Leopold II en zijn aanhangers geloofden dat een kolonie reusachtige winsten zou opleveren. Opbrengsten uit Congo zouden van het onbeduidende België een grootse natie maken. Kosten noch moeite werden daarom gespaard om Leopolds koloniale plannen te realiseren. De Association Internationale du Congo deed meer dan het Congobekken in kaart brengen. Leopold gebruikte het wetenschappelijke instituut als dekmantel om Congo te bezetten. De werking van de AIC kostte handenvol geld. De koning gaf meer dan elf miljoen frank uit aan ontdekkingsexpedities en het uitrusten van wetenschappelijke posten. Daardoor zat de koning krap bij kas toen zijn Vrijstaat eindelijk het leven zag in 1885. Congo zou echter nog veel grotere inspanningen vergen van de vorst.

De Vrijstaat moest van nul opgebouwd worden. De takenlijst was lang: staatsposten bouwen, ambtenaren aanwerven, een leger uitrusten, stoomboten kopen, voorraden inslaan, veroveringsexpedities organiseren, ... De kosten stegen snel, alle besparingsmaatregelen ten spijt. Tegelijkertijd had de pasgeboren kolonie amper inkomsten. Op economisch vlak presteerde Congo slechter dan verwacht. Op wat ivoor na produceerde Congo weinig. Belastingen innen was niet vanzelfsprekend met beperkte middelen. Bovendien vreesde Leopolds administratie dat hoge belastingen investeerders zouden wegjagen.

De Vrijstaat was een budgettaire catastrofe. Leopold betaalde de koloniale rekeningen. Al snel kwam het water hem tot aan de lippen. De vorst verkocht een deel van zijn vastgoed- en aandelenportefeuille en leende geld in eigen naam. Het faillissement van koning en kolonie lonkte. In 1889 klopte Leopold noodgedwongen aan bij de Belgische overheid. Die leende hem 25 miljoen frank om zijn koloniale project weer op de rails te krijgen. België dreigde echter Congo over te nemen indien Leopold zijn financiën niet op orde kreeg.

Leopold had gezwoegd om zijn koloniale droom te verwezenlijken. Plots dreigde hij alles te verliezen. Koortsachtig zocht hij een oplossing. De administratie moest nog meer besparen. Bedrijven zouden meer belastingen betalen. De Congolese bevolking moest in natura belast worden. Een concessiesysteem zou de economie aanzwengelen en geld in het laatje brengen.

Geen van Leopolds maatregelen deed het tij keren. In 1895 vroeg de vorst België nogmaals om hulp. Een nieuwe lening van zeven miljoen frank moest zijn schuldeisers op afstand houden. In het parlement volgde een stemming om Congo over te nemen. De meerderheid stemde voorlopig tegen. Niemand wilde België opzadelen met een 'gedoemde' kolonie. Gelukkig voor Leopold kwam in 1896 de ommekeer.

Gered door rubber

Aan het begin van de 20ste eeuw kende rubber steeds meer industriële toepassingen. Een goed voorbeeld is de opblaasbare rubberband van Dunlop. Toen de Verenigde Staten en Europa ontwaakten uit de Lange Depressie, die duurde van 1873 tot 1896, steeg de vraag naar rubber pijlsnel. Prijzen piekten. Voor Leopold braken eindelijk goede tijden aan. De Vrijstaat beschikte immers over gigantische rubberreserves.

Rubber redde Leopolds koloniale project. Gedaan met de jaarlijkse overheidstekorten. De Congolezen werden belast in rubber. In Antwerpen leverde de verkoop van dat product aanzienlijke inkomsten op. Daarnaast betaalden de concessiemaatschappijen riante dividenden aan de koloniale overheid. De bedrijven boekten immers grote winsten. Ze dwongen Congolezen om voor een habbekrats rubber te produceren en verkochten de oogst tientallen keren duurder in het Westen.

Nieuwe schulden

Dankzij de bloei van de rubbersector ging het de Vrijstaat voor de wind na 1896. Maar Leopolds kolonie zelf bleef arm. De koning gebruikte een deel van de Congolese rubberopbrengsten om zijn schulden af te lossen. Ook breidde hij zijn aandelenportefeuille en patrimonium opnieuw uit. Daarbovenop bouwde Leopold letterlijk aan de Belgische toekomst. De koning wilde koste wat het kost zijn stempel drukken op steden als Oostende, Antwerpen en Brussel. Met dat doel voor ogen financierde hij de constructie of renovatie van menig monument.

Opbrengsten uit Congo volstonden niet om Leopolds plannen te realiseren. Hij leende opnieuw miljoenen franken, dit keer in naam van de Vrijstaat. Slechts een fractie van die leningen werd daadwerkelijk in Congo geïnvesteerd. De klachten van de koloniale administratie over het gebrek aan middelen vielen bij de koning in dovemansoren. In 1908 liet Leopold België een kolonie na met een schuld van meer dan 110 miljoen frank. Toen de Congolese rubbereconomie in 1910 begon te sputteren, werd die torenhoge last al snel ondraaglijk.

Dit artikel maakt deel uit van Congo - Meer dan een kolonie, een speciale uitgave van Knack Historia. Bestel de volledige editie hier.

Het Concessiesysteem

Economisch en fiscaal deed Kongo-Vrijstaat het slecht. Daarom ontwikkelde Leopold II een concessiesysteem. Een concessie was een gebied dat de Vrijstaat leasede aan een Europees bedrijf. In dat territorium hadden concessiebedrijven een monopolie op de handel in tropische gewassen, zoals rubber. Met dat systeem sloeg de Vrijstaat twee vliegen in één klap. Het concessiesysteem moedigde bedrijven aan om te investeren in Congo. Een handelsmonopolie betekende namelijk meer winst. Als enige inkoper bepaalden de bedrijven de prijs voor Congolese producten. De Vrijstaat pikte bovendien een graantje mee. De overheid kreeg de helft van de winst die concessiemaatschappijen boekten.

Rubber werd geoogst van lianen in de jungle. © AP.0.0.304, collectie KMMA Tervuren; foto F.L. Michel, 1897

Wild rubber

Congolees rubber kwam niet van plantages. Het product werd afgetapt van de landophilia. Die slingerplant kwam op veel plaatsen in de Congolese jungle voor. Het productieproces was simpel maar inefficiënt. De Congolezen maakten een inkeping in de liaan, vingen het witte sap van de plant op en lieten het stollen tot rubber. Na 1910 werd Congolees rubber weggeconcurreerd door plantagerubber uit Zuidoost-Azië. Dat rubber was goedkoper en beter.