Onder president Donald Trump luidde de kritiek dat de Verenigde Staten niet met de rest van de wereld wilden samenwerken. Nu, onder Joe Biden, lijkt het erop dat de wereld niet meer met de VS wil samenwerken, of toch nauwelijks in de meest heikele dossiers, zoals het beantwoorden van de Chinese opmars en wapenbeheersing. Na drie decennia van dominantie zit Amerika in het defensief en treft het weinig helpende handen aan.
...

Onder president Donald Trump luidde de kritiek dat de Verenigde Staten niet met de rest van de wereld wilden samenwerken. Nu, onder Joe Biden, lijkt het erop dat de wereld niet meer met de VS wil samenwerken, of toch nauwelijks in de meest heikele dossiers, zoals het beantwoorden van de Chinese opmars en wapenbeheersing. Na drie decennia van dominantie zit Amerika in het defensief en treft het weinig helpende handen aan. Men moet het president Biden nageven: op de leeftijd van 78 de ene slopende topontmoeting na de andere, een top met het Verenigd Koninkrijk, de G7, de NAVO, onze koning en de Europese instellingen, om af te sluiten in Genève voor een stevig onderhoud met Vladimir Poetin. Hoe meer Biden zijn vermoeidheid probeerde weg te lachen, hoe meer die vermoeidheid merkbaar werd tijdens persconferenties en aan de vergadertafel. De moeite waarmee de president zich over het diplomatieke schouwtoneel sleept, lijkt bijna een verpersoonlijking voor de moeite waarmee Amerika stand probeert te houden tegenover zijn concurrenten in de wereld. Terwijl Biden zijn gesprekspartners met handen en voeten probeert uit te leggen dat China een geduchte uitdaging vormt voor de democratie, de economische orde en de militaire machtsbalans - lees: de centrale rol van het Westen - namen drie Chinese astronauten triomfantelijk hun intrek in het nieuwe Chinese ruimtestation. Als signaal kon dat tellen. Tijdens de G7-top namen de Amerikanen het voortouw in een financieel initiatief om weerwerk te bieden tegen de nieuwe Chinese zijderoute, de BRI (Belt and Road Initiative). Maar veel verder dan het herverpakken van bestaande projecten kwam het niet. Build Back Better World, zo moet het G7-initiatief heten, beschikt niet over eigen fondsen, terwijl voor de zijderoute jaarlijks honderden miljarden worden uitgekeerd. Het Chinese dagblad Huanqiu Shibao schreef smalend dat de met schulden overladen westerse landen niet eens het geld hebben om hun eigen infrastructuur op orde te houden, laat staan dat zij het geld hebben om elders in de wereld wegen en dergelijke te gaan bouwen. Na de G7-top haastten Europese leiders zich om het belang van samenwerking met China te onderstrepen. De Italiaanse eerste minister Mario Draghi stelde dat China een onvermijdelijke partner is. De Franse president Emmanuel Macron benadrukte dat Build Back Better World niet gericht was tégen Peking. De Britse premier Boris Johnson zei geen nieuwe Koude Oorlog met China te willen. Op de NAVO-top hetzelfde scenario. Washington probeert al jaren om China daar op de agenda te krijgen, maar botst op een muur van Europees verzet, hoewel de Europese publieke opinie over China steeds negatiever wordt. De eindverklaring van de top sprak van een systemische uitdaging, terwijl zelfs een Europese tekst van twee jaar geleden het nog had over een systemische rivaal. Ook meer praktische discussies, achter de schermen, leveren weinig op. In Azië bestaat een soortgelijke terughoudendheid. De Amerikanen proberen nieuw leven te blazen in de zogenoemde Quad, een strategische dialoog met Japan, Australië en India. De drie andere landen balanceren op een slappe koord. De spanningen met China nemen over de hele lijn toe. De militaire machtsopbouw in de Oost-Chinese Zee leidt tot steeds meer frictie met Tokio, terwijl de Japanse steun aan Taiwan de Chinezen hoog zit. De Indiërs blijven soldaten naar de Chinese grens sturen, terwijl de Chinezen nieuwe basissen openen aan hun zuidgrens. Maar niemand wil voorlopig een harde alliantie onder leiding van Washington. Velen schrijven die aarzeling toe aan de VS zelf. De Amerikaanse politiek is onstandvastig. Terwijl de Amerikaanse koers vanachter de Stille en de Atlantische Oceaan voor een aantal partners onzeker oogt, lijkt China voor Eurazië een geopolitieke certitude. Voor sommigen loopt de Amerikaanse dominantie gewoon ten einde en is het hoog tijd dat de wereld de arrogante supermacht een les in nederigheid geeft. Voor een stuk zijn al die overwegingen te begrijpen. Toch gaat er een dreiging uit van het isolement van de VS of toch minstens van de weigering van andere landen om gezamenlijk op te trekken. Om te beginnen gaat de machtsverschuiving gestaag verder en hebben we geenszins de zekerheid dat een oppermachtig China zich beter zal gedragen dan Amerika. De strategische vereenzaming van de VS versterkt sowieso de positie van Moskou en Peking. Zij zou kunnen leiden tot de conclusie dat het tij definitief aan het keren is, dat het een kwestie van tijd is alvorens het Westen helemaal uiteenvalt en het moment aanbreekt om rekeningen te vereffen.