In een opiniestuk over de plaats van het Afrikaans aan de hedendaagse Zuid-Afrikaanse universiteiten zingen Yves T'Sjoen en Wannie Carstens de lof van de Afrikaanse taal en cultuur. Zij onderstrepen de levendigheid en de veerkracht ervan in theater, literatuur en muziek.

Het is dan ook begrijpelijk - en waarom niet, zelfs wenselijk - dat er ook bij ons voldoende aandacht wordt besteed, zowel binnen als buiten de universiteit, aan deze cultuur die zo verwant is met de Vlaamse en Nederlandse cultuur.

Neen, Zuid-Afrikaanse universiteiten schenden geen mensenrechten met hun taalbeleid.

Maar voor T'Sjoen en Carstens is deze terechte lofzang slechts een opstapje om een andere problematiek aan te kaarten. Volgens hen wordt het Afrikaans aan de Zuid-Afrikaanse universiteiten systematisch en doelbewust verdrongen door universiteitsbestuurders. Deze verdringing gebeurt ten voordele van het Engels dat gepromoot wordt als het universele medium voor het hoger onderwijs.

Zij vergelijken deze situatie met de strijd aan Nederlandse en Vlaamse universiteiten voor het behoud van het Nederlands als onderwijstaal. In de lage landen heeft het verzet nog een kans van slagen en is de strijd in ieder geval nog niet verloren. Sinds het bestuur van de Universiteiten van Stellenbosch en Pretoria beslisten - weliswaar met de steun van de grote meerderheid van studenten en wetenschappelijke staf - om voortaan geen lessen meer in het Afrikaans aan te bieden, lijkt deze strijd in Zuid-Afrika verloren. Het fundamenteel (mensen)recht om onderwijs te krijgen in de eigen taal wordt zo brutaal met de voeten getreden.

Vreemd genoeg gaat het in tekst van T'Sjoen en Carstens alleen over Afrikaanssprekende jongeren wiens rechten worden geschonden. Kent Zuid-Afrika dan geen elf erkende talen? Worden de grondrechten van wie deze talen spreekt dan niet evenzeer geschonden? Aan de historisch bevoorrechte Zuid-Afrikaanse Universiteiten zoals bijvoorbeeld de Universiteit van Pretoria was Afrikaans tot het einde van apartheid de voertaal voor het onderricht. Na het einde van apartheid werd de Universiteit van Pretoria tweetalig. Hoe had men anders zwarte studenten kunnen aantrekken? Hoe zou de noodzakelijke transformatie anders ooit een aanvang hebben kunnen nemen? De meeste zwarte studenten spreken immers geen Afrikaans en hebben er ook geen enkel belang bij om het te leren.

Zuid-Afrikaanse universiteiten hebben het financieel erg moeilijk en staan voor uitzonderlijke uitdagingen die ze met beperkte middelen moeten realiseren. De vraag om het Afrikaans, naast het Engels, als onderwijstaal te behouden leidt onvermijdelijk tot een verspilling van middelen (lessen moeten twee keer gegeven worden, extra lokalen zijn nodig...) die beter elders kunnen worden ingezet. Het valt niet in te zien waarom blanke, Afrikaanssprekende studenten in kleine(re) groepen zouden moeten onderwezen worden, terwijl hun zwarte collega's in overvolle zalen worden gepropt. Men moet bovendien toch een merkwaardig gebrek aan historisch inzicht en aanvoelen hebben om niet onmiddellijk te begrijpen welke duistere herinneringen dit bij de meerderheid van de bevolking oproept.

Men zou natuurlijk kunnen opwerpen dat het helemaal niet de bedoeling is om het Afrikaans en Afrikaanstaligen te bevoordelen. Men zou kunnen zeggen dat elke taalgroep die dit wenst hoger onderwijs in de eigen taal moet kunnen krijgen. Men moet evenwel geen helderziende zijn om te beseffen dat dit zowel om academische als financiële redenen niet mogelijk is. De vraag wordt dan wat een bevoorrechte plaats voor het Afrikaans in de Zuid-Afrikaanse context zou rechtvaardigen. Waarom zou men voor het Afrikaans doen wat men niet doet of kan doen voor het isiXhosa of het isiZulu? We kunnen geen enkele reden bedenken.

T'Sjoen en Carstens noemen (hoger) onderwijs in de eigen taal een fundamenteel mensenrecht. Laten zij zich hier niet al te veel door hun nationalistisch enthousiasme meeslepen? Dat onderwijs een mensenrecht is lijkt ons meer dan verdedigbaar, maar dat dit ook in de eigen taal moet gebeuren (zelfs in het hoger onderwijs) is dat al heel wat minder. Dit hangt ongetwijfeld af van materiële mogelijkheden (of het gebrek daaraan) en de historische omstandigheden waarin deze vraag wordt gesteld. Zoals er goede redenen zijn (ook al zijn ze natuurlijk niet dwingend) waarom in West-Afrika de onderwijstaal vaak het Frans is, zo zijn er goede redenen om in Zuid-Afrika voor het Engels te kiezen. Alleen zo kan de staat de beperkte middelen zo efficiënt mogelijk inzetten om een zo gelijk mogelijke toegang voor alle studenten proberen te realiseren. In de nadagen van apartheid is dit wel het minste wat men kan vragen.

Daarnaast staat het in Zuid-Afrika overigens iedereen vrij om onderwijs in de eigen taal te organiseren indien men hiertoe de nodige middelen kan verzamelen. De oprichting van Akademia - een Afrikaanstalige instelling voor Hoger Onderwijs die zich systematisch uitbreidt - getuigt hiervan. Men moet dus ook niet te snel beweren dat de vrijheid om in de eigen taal onderwijs te krijgen in Zuid-Afrika met de voeten wordt getreden.

Zoals er goede redenen zijn (ook al zijn ze natuurlijk niet dwingend) waarom in West-Afrika de onderwijstaal vaak het Frans is, zo zijn er goede redenen om in Zuid-Afrika voor het Engels te kiezen.

Uit dit alles volgt onvermijdelijk dat de vergelijking van de strijd voor het Afrikaans met de strijd voor het Nederlands aan de universiteiten in de lage landen niet vanzelfsprekend is. Maar T'Sjoen en Carstens maken het helemaal te bont wanneer ze de derde Afrikaanse taalbeweging op een lijn zetten met de Vlaamse taalstrijd. Men moet geen nationalist zijn om de historische legitimiteit van de Vlaamse taalstrijd in te zien. Deze laatste vond haar oorsprong in een geschiedenis van vernedering, verdrukking en sociale uitsluiting. Zij was in het bijzonder gericht tegen een Franstalige bourgeoisie die de instellingen van het land (waaronder de universiteiten) controleerde ten nadele van een Vlaamse meerderheid. Moet de Afrikaner elite dan niet eerder met Belgische Franstalige bourgeoisie uit het 'Belgique à papa' vergeleken worden die na de tweede wereldoorlog progressief haar greep op de staat verloor? En zo ja, herinnert de strijd om een bevoorrechte positie voor het Afrikaans te behouden niet aan de strijd in de zestiger jaren om bijvoorbeeld een Franstalige universiteit te behouden in Leuven? Dat waren achterhoedegevechten van een elite die haar privileges aan het verliezen was...

Philippe Van Haute is hoogleraar Wijsgerige Antropologie aan de Radboud Universiteit en bijzonder hoogleraar Wijsbegeerte aan de Universiteit van Pretoria. Leonard Praeg is departementshoofd Wijsbegeerte aan de Universiteit van Pretoria. Emma Ruttkamp-Bloem is hoogleraar Wijsbegeerte aan de Universiteit van Pretoria. Ulrike Kistner is hoogleraar Wijsbegeerte aan de Universiteit van Pretoria.