Hij had het beloofd aan zijn vader. Jacob Roggeveen, zoon van Arent Roggeveen, zou het mysterieuze Zuidland vinden. Hij zou de familie eeuwige roem bezorgen en toetreden tot de eregalerij van grote ontdekkingsreizigers.
...

Hij had het beloofd aan zijn vader. Jacob Roggeveen, zoon van Arent Roggeveen, zou het mysterieuze Zuidland vinden. Hij zou de familie eeuwige roem bezorgen en toetreden tot de eregalerij van grote ontdekkingsreizigers. Ergens in de Stille Oceaan, zo wisten vader en zoon, zou het moeten liggen. Terra Australis Incognita. Als cartograaf dacht vader dat het continent wel moest bestaan, als tegenwicht tegen de noordelijke landmassa's. En dan waren er nog de reisverslagen. De Portugees Pedro Fernandes de Queirós had het Zuidland beschreven als een paradijs op aarde, met vreedzame bewoners die smachtten naar het christendom. Er was zoet water, vruchtbare grond en - niet geheel onbelangrijk - er waren bergen aan zilver, goud en parels. Dus daar stond hij, veertig jaar na de dood van zijn vader, aan boord van zijn vlaggenschip Den Arend. Jacob was 62 jaar en was zijn belofte nooit vergeten. Met drie schepen, 70 kanonnen en 244 bemanningsleden vertrok hij op 1 augustus 1721 vanaf Texel. De bestemming: Zuidland. De oude admiraal hoopte geschiedenis te schrijven, maar kon nog niet vermoeden hoe. Jacob Roggeveen, zoon van Arent Roggeveen, zou geen nieuwe beschaving stichten. Hij zou een oude ontdekken. Op Paaszondag, 5 april 1722, hees een van Roggeveens schepen de prinsenvlag. Den Arend kwam langszij om te vragen wat er gezien was. Het antwoord: een klein eiland, aan stuurboord. Honderdduizenden jaren eerder was deze plek ontstaan, toen drie vulkanen aan elkaar groeiden. Met een oppervlakte van 163 vierkante kilometer vormt Paasch Eyland, zoals de Hollanders het zouden noemen, een stipje in een onmetelijke oceaan. De kans dat Roggeveen en zijn mannen erop zouden stuiten, was minuscuul. Maar het werd nog gekker: er woonden mensen. Talloze bewoners stonden de Hollanders op te wachten. Roggeveen begreep er niets van. Hoe waren zij hier gekomen? Hij zag geen zeewaardige boten. Nog raadselachtiger waren de massieve beelden van hoofden met gigantische torso's. Sommigen van die moais waren wel negen meter hoog. Tot op de dag van vandaag vormt dat kleine eiland in de Stille Oceaan misschien wel de meest geheimzinnige plek op aarde. De wildste theorieën hebben de ronde gedaan. De bewoners zouden afstammelingen van de Inca's zijn. De beelden zouden door reuzen van twaalf voet zijn opgericht. Of nee, ze moesten wel door buitenaardse wezens zijn neergezet. Het echte verhaal is minder spectaculair - maar niet véél minder. Dankzij DNA-onderzoek weten we nu dat het eiland al eeuwen vóór Roggeveen werd ontdekt door Polynesiërs, de Vikings van de Grote Oceaan. Hun moed grensde aan de waanzin. Waarschijnlijk waren ze vanaf de Gambiereilanden vertrokken, meer dan 2500 kilometer verderop. In open kano's. Tegen de wind in. En die moais? Toen de jonge antropologe Katherine Routledge in 1914 als een van de eerste Europeanen onderzoek deed op Paaseiland, waren de beelden overgroeid met onkruid, en soms in stukken gebroken. Hoe had dat kleine volk die beelden gemaakt en vervoerd? Het leefde op een eiland zonder bomen, en had het wiel niet eens uitgevonden (laat staan de hijskraan). 'De schaduw van de vertrokken bouwers beheerst dit land nog steeds', schreef Routledge in haar boek Het mysterie van Paaseiland. Op zoek naar antwoorden besloot Routledge de oudste bewoners te interviewen, die waren opgesloten in een leprakolonie. De ouderen vertelden haar verhalen van vroeger - verhalen die de rillingen over haar rug deden lopen. Lange tijd waren er twee stammen, de Langoren en de Kortoren. Nadat ze eeuwenlang in harmonie hadden samengeleefd, brak een gruwelijke oorlog uit. De Langoren vluchtten naar het oosten, waar ze zich ingroeven. De volgende ochtend werden ze van beide kanten aangevallen en in hun eigen kuil verbrand. En dat was nog maar het begin. In de jaren daarop begonnen de Paaseilanders elkaar op te eten. De oorzaak? Routledge kon er slechts naar gissen. Er moest íéts gebeurd zijn - iets waardoor deze beschaving zichzelf te gronde had gericht. En toen, in 1955, organiseerde de Noorse avonturier Thor Heyerdahl een expeditie naar Paaseiland. Heyerdahl was wereldberoemd. Hij had een paar jaar eerder met vijf vrienden een vlot gebouwd waarmee hij vanaf Callao in Peru 7000 kilometer had gevaren, om vervolgens op het eiland Raroia te pletter te slaan. Heyerdahl zag zijn tocht als hét bewijs voor zijn theorie dat Polynesië door de Inca's was bevolkt. Een theorie waar experts weinig in zagen, maar waarmee hij wel vijftig miljoen boeken verkocht. Hoe het ook zij: Heyerdahl was nu schatrijk en kon de expeditie naar Paaseiland financieren. Hij nam een paar vooraanstaande wetenschappers mee. Een van hen was de Amerikaan William Mulloy, die zijn leven zou wijden aan onderzoek op Paaseiland. 'Ik geloof geen ene meter van wat je gepubliceerd hebt', verzekerde hij Heyerdahl. Het duurde niet lang of de wetenschapper en de waaghals deden een spectaculaire ontdekking. Diep in een moeras vond hun team het stuifmeel van een onbekende boomsoort. Heyerdahl stuurde het naar Stockholm, waar het onder de microscoop van de paleobotanicus Olov Selling terechtkwam. Die Zweedse expert kwam al snel tot zijn conclusie: er moet ooit een groot bos op Paaseiland hebben gestaan. Zo vielen de puzzelstukjes op hun plaats. In 1974, een paar jaar voor zijn dood, publiceerde William Mulloy hét verhaal van Paaseiland, de moais en het lot van de bewoners. Een waarschuwing vooraf: het is geen vrolijk verhaal. Het was allemaal begonnen met die mysterieuze moais. Om de een of andere reden konden de Paaseilanders er geen genoeg van krijgen. Jaloerse stamhoofden wilden almaar grotere moais, steeds meer voedsel ging naar de bouwers, en steeds meer bomen werden omgehakt om de beelden te vervoeren. Maar eindeloze groei op een eindig eiland? Dat is waanzin. Uiteindelijk was er geen boom meer over, waardoor de grond erodeerde en de akkers minder opbrachten. Zonder houten kano's kon er niet meer worden gevist. De productie van de beelden stagneerde en de spanningen op het eiland groeiden. Er brak een oorlog uit tussen twee stammen, de Langoren en Kortoren waar Routledge al over schreef. Rond 1680 was er een grote veldslag waarbij de Langoren bijna werden uitgeroeid. De overgebleven Paaseilanders begonnen de moais om te gooien. Erger nog, ze zetten hun tanden in elkaar. Tot op de dag van vandaag vertellen de bewoners over het kannibalisme van hun voorouders. 'Het vlees van je moeder zit nog tussen mijn tanden' werd een populaire belediging. Archeologen hebben talloze obsidianen speerpunten of mata'a gevonden, hét bewijs van de ene na de andere slachting. Dus toen Jacob Roggeveen in 1722 aan wal ging, maakte hij kennis met een miserabel volkje. Er leefden nog maar een paar duizend mensen. Wie nu een bezoek brengt aan Rano Raraku, de steengroeve waar de moais werden uitgehouwen, krijgt het gevoel een halsoverkop verlaten werkplaats te betreden. Er liggen honderden beelden die nooit zijn afgemaakt. Mulloys analyse werd bevestigd door de ene na de andere wetenschapper. Uiteindelijk was het Jared Diamond, misschien wel de beroemdste geograaf ter wereld, die het treurige verhaal van Paaseiland in ons geheugen verankerde. In zijn bestseller Collapse (2005) zette hij de feiten nog eens op een rij: Paaseiland werd al vroeg bevolkt, rond het jaar 900. De bevolking moet zijn uitgegroeid tot wel 15.000 zielen. De productie en het vervoer van de steeds grotere beelden vereisten steeds meer mankracht, voedsel en hout. De beelden werden horizontaal vervoerd, op een houten slee. Die methode vereiste veel mankracht, veel bomen en een machtig stamhoofd dat de operatie overzag. Uiteindelijk was er geen boom meer over, waardoor de grond erodeerde en de landbouw stagneerde. Rond 1680 brak een burgeroorlog uit. Uiteindelijk veroorzaakten de bewoners hun eigen ondergang. Nu vraagt u zich misschien af: wat boeit mij die geschiedenis van Paaseiland? Waarom zou ik me verdiepen in wat er eeuwen geleden gebeurde op de meeste afgelegen plek op aarde? Het antwoord is simpel: dit verhaal gaat over ons. Want zeg nu zelf, de overeenkomsten zijn huiveringwekkend. Paaseiland is een stipje in de oceaan; de aarde is een stipje in de kosmos. De Paaseilanders hadden geen boten om te vluchten; wij hebben geen ruimteschepen om weg te komen. Paaseiland raakte ontbost en overbevolkt; onze wereld raakt vervuild en oververhit. De archeoloog Paul Bahn en zijn collega John Flenley winden er geen doekjes om: 'De begeerte van de mens kent geen grenzen', schrijven ze in hun boek Easter Island, Earth Island. 'Zijn egoïsme lijkt genetisch aangeboren.' Ziedaar: de grote les van Paaseiland. Die treurige geschiedenis is opgenomen in documentaires en romans, in encyclopedieën en rapporten, in academische artikelen en boeken voor een breder publiek - ik schreef er zelf nota bene over in mijn boek De geschiedenis van de vooruitgang. En ja, lange tijd dacht ik dat er weinig meer te vertellen was over Paaseiland.Toen maakte ik kennis met het werk van Jan Boersema. Hij is milieubioloog, maar de boekenkast van zijn werkkamer aan de Universiteit Leiden staat vol filosofie en geschiedenis. In zijn werk probeert hij de blik van de alfa en de bèta te combineren. Zo kon het gebeuren dat hij in 2001 een simpele ontdekking deed die lijnrecht inging tegen alles wat we over Paaseiland dachten te weten. Hij zocht voor zijn oratie meer informatie over Paaseiland en vroeg zich af of het reisverslag van Roggeveen nog bestond. Hij keek in de catalogus van de bibliotheek en zowaar, een halfuur later had hij het Dagverhaal der ontdekkings-reis op zijn bureau. 'Ik kon mijn ogen eerst niet geloven.' Boersema had gerekend op gruwelijke verhalen over oorlog en kannibalisme, maar dit was een vrolijk reisverslag. Jacob Roggeveen beschreef de Paaseilanders als sympathieke figuren. Ze zagen er gezond uit, met hun gespierde lijven en witte tanden. De eilanders bedelden niet om voedsel, maar boden het juist aan. Hun land zou 'uytnemend vrugtbaer' zijn. Goed, Paaseiland was niet het beloofde Zuidland, maar dat neemt niet weg dat Roggeveen het omschreef als een 'aards paradijs'. 'Dus toen dacht ik: wat is hier aan de hand?' zegt Boersema lachend. Hij was de eerste die serieus twijfelde aan het ondergangsverhaal. Al snel kwam hij achter dat het mysterie van Paaseiland een wetenschappelijke whodunit is. En dus moeten we als rechercheurs te werk gaan. We moeten de verklaringen van de getuigen nog eens checken, de alibi's van de Paaseilanders controleren, de tijdlijn zo precies mogelijk vaststellen, en de moordwapens opnieuw onder de loep nemen. Voor dat alles hebben we tal van disciplines nodig, alfa en bèta, van de geschiedenis tot de geologie, van de antropologie tot de archeologie. Laten we beginnen op de belangrijkste crime scene: die loopgraaf waar rond 1680 de Langoren zouden zijn uitgeroeid. Waar komt dat verhaal vandaan? Het begon natuurlijk met de herinneringen aan een grote veldslag, die Katherine Routledge in 1914 had opgetekend. Om te controleren of die echt had plaatsgevonden, begon de archeoloog Carlyle Smith in 1955 met opgravingen bij de bewuste loopgraaf. Hij liet twee monsters van houtskool testen. En zowaar: een daarvan werd gedateerd op 1676 (afgerond: 1680). Smith vond dat voldoende bewijs. En hoewel hij die conclusie later nuanceerde, hoewel andere archeologen concludeerden dat het monster tussen 1460 en 1817 moest worden gedateerd, hoewel geen menselijke resten werden gevonden, en hoewel geologen concludeerden dat de 'loopgraaf' op natuurlijke wijze was ontstaan, bleek de mythe van 1680 toch hardnekkig. Het verhaal wordt nog vreemder als we kijken naar het forensisch bewijs. Archeologen hebben inmiddels honderden skeletten van Paaseilanders bestudeerd. Hun conclusie: Roggeveen had gelijk. De bewoners waren behoorlijk gezond aan het begin van de achttiende eeuw. En dat massale geweld? Een team onder leiding van de forensisch antropoloog Douglas Owsley nam 469 schedels onder de loep. Zijn conclusie: er is geen enkele aanwijzing voor grootschalige oorlogvoering. De beruchte mata'a, dan? Waarschijnlijk waren het huis-tuin-en-keukenmesjes. Een onderzoeksteam onder leiding van de archeoloog Carl Lipo analyseerde er 400 en concludeerde dat ze te bot zijn om als wapens te hebben gediend. Als ze elkaar niet hebben afgeslacht, waar zijn die duizenden Paaseilanders dan gebleven? Bedenk: Roggeveen trof maar een paar duizend mensen aan, terwijl er eerder - volgens Jared Diamond - nog zo'n 15.000 moeten zijn geweest. Wat is hun alibi? Hier wordt het cruciaal om de tijdlijn van het drama zo precies mogelijk vast te stellen. Aanvankelijk dachten onderzoekers dat Paaseiland al vroeg was bevolkt, rond het jaar 900, of misschien zelfs 300. Maar de laatste dateringen komen op een later moment uit: rond het jaar 1100. Jan Boersema maakt vervolgens een simpel rekensommetje. Stel dat er in 1100 ongeveer honderd Polynesische zeevaarders aankwamen. En stel dat hun aantal met 0,5 procent per jaar groeide (dat is de maximumsnelheid in pre-industriële samenlevingen). Dan zouden er hoogstens 2200 bewoners zijn geweest toen Roggeveen het eiland ontdekte. Dat wil zeggen: die duizenden Paaseilanders die elkaar volgens Diamond hebben gemarteld, vermoord en opgegeten, hebben het ultieme alibi. Ze hebben nooit bestaan! Voor Diamond is het helder: het bos op Paaseiland is omgehakt door hebzuchtige bewoners die zo veel mogelijk moais wilden maken. Maar wie even rekent, begrijpt dat dat nergens op slaat. Boersema schat dat er hoogstens 15.000 bomen nodig waren om de standbeelden naar hun plaats te rollen. De vraag is dan: hoeveel bomen waren er? Het antwoord: miljoenen. De meeste moais bleven bovendien achter in Rano Raraku, de groeve waar ze werden uitgehouwen. Dat er talloze moais zijn 'achtergelaten', was de bedoeling. Het waren de 'wachters' van de groeve. Uiteindelijk zijn er 493 beelden vervoerd. Dat lijkt veel, maar bedenk: de Paaseilanders waren eeuwen alleen op de wereld. Dat betekent dat ze er hoogstens één of twee per jaar versleepten. Waarom ze het niet bij een stuk of tien mooie moais hielden? Boersema denkt dat er een eenvoudige verklaring is: verveling. 'Je hield op zo'n eiland gewoon heel veel tijd over.' Dan is er nog een probleem: we weten niet eens zeker of alle beelden wel op boomstammen naar hun plek zijn gerold. Carl Lipo en zijn collega Terry Hunt denken dat ze zijn 'gelopen'. Oftewel: ze zijn met touwen, verticaal, naar hun plaats gewaggeld. Voor die methode heb je minder mensen nodig, wat weer suggereert dat de Paaseilanders niet talrijk maar wel slim waren. Natuurlijk, ze hebben heel wat bomen omgehakt en verbrand. Misschien niet om de moais te vervoeren, maar wel voor het sap in hun kern, voor de landbouw en om kano's van te maken. Toch is er nog een belangrijkere verdachte: de Polynesische rat. Die knager werden rond 1100 door de eerste kolonisten meegebracht en kwamen pas écht aan in een aards paradijs. Op Paaseiland hadden ze geen natuurlijke vijanden. Ze konden de hele dag vreten en vrijen. We weten dat ratten zich in het lab iedere 47 dagen verdubbelen. Dat wil zeggen: één paar kan na drie jaar 17 miljoen nakomelingen hebben. Waarschijnlijk was dát de echte milieuramp op Paaseiland. Biologen vermoeden dat miljoenen ratten de zaden van de bomen opaten, waardoor het bos zich niet kon herstellen. En het wordt nog gekker. Waarschijnlijk was het verdwijnen van het bos niet eens zo'n probleem. Met iedere omgevallen boom was er namelijk meer ruimte voor de landbouw en minder voor de ratten. De archeologe Mara Mulrooney toont in een recente studie aan dat de voedselproductie omhoogging na de ontbossing. De Paaseilanders waren namelijk slimme tuinders. Zelfs áls er 15.000 mensen op het eiland zouden hebben geleefd, dan nóg zou er meer dan genoeg voedsel zijn geweest voor iedereen. Mulrooney: 'Misschien moeten we Paaseiland zien als hét voorbeeld van hoe menselijk vernuft kan resulteren in succes in plaats van mislukking.' Maar dat succes mocht niet veel langer duren. De echte ondergang van Paaseiland begon op 7 april 1722, twee dagen nadat Roggeveen het eiland had gezien. Die middag zagen de Hollanders een naakte man in een bootje. De Paaseilander was stevig gebouwd, had een donkere, getatoeëerde huid en droeg een sikje. Veel ouder dan vijftig kon hij niet zijn geweest. Eenmaal aan boord maakte hij een opgewekte indruk, zo zou Roggeveen later schrijven. De man verbaasde zich over 'de groote hoogten der masten, de dikte der touwen, de seylen, het canon, 't welk hij naeauwkeurig betastte, en voorts van alles wat hy sag'.Maar wat Roggeveen vooral bijbleef, was de vrolijkheid van de Paaseilander. Hij danste, hij zong, hij lachte. 'O dorroga! O dorroga!' riep hij steeds. Pas veel later zouden Europese onderzoekers vermoeden wat dat woord betekent: 'Welkom.' Het werd een bitter welkom. Roggeveen meerde aan met 134 man in drie boten en twee sloepen. Terwijl de bewoners een uitbundige en vrolijke indruk maakten, stelden de Hollanders zich op in slagorde. Ineens klonken er vier, misschien vijf schoten. ''t Is tijd, 't is tijd, geeft vuur!' klonk het. Nog dertig schoten volgden. De Paaseilanders vluchtten naar het binnenland en lieten een stuk of tien doden achter. Een van hen was de vrolijke man die 'O dorroga!' had geroepen. Roggeveen was woest op zijn bemanning, maar over een straf lezen we niets in zijn journaal. Bij het vallen van de avond wilde hij er weer vandoor. Roggeveen had een missie - hij moest en zou het Zuidland vinden. Uiteindelijk zou het 48 jaar duren voordat Paaseiland weer bezoek kreeg. De expeditie onder leiding van don Felipe González plantte drie houten kruisen, hees de Spaanse vlag en claimde het eiland in naam van de maagd Maria. De Paaseilanders vonden het prima. 'Er was niet het minste vertoon van vijandigheid', schreven de veroveraars in hun logboek. Nog eens vier jaar later, in 1774, kwamen de volgende bezoekers: de Engelsen onder leiding van James Cook. Hij was de man die zou aantonen dat het mysterieuze Zuidland nooit heeft bestaan. Terwijl Roggeveen al was vergeten, trad Cook toe tot de eregalerij van grote ontdekkingsreizigers. Misschien is dat ook waarom vrijwel alle doemdenkers zo veel waarde hebben gehecht aan zijn verslag. Hij was de eerste die berichtte over de omgevallen moais. En belangrijker nog: hij zou de bewoners als 'klein, dun, timide en ellendig' beschreven hebben. 'Zou beschreven hebben', inderdaad, want een onderzoeker aan de Universiteit van Toronto, die de verslagen van Cook nog eens analyseerde, heeft dat citaat nergens terug kunnen vinden. Integendeel, Cook beschreef de Paaseilanders als 'levendig en actief, goed gevormd, geen onaangenaam gelaat, en vriendelijk en gastvrij voor vreemden'. Waar komt zijn vernietigende oordeel dan vandaan? Een oorspronkelijke bron noemt Jared Diamond niet. En dus ben ik zelf op zoek gegaan. Na een dag in de bibliotheek vond ik het, in een stoffig boek dat werd gepubliceerd in 1961. Onderwerp: de Noorse expeditie naar Paaseiland. De auteur: niemand minder dan Thor Heyerdahl. Inderdaad, Cooks 'citaat' kwam van de avonturier die er nogal wilde ideeën op nahield. Diezelfde Heyerdahl had net een bestseller gepubliceerd waarin hij fantaseerde dat het eiland eerst door langorige Inca's was bevolkt, om vervolgens door kortorige kannibalen uit Polynesië te zijn overspoeld. En diezelfde Heyerdahl schreef nu over 'vernietigde akkers' en een 'oorlogszuchtig volk'. Zo worden mythes geboren. Voor ons blijft nog één mysterie over: wat is er dan wel met de Paaseilanders gebeurd? Waarom hebben ze die prachtige beelden, de trots van hun voorvaderen, vernield? Voor het antwoord moeten we terug naar het verslag van Jacob Roggeveen. Bedenk: eeuwenlang geloofden de Paaseilanders dat ze alleen op de wereld waren. Niet toevallig was de blik van de moais naar binnen gericht, niet in de richting van de zee maar in de richting van het land. En toen, na jaren van rust, verschenen er enorme schepen aan de horizon. Wat zouden de Paaseilanders hebben gedacht van de Hollanders? Waren het goden, misschien? Vervolgens kwamen de Spanjaarden, die met veel bombarie aan wal gingen. Ze organiseerden een plechtige tocht, met trommels en vlaggen, waarna drie ereschoten uit hun kanonnen dreunden. Is het erg verrassend dat die gebeurtenissen een grote impact hadden op het wereldbeeld van de Paaseilanders? Roggeveen had nog bewoners gezien die voor de moais knielden, maar Cook noteerde dat de beelden geen idolen meer waren. Sterker nog, de bewoners 'repareerden niet eens de funderingen' van de exemplaren die bijna omvielen. Waarom de beeldencultuur vervaagde, zullen we nooit precies weten. Maar er zijn twee opties die elkaar niet uitsluiten. In de eerste plaats kan er behoefte zijn geweest aan iets nieuws. Na de ontbossing was het moeilijker om nieuwe moais te vervoeren, en dus was er iets anders nodig om de tijd te doden. Zo ontstond de 'vogelmancultuur': een jaarlijkse wedstrijd tussen jonge mannen die, namens hun stam, het eerste ei van de bonte stern probeerden te bemachtigen. In de tweede plaats zijn er aanwijzingen voor het ontstaan van een zogenoemde 'cargocult'. Oftewel: een obsessie met westerlingen en hun spullen. Vervolgens bouwden de Paaseilanders een huis in de vorm van een Europees schip, legden stenen heuvels aan in de vorm van schepen, en voerden rituelen uit waarin ze Europese zeelui naspeelden. Waarschijnlijk hoopten ze dat de buitenlandse goden op die manier zouden terugkomen. En terugkomen zouden ze, maar dit keer kwamen ze iets halen. De Paaseilanders zelf, om precies te zijn. Op een zwarte dag in 1862 verscheen het eerste slavenschip aan de horizon. Officieel was de slavernij afgeschaft in Peru, maar dat betekende niet dat de vraag om goedkope arbeid was verdwenen. En Paaseiland was een ideaal doelwit: het lag afgelegen, had een gezonde bevolking, en geen van de grootmachten had het bezet. Uiteindelijk zouden zestien schepen 1407 Paaseilanders meenemen - een derde van de bevolking. Ze werden gelokt onder valse voorwendselen of met geweld gedwongen. In Peru stierven ze bij bosjes. Ze kwamen om in de mijnen, waar ze werden afgebeuld of bezweken aan infectieziektes. Ondertussen kwam een groot protest op gang. Onder internationale druk besloot de Peruaanse overheid de overlevenden terug te sturen naar hun thuisland, en begon ze te verzamelen in de havenstad Callao. Uiteindelijk stonden een paar honderd Paaseilanders te wachten op de kade. Maar er was te weinig te eten, en erger nog: in dezelfde haven lag een Amerikaanse walvisvaarder met één bemanningslid dat de pokken had. Een epidemie brak uit. Tijdens de lange reis naar Paaseiland moesten er dagelijks lijken overboord worden gegooid. Uiteindelijk kwamen slechts 15 van de bevrijde slaven levend terug. Maar het was beter geweest als ook zij het leven hadden gelaten. Een van hen droeg het pokkenvirus namelijk nog bij zich en verspreidde de ziekte over het eiland. Toen was het echt afgelopen met Paaseiland. Voor het eerst zagen Europese bezoekers bewoners die elkaar in de haren vlogen. Een Franse kapitein schreef over bergen botten en schedels. De inwoners waren wanhopig - tientallen pleegden zelfmoord door van een klif af te springen. Toen de epidemie eindelijk voorbij was, in 1877, waren er nog 110 Paaseilanders over - ongeveer evenveel als er achthonderd jaar eerder aan wal waren gegaan. Tradities waren verloren, rituelen vergeten, een cultuur vernietigd. Dan nu de slotsom: wat blijft er over van het oude verhaal? Vrijwel niets. Er was geen oorlog, geen hongersnood, geen kannibalisme. De ontbossing maakte het eiland niet schraler maar productiever. Die veldslag rond 1680 heeft nooit plaatsgevonden, de echte ondergang kwam pas na 1860. De buitenlanders troffen geen ruïne aan; ze maakten er een. Het échte mysterie van Paaseiland, de échte vraag is waarom zo veel slimme mensen, om te beginnen de degelijke archeoloog William Mulloy, zo'n deprimerende mythe de wereld in hebben geholpen. Het antwoord staat boven het essay waarin Mulloy, in 1974, als eerste de ecologische ondergangstheorie uit de doeken deed. Hij begint met een berucht citaat van zijn landgenoot Paul Ehrlich: 'De strijd om de mensheid te voeden is voorbij. In de jaren zeventig zullen er honderden miljoenen mensen uithongeren, wat voor noodmaatregelen we ook nemen.' Bron: The Population Bomb uit 1968. Bereik: 2 miljoen verkochte exemplaren. Mulloy was zwaar onder de indruk van Ehrlichs voorspelling. Ook het rapport van de Club van Rome uit 1972, De grenzen aan de groei (30 miljoen verkochte exemplaren), kwam hard bij hem aan. Die internationale groep van wetenschappers voorspelde dat onze beschaving in de eenentwintigste eeuw zou instorten. Het liep anders. Paul Ehrlich en de Club van Rome hadden geen rekening gehouden met de Groene Revolutie: het technologische wonder waardoor de landbouw veel productiever werd. 'Er is een onvermogen om te erkennen dat naast problemen ook oplossingen exponentieel kunnen groeien', verzucht professor Boersema. Precies hetzelfde gebeurde op Paaseiland. Toen de bomen verdwenen, kwamen de bewoners met nieuwe landbouwtechnieken die nog meer voedsel opleverden. Het echte verhaal van Paaseiland is, kortom, een verhaal van veerkracht en vernuft. Het is geen tijding van onheil, het is een bron van hoop. De duizend moais laten zien dat we bergen kunnen verzetten - samen.