november 2016. De mentale schok, en de drie zingende mannen die daarbij horen. Op het strand van Santa Monica, Californië, kruiste ik huilende mensen. Wildvreemden vielen elkaar in de armen, want die oranje man had - dit kon toch niet waar zijn - de avond voordien de presidentsverkiezingen gewonnen. The Dark End of the Street. Toen kwam de reflex. Ik liep het strand af, reed de heuvel op, tot aan Palisades Park. En hield mijn vinger boven de deurbel van Ry Cooder. Maar dat is voor later. Anderhalf jaar verder verkeert de meester in goede luim. Zijn eerste nieuwe plaat in acht jaar heet niet voor niets The Prodigal Son, de Verloren Zoon. Cooder heeft zowaar een nieuw joie de vivre ontdekt, zingt en speelt met een verloren geacht plezier, en zoekt verheffing in de Heer - of toch in de liederen waarin Hij wordt bezongen: de gospel die hij leerde kennen van de legendarische Pops Staples en zijn verrukkelijke dochter Mavis. Met zijn verwaaide witte haar en levervlekken op zijn handen kan hij zijn leeftijd niet loochenen, maar de man straalt nog altijd een jongensachtige charme uit. The Prodigal Son klinkt niet langer als een trieste State of the Union, de plaat belicht vooral de kleinmenselijkheid. Bent u, uitgerekend onder het presidentschap van Trump, niet boos meer? Ry Cooder: De boel is met zijn verkiezing wel degelijk naar de verdoemenis gegaan. Je voelde het in het vorige decennium al aankomen. Het heeft een tijdje geduurd voordat ik precies doorhad waarom ik zo gefrustreerd was. Je had de grote politieke en economische schandalen, maar de onderliggende kwaadheid was: waarom draait de wereld niet beter, waarom doen mensen niet een beetje meer hun verdomde best? Want vroeger lukte dat toch wél? De verkiezing van Trump was voor mij een keerpunt. Ik had door dat de zaken niet zullen veranderen, dat de wereld er niet beter op zal worden. Dan moet je je kwaadheid loslaten, in het besef dat ze geen zin heeft: het is alsof je de zon probeert uit te spugen. Bovendien probeerde ook mijn lichaam me iets te vertellen. Ik begon rugpijn te krijgen, en zocht hulp bij een Chinese acupuncturiste. (lacht niet:) Ze zei: 'Je lug doet zeel omdat je je boos maakt ovel die veldomde politiek! Dom. Dom! Kunt politiek niet velandelen!' Ik zei: 'You're sure right about that.' Zij weer: 'Waalom schlijf je geen liefdeslied?' Ik: 'Wel, juffrouw, eigenlijk is dat mijn winkel niet.' (schatert)Kort daarna vertrokken mijn zoon Joachim en ik op tournee met Sharon White en Ricky Scaggs. We speelden vooral gospelsongs en oude countryliedjes. Het was domweg plezierig: lekker ontspannen, gewoon samen muziek maken. Heerlijk. Mijn zoon zei: 'Pa, heb je het publiek eens goed bekeken? Je wilt die mensen toch niet langer de kop inslaan met gepreek? Speel gitaar en zing liedjes uit lang vervlogen tijden. Precies wat je vroeger zo goed deed. Stop met politiek. Geen platen meer over communisten, of een conceptalbum over een autoracer, forget about it.' Toen ben ik even achterover gaan zitten, met één vraag: wat doe ik graag in mijn leven? In mijn hoofd keerde ik terug naar de oude gospelsongs waar ik altijd zo van heb gehouden. Toen wist ik: we doen dit gewoon. Maar hoe? De plaat is behoorlijk sober, en verwijst terug naar uw sound van de jaren zeventig, met Boomer's Story en Paradise and Lunch, maar op de achtergrond gebeuren de gekste dingen: kleine, onvatbare klanken uit een andere wereld. Cooder: Nu zijn we er. Kijk, nadat ik had uitgevogeld dat ik een soort gospelplaat zou maken, en dat de songs die ik had uitgekozen deugden, moest ik beslissen hoe ik de zaak zou aanpakken. Heel naakt? Nou, nee. Puur akoestisch? Dat heb ik al gedaan. Toen kwam mijn zoon met een Array mriba aanzetten, een elektrische variant van de Afrikaanse duimpiano. Dat ding geeft een heel zweverig, zoetgevooisd geluid - de klank van een wolk, zo je wilt. Hij is er ontzettend goed op geworden. Vaak begint hij met oude opnames van mij - pa die mandoline of banjo zit te spelen - en dan speelt hij daaroverheen. Het levert een bezwerende fond op, die me ook toeliet om anders te gaan zingen. Ik kan die oude gospelstijl toch niet imiteren, waarom zou je het zelfs maar probéren? Deze aanpak bood me een frisse uitweg. En mocht je het je afvragen, we gaan het live ook zo doen. Dat kunnen we wel. Ik moet nog een bassist zoeken, want ik had alle partijen zelf ingespeeld. We nemen een vriend van Joachim mee die ambient jazzsaxofoon speelt, en dan nog drie nieuwe achtergrondzangers. Afgelopen januari is Terry Evans, de man met de trui in de broek, overleden. Heeft hij nog aan deze plaat meegewerkt? Cooder: Zeker. Hij had artritis, lopen was wat moeilijk maar voor de rest ging alles goed. We zagen elkaar geregeld, hij zong nog altijd prachtig. Toen ik hem belde om de tournee te bespreken, bleek hij onvindbaar. Tot zijn zoon belde, met het nieuws dat hij in het ziekenhuis lag. Bleek er van alles met hem te schelen. Wat een schok. Mag ik The Prodigal Son een seculier gospel album noemen? Cooder: Dat is de nagel op de kop, ja. Laten we zeggen: God is er wel, maar hij loopt niet in de weg. Cooder: Precies! Dat is net wat ik voel bij de platen van Mavis Staples en The Staple Singers. Toen ik nummers uitzocht voor deze plaat, had ik één grote regel: God en Jezus mochten het gevoel niet in de weg zitten. In de gospelwereld zie je vaak dat de wereld waarin we leven wordt ontkend: 'De wereld is mijn thuis niet, ik wil hier niet zijn. Ik ga lekker naar de hemel, bij Jezus.' Mij allemaal goed als iemand dat voelt. Maar als je zulke liederen moet zingen en spelen, begint dat te wringen. Als je dat allemaal gelooft, waarom zing je dan nog? Als je zo'n hekel hebt aan de wereld, kun je je gitaar maar beter in haar koffer stoppen. Einde verhaal. De sleutel is niet geloof, maar empathie? Cooder: Ja. Empathie boven afwijzing. Dat stond centraal in de keuze van de songs en de teksten. En er mag al eens gelachen worden. In het titelnummer vindt de Verloren Zoon het ware geloof niet, maar in een bar in Bakersfield gaat hij wel door de knieën voor pedalsteelgitarist Ralph Mooney. Cooder:(schatert) Welja, geloof is toch maar een kwestie van iets wat je ráákt, nee? Stel je voor. De Verloren Zoon gaat weg van huis, en wat vindt hij op zijn weg? Het Hub Café in Bakersfield, waar in 1960 Ralph Mooney en gitarist Wynn Stewart op het podium stonden. Ik zou me op slag bekeren. Ik was dol op hun muziek toen ik klein was. Was ik toen maar op een bus naar Bakersfield gestapt, zeg. U bent geen typische Nashvillefiguur, maar de country heeft u altijd na aan het hart gelegen. Waar komt dat vandaan? Cooder: Dat weet ik nog heel precies. Ik zat in de vierde klas, ik moet een jaar of negen zijn geweest. In die tijd had je in Los Angeles een radiostation voor de arbeiders die in de vliegtuig- en wapenfabrieken werkten. Het draaide de country-, honkytonk- en hillbillyhits van het moment: Webb Pierce, Bob Wills, zulke dingen. Merle Travis sprak zelfs de reclameboodschappen in! Een heerlijke zender. Om de haverklap maakte ik mijn ouders wijs dat ik ziek was en niet naar school kon, zodat ik naar de radio zou kunnen luisteren. Op zo'n dag hoorde ik een liedje van ene Johnny Cash . De presentator zei: (nasaal)'All right now, comin' up fast, this is Johnny Cash and 'Hey Porter'. De elektrische gitaar begon zo'n twangy, metalig loopje te spelen, en Johnny vertelde een heel verhaal. Ik zat op mijn bed met mijn gitaar, wachtte tot ze het liedje nog eens zouden draaien, en leerde snel de tekst vanbuiten. (spuwt het uit) Naar school moeten gaan, in het vierde leerjaar, de saaiste plek van de hele wereld, terwijl je ook liedjes van Johnny Cash zou kunnen zingen? Man, ik wist het wel. (opgewonden) Hé, moet je horen. Laatst kwam ik Rosanne Cash tegen, Johnny's dochter. Ze vertelde me dat ze vier dagen op rij zou spelen op het San Francisco Jazz Festival, en vroeg of we samen iets konden doen. Ik zei: 'We moeten samen de songs van je pa spelen.' Dat heeft ze de voorbije twintig jaar altijd geweigerd, om begrijpelijke redenen, maar ik kon haar ervan overtuigen dat de tijd rijp is. Mensen kunnen haar na al die jaren niet meer verwijten dat ze teert op het succes van haar vader, toch? En nu komt het. Zeg, ken je John Carter Cash? Hij stond vorige maand nog in Knack. Cooder: Zeer goed. Wel, een paar weken geleden schoot iets me te binnen: waar is de gitaar waarop Luther Perkins, de rechterhand van Johnny, dat loopje van Hey Porter speelde? Waarop Rosanne doodleuk zei: 'Oh, die staat gewoon in de woonkamer van mijn broer, onze John.' Ik werd gek. Ik ben naar Nashville gevlogen, en mocht die Fender Esquire lenen. Ze staat hier nu net naast me in mijn bureau. Spannend, hè? Zéér. Ik, euh, moet u iets bekennen. Anderhalf jaar geleden was ik in Santa Monica, en de ochtend na de verkiezingen ben ik naar uw huis gereden. Cooder: Echt? Ha! Je durft. Ik stond voor uw poort, en zag een grote sticker: 'VOTE HILLARY'. Plots besefte ik: dit zou weleens de slechtste dag ooit kunnen zijn om Ry Cooder te storen. Cooder:(lacht) Daar vrees ik voor, ja. Ik wist dat Hillary zou verliezen. Mijn vrouw was er heel gerust op, maar ik zei haar: 'It's not gonna happen, you watch.' De reden is simpel: dit is het einde van de democratie, en het werd al lang voorbereid. Trumps winst is er niet van de ene dag op de andere gekomen, hij heeft het presidentschap niet eventjes meegegrist. Ze hebben hier jarenlang naartoe gewerkt. Als u zich op The Prodigal Son érgens boos over maakt, is het in Gentrification, over de vastgoedboom in LA: 'This building's been sold to Johnny Depp. Take the buyout, relocate.' Het viel me op hoezeer Santa Monica en Venice Beach in enkele jaren tijd veranderd zijn. De hippievibe is er nu wel helemaal uit. Cooder: Zéker in Venice, ja. Daar blijft bijna niets meer van over. De voorbije vijf jaar is de geschiedenis daar zowat weggeveegd. Eigenlijk is dat proces al aan de gang sinds de jaren vijftig, toen ze begonnen met de uitbreiding van downtown Los Angeles, maar de bouwwoede is nu oncontroleerbaar geworden. Het stadsbestuur heeft de hoogtebeperkingen opgeheven, dus nu begin je langs het strand van die grote blokken te zien. Afgrijselijk. U speelt in oktober in Oostende. Wacht maar tot u de Belgische kust ziet. Cooder: Is het daar ook van dat? Van die afschuwelijke buildings met designerwinkels beneden en luxeappartementen erboven? Schei toch uit. (windt zich op) En de burgemeester en zijn acolieten, die buigen als lakeien voor de projectontwikkelaars. Iedereen speelt met iedereen onder één hoedje, iedereen vult zijn zakken. Er is niets van het stranddorp over. Weet je, ik kom nog maar zelden buiten, hooguit eens naar de groenteman, naar de gitaarwinkel om snaren, of om te gaan zwemmen in de YMCA. Ik kan het gewoon niet aanzien wat er met mijn buurt is gebeurd. Die lange tournee zal u goed doen. Cooder: (veert op)Ik heb er zo'n zin in! Dit wordt goed. Ik moet echt van nul opnieuw beginnen. Wie doet dat nu in godsnaam op zijn 71e? De rest van de groep heeft zijn spullen al klaarstaan, die kunnen zo de hort op. Maar ik? Ik moet nog mijn gitaren laten afstellen, en mijn versterkers zijn stuk. Ik moet alles opnieuw kopen. Ik heb niet eens schoenen!