Het woord duikt al op in de eerste zin van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948). Ook staat het in het voorwoord van het Handvest van de Verenigde Naties (1945). En niet minder dan zeven keer is het terug te vinden in de anderhalve bladzij tekst die ten grondslag ligt aan de Europese gedachte en waarmee in 1951 de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (egks) een feit werd. Dat woord is 'vrede'.

Tegenwoordig geeft dit woord bij degenen die het horen vaak een wat ongemakkelijk gevoel, een zekere gêne haast. Het merendeel van onze tijdgenoten zet het liever tussen aanhalingstekens of durft het alleen in het Engels te gebruiken, bij voorkeur als er sprake is van blauwhelmen ergens ver weg: peacekeeper, peace-maintenance, peace-forces.

Vrede is een woord dat ons terugvoert naar de late jaren veertig van de vorige eeuw, toen er een nieuwe wereldorde in de steigers stond. Of naar de jaren tachtig, toen miljoenen mensen demonstreerden tegen kernwapens. Maar tegenwoordig roept het niet zoveel op.

Nochtans hebben de gebeurtenissen van de afgelopen jaren - terrorisme, migratie, vreemdelingenhaat, polarisatie - oorlog en geweld, en dus het verlangen naar vrede, opnieuw in het hart van onze samenleving gebracht.

En daar staan we ineens: onhandig, klungelig, de kluts kwijt. We willen vrede, maar weten niet hoe die te bereiken. We zien het verband niet tussen politieke vrede en innerlijke vrede. We denken dat vrede uit de lucht komt vallen, of alleen van buiten komt, dat vrede vooral afhangt van politiek optreden en economische omstandigheden.

In onze boekhandels zien we aan de ene kant het schap 'politiek en geschiedenis' en aan de andere het schap 'persoonlijke ontwikkeling', waarbij dat laatste wordt beschouwd als 'vrouwelijker', meer privé, meer roze en dus ver weg van de 'echte' wereld.

We hebben de wereld zo opgedeeld in buiten en binnen dat we ons de vrede niet meer kunnen voorstellen. Maar ons de oorlog voorstellen en hem voorbereiden lukt ons stukken beter.

'Wie vrede wil, bereidt de oorlog voor,' zegt een Latijnse spreuk. Zo zijn we geprogrammeerd, dat stuurt onze pavlovreacties. Het gevolg is dat we vaak oorlog krijgen. Daartoe hebben we een minister en een ministerie, een ambtenarij en een ambtenarenapparaat, een elitekorps, aanzienlijke middelen voor werving, training, communicatie, spionage en wetenschappelijk onderzoek, en uitgebreide verslagen van dat alles in de media. En natuurlijk beschikken we over een historische legitimering: 'Zo doen we het nu eenmaal...'

De lidstaten van de EU besteden per jaar ongeveer 186 miljard euro aan hun defensie. Als we alle legers van Europa bij elkaar optellen, komen we op een totaal van 1,4 miljoen soldaten, plus 400.000 burgers die werkzaam zijn voor het leger. Bijna twee miljoen mensen in dienst van de oorlog, en dan hebben we het nog niet over de wapenhandel...

Oorlog voeren, ja, we weten hoe dat moet. En vrede? Wanneer, waar en hoe leren we te 'weten hoe dat moet'? Waar is de minister, het ministerie en het personeel dat belast is met de organisatie van programma's en training, logistieke steun en media-aandacht? Waar zijn de budgetten, de werving, de steun voor onderzoek en voor internationale uitwisseling? En vooral, wie neemt het in de hoogste kringen op zich om vredesonderricht, op school en in het volwassenonderwijs, wettelijk vast te leggen?

Een van ons twee, Thomas, heeft nog de kans gehad een 'degelijke' militaire dienst mee te maken. Een onthullende menselijke ervaring, maar een dienstplicht voor vrede was er niet.

'Omdat ik altijd van sport en het buitenleven heb gehouden, heb ik na mijn rechtenstudie veertien maanden dienst genomen als officier bij de paracommando's. Daar heb ik iets geleerd wat me nog elke dag van pas komt: boven alle verwachtingen kunnen we onze angstvallige ideeën over onszelf en het leven leren overwinnen, en het ongelooflijke potentieel dat in ons schuilt ontdekken. We beschikken over ongekend grote mogelijkheden en vermogens om te leren en ons aan te passen. Anderzijds: veertien maanden om te leren hoe je oorlog voert! Stel je voor wat we zouden winnen als we een paar maanden konden leren hoe je vrede maakt...'

Vrede kun je leren (oorspronkelijke titel La paix, ça s'apprend! van David Van Reybrouck en Thomas d'Ansembourg, 96 pagina's, € 12,50, isbn 978 90 234 8151 5, wordt uitgegeven bij De Bezige Bij. 15 mei organiseerde Knack samen met De Roma een dubbele boekvoorstelling van het boek samen met het nieuwe boek van Mohamed El Bachiri.

Het woord duikt al op in de eerste zin van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948). Ook staat het in het voorwoord van het Handvest van de Verenigde Naties (1945). En niet minder dan zeven keer is het terug te vinden in de anderhalve bladzij tekst die ten grondslag ligt aan de Europese gedachte en waarmee in 1951 de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (egks) een feit werd. Dat woord is 'vrede'.Tegenwoordig geeft dit woord bij degenen die het horen vaak een wat ongemakkelijk gevoel, een zekere gêne haast. Het merendeel van onze tijdgenoten zet het liever tussen aanhalingstekens of durft het alleen in het Engels te gebruiken, bij voorkeur als er sprake is van blauwhelmen ergens ver weg: peacekeeper, peace-maintenance, peace-forces.Vrede is een woord dat ons terugvoert naar de late jaren veertig van de vorige eeuw, toen er een nieuwe wereldorde in de steigers stond. Of naar de jaren tachtig, toen miljoenen mensen demonstreerden tegen kernwapens. Maar tegenwoordig roept het niet zoveel op.Nochtans hebben de gebeurtenissen van de afgelopen jaren - terrorisme, migratie, vreemdelingenhaat, polarisatie - oorlog en geweld, en dus het verlangen naar vrede, opnieuw in het hart van onze samenleving gebracht.En daar staan we ineens: onhandig, klungelig, de kluts kwijt. We willen vrede, maar weten niet hoe die te bereiken. We zien het verband niet tussen politieke vrede en innerlijke vrede. We denken dat vrede uit de lucht komt vallen, of alleen van buiten komt, dat vrede vooral afhangt van politiek optreden en economische omstandigheden.In onze boekhandels zien we aan de ene kant het schap 'politiek en geschiedenis' en aan de andere het schap 'persoonlijke ontwikkeling', waarbij dat laatste wordt beschouwd als 'vrouwelijker', meer privé, meer roze en dus ver weg van de 'echte' wereld.We hebben de wereld zo opgedeeld in buiten en binnen dat we ons de vrede niet meer kunnen voorstellen. Maar ons de oorlog voorstellen en hem voorbereiden lukt ons stukken beter.'Wie vrede wil, bereidt de oorlog voor,' zegt een Latijnse spreuk. Zo zijn we geprogrammeerd, dat stuurt onze pavlovreacties. Het gevolg is dat we vaak oorlog krijgen. Daartoe hebben we een minister en een ministerie, een ambtenarij en een ambtenarenapparaat, een elitekorps, aanzienlijke middelen voor werving, training, communicatie, spionage en wetenschappelijk onderzoek, en uitgebreide verslagen van dat alles in de media. En natuurlijk beschikken we over een historische legitimering: 'Zo doen we het nu eenmaal...'De lidstaten van de EU besteden per jaar ongeveer 186 miljard euro aan hun defensie. Als we alle legers van Europa bij elkaar optellen, komen we op een totaal van 1,4 miljoen soldaten, plus 400.000 burgers die werkzaam zijn voor het leger. Bijna twee miljoen mensen in dienst van de oorlog, en dan hebben we het nog niet over de wapenhandel...Oorlog voeren, ja, we weten hoe dat moet. En vrede? Wanneer, waar en hoe leren we te 'weten hoe dat moet'? Waar is de minister, het ministerie en het personeel dat belast is met de organisatie van programma's en training, logistieke steun en media-aandacht? Waar zijn de budgetten, de werving, de steun voor onderzoek en voor internationale uitwisseling? En vooral, wie neemt het in de hoogste kringen op zich om vredesonderricht, op school en in het volwassenonderwijs, wettelijk vast te leggen?Een van ons twee, Thomas, heeft nog de kans gehad een 'degelijke' militaire dienst mee te maken. Een onthullende menselijke ervaring, maar een dienstplicht voor vrede was er niet.'Omdat ik altijd van sport en het buitenleven heb gehouden, heb ik na mijn rechtenstudie veertien maanden dienst genomen als officier bij de paracommando's. Daar heb ik iets geleerd wat me nog elke dag van pas komt: boven alle verwachtingen kunnen we onze angstvallige ideeën over onszelf en het leven leren overwinnen, en het ongelooflijke potentieel dat in ons schuilt ontdekken. We beschikken over ongekend grote mogelijkheden en vermogens om te leren en ons aan te passen. Anderzijds: veertien maanden om te leren hoe je oorlog voert! Stel je voor wat we zouden winnen als we een paar maanden konden leren hoe je vrede maakt...'