Waarom besluit een man van 31 om als buitenstaander de jihad te gaan bestuderen? Bij de aanslagen in New York en Washington op 11 september 2001 was de Fransman Hugo Micheron amper twaalf, dus dat was het niet. Nee, zijn belangstelling voor het jihadisme, de gewelddadige stroming binnen de radicale islam, is er relatief toevallig gekomen.
...

Waarom besluit een man van 31 om als buitenstaander de jihad te gaan bestuderen? Bij de aanslagen in New York en Washington op 11 september 2001 was de Fransman Hugo Micheron amper twaalf, dus dat was het niet. Nee, zijn belangstelling voor het jihadisme, de gewelddadige stroming binnen de radicale islam, is er relatief toevallig gekomen. 'Ik deed studiewerk over de integratie van migranten - het compleet tegenovergestelde van wat de jihadisten nastreven', vertelt hij. 'Ik volgde mensen met een migratieachtergrond die zich kandidaat stelden bij de verkiezingen. Toen ik een van die kandidaten in Roubaix interviewde, vermeldde ik dat ik voor de oorlog losbarstte in Syrië had gestudeerd en er Arabisch had geleerd. De kandidaat antwoordde: "Dat is toevallig: iemand uit onze buurt is net naar Syrië vertrokken." Dat was in april 2013. Twee weken later nam ik een interview af van een kandidaat in de buurt van Marseille. En ook daar kreeg ik te horen dat mensen naar Syrië gingen. Dat ging maar door. Zo besefte ik dat er een studieonderwerp was dat dringender werd dan de politieke integratie: het vertrek van geradicaliseerde moslims. Vanaf 2015, met de aanslagen tegen de redactie van Charlie Hebdo en de Joodse supermarkt Hyper Cacher, en later met de grote aanslagen in en rond de concertzaal Bataclan en het Stade de France in Parijs, werd dat een noodzakelijk onderzoeksterrein.' 'In Europa hadden we wel hopen interpretaties van de jihad - er werden honderden boeken en artikels over geschreven - maar het feitenmateriaal ontbrak. Het leek alsof de aanslagen uit de lucht kwamen gevallen. Ik heb geprobeerd die lacune op te vullen door in Europa, Syrië, en later in Franse gevangenissen het jihadisme te bestuderen. Ik wilde een diagnose stellen, uitmaken waar het jihadisme vandaan komt en waar het wellicht naartoe gaat. Een van de stellingen die rond 2015 opgeld maakten, kwam van de bekende politieke wetenschapper Olivier Roy. Hij stelde dat het jihadisme gewoon de islamisering van het altijd aanwezige radicalisme was. Micheron: Dat was op zich best een verleidelijke theorie, die tot op zekere hoogte intellectueel bevredigend was. Maar ze was niet gebaseerd op feitelijk onderzoek. Roy gaf zijn aanvoelen weer. De andere toonaangevende theorie was dat de achterstandsbuurten het jihadisme hadden gecreëerd. Men dacht: ze vertrekken omdat ze arm zijn en gediscrimineerd worden. Ik heb na de gebeurtenissen van 2015 een stapje teruggezet. Ik dacht dat het beter was niet te snel te oordelen. Ik wilde eerst feiten vergaren. U begon aan een geografie van de jihadisten. Micheron: De eerste vaststelling was dat er weliswaar uit de hele EU Syriëstrijders vertrokken, maar dat het gros, zo'n 80 procent, afkomstig was uit vier landen: Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en België. Daarbij was Frankrijk in absolute cijfers de koploper, en België stond relatief op kop met de meeste vertrekkers per inwonersaantal. Maar ook binnen die landen was er een duidelijke lokalisering. In Frankrijk waren er tien à vijftien zones die zwaar getroffen waren, in België drie à vier. De kaart van het jihadisme overlapte niet met de kaart van de meest sociaal of economisch achtergestelde zones. Het armere Wallonië telde bijzonder weinig vertrekkers, terwijl het rijkere Antwerpen veel jihadisten zag vertrekken. In Frankrijk hadden we het voorbeeld van twee steden die bij elkaar in de buurt liggen en die vergelijkbaar zijn qua belabberde economische en sociale omstandigheden. Uit Trappes vertrokken in 2015 85 mensen, terwijl uit Chanteloup-les-Vignes niemand vertrok. De sociaaleconomische situatie speelde zeker een rol in de rekrutering, maar ze volstond niet als verklaring. Dat moest in elk geval genuanceerd worden. In uw boek argumenteert u dat kernen van radicale moslims het verschil maakten. Micheron: Precies. Dat gold van Toulouse tot Molenbeek. In al die plekken met veel vertrekkers waren al een tijd radicalen aan het werk, die doorgaans in Algerije ofwel in Afghanistan actief waren geweest. Sinds de jaren negentig hadden ze zich discreet, want in beperkte aantallen, ingeplant. Ze kozen plaatsen waar al een voedingsbodem was, waar bijvoorbeeld de Moslimbroeders al een aanhang hadden vergaard. Kijk naar Toulouse. Daar waren begin de jaren 2000 een stuk of tien radicale, jihadistische moslims aanwezig. Ze zetten religieuze verenigingen op, privéschooltjes, boekenwinkeltjes. Tien jaar later waren ze met zo'n 300. Onder hen ook Mohammed Merah (de jihadist die in 2012 eerst in Montauban militairen doodde en vervolgens in Toulouse een dodelijke aanslag pleegde op een joodse school, nvdr), en de jihadisten die uit Toulouse naar Syrië zouden vertrekken. In het boek onderscheidt u vier groepen van islamisten: Moslimbroeders, salafisten, de uit India afkomstige Tablighi Jamaat-beweging en jihadisten. Er blijkt nogal wat interactie tussen de vier te bestaan. Micheron: Zeker in het begin hadden de jihadisten niet veel eigen middelen, en koppelden ze hun wagonnetje aan wat er al was aan initiatieven van andere islamisten. In die andere groepen vonden de jihadisten vaak hun aanhangers. Zo ontstonden kernen, die met elkaar in contact stonden. Zo reisde de bekende jihadist Fabien Clain in het begin van de jaren 2000 vanuit Toulouse naar Schaarbeek en Molenbeek. Hij was in de wolken over wat hij er aantrof, en vond dat de aanpak in Toulouse meer op Belgische leest moest worden geschoeid. De groepen in Molenbeek en Schaarbeek deden het beter, vond hij. Wat was er dan beter in België? Micheron: Er was al werk geleverd door salafisten en Moslimbroeders. Molenbeek geleek in dat opzicht op Londonistan. Clain voelde geen enkel bezwaar om in salafistische boekenwinkels binnen te stappen, of deel te nemen aan een initiatief van de Moslimbroeders. Hij verschilde qua ideologie van hen, hij was radicaler, maar zij hadden iets waar hij op kon voortborduren. De andere vormen van radicale islam boden een loopplank voor de jihadisten. De meeste jihadisten konden vrij openlijk opereren. Micheron: Dat hangt af van de periode. Kort na 11 september 2001 waren er weliswaar aanslagen in Londen in Madrid, maar niet in Frankrijk, niet in België. De Franse en Belgische jihadisten namen de wapens nog niet op tegen hun eigen land. En in België of Frankrijk leefde niet het gevoel dat er groot gevaar dreigde. Zelfs de aanslagen van Mohammed Merah in 2012 veranderden daar vreemd genoeg niet veel aan. Zijn aanslagen werden afgedaan als het werk van een eenzaat, terwijl er nochtans bewijs voorhanden was dat hij uit een netwerk van jihadisten in en om Toulouse voortkwam. De politiediensten zouden pas echt wakker worden na de aanslagen van 2015. U onderzocht achtereenvolgens de jihadistische enclaves in Europa, de jihadisten in het Midden-Oosten en uiteindelijk - het interessantste deel in het boek - de jihadisten die voor of na de nederlaag van de IS terugkeerden en nu in Frankrijk gevangen zitten. Waarom wilden die gevangenen praten? Micheron: Het verbaasde me ook wel dat ze me zo gemakkelijk toegang gaven, dat ze zich zo weinig verstopten. Het het verschillende redenen. Ten eerste: ik ging naar hen toe. Ik nam deel aan gespreksgroepen. In het begin waren de gevangenen zeker defensief en argwanend maar dat ik me alleen, zonder aanwezigheid van cipiers, in hun midden begaf, zorgde ervoor dat ze zich ten minste numeriek de meerdere voelden. Dat gaf hun vertrouwen. Daar kwam bij dat ik Arabisch spreek en dat ik in Syrië ben geweest. Dat schept een band. Ik sprak met ongeveer zestig jihadisten in lange groepsgesprekken, twaalf tegelijk. Later had ik intensieve individuele gesprekken met nog eens twintig jihadisten. De redenen waarom ze stuk voor stuk toezegden, verschilden nogal. Je had er die hoopten dat ze me konden gebruiken om nieuws te krijgen uit de buitenwereld, of om hun boodschap te verspreiden in de buitenwereld, of dat ik een goed woordje zou doen bij de rechter. Ze vonden het moeilijk om te geloven dat ik als onderzoeker onafhankelijk was en niet onder één hoedje speelde met de autoriteiten. Dan waren er jihadisten die - heel menselijk - graag over zichzelf vertelden. Soms was het botweg een zaak van ontspanning: gevangenen zitten 20 uur per dag in hun cel. Dan zijn alle redenen goed om buiten de celmuren te komen, zelfs een gesprek met een onderzoeker. Er waren ook gevangenen die me wilden spreken om te tonen dat ze geen idioten of hersenloze fanatici zijn, zoals ze weleens worden afgeschilderd, maar dat ze nadenken en coherente overtuigingen hebben. U noemt de gevangenis een omgeving vol hormonen. Maar het waren niet alleen testosteronconflicten die in de groepsgesprekken merkbaar waren. Micheron: Nee. Vanaf 2015 kon je merken hoe conflicten uit Syrië meegevoerd werden naar de gevangenis. De strijd tussen Al-Nusra, de aftakking van Al-Qaeda, en de IS werd in de gevangenis verdergezet. Er braken vechtpartijen uit tussen gevangenen. Dat was een van de dingen waar het gevangeniswezen geen rekening mee had gehouden: men dacht dat jihadisten één pot nat waren. Vond u ook gevangenen die tot het inzicht zijn gekomen? Die beseffen dat ze zich met hun jihad compleet vergist hebben, en die nu liever gewoon deel willen uitmaken van een democratische samenleving? Micheron: Die zijn heel dun gezaaid. Men heeft in het gevangeniswezen en in de buitenwacht de mond vol van deradicalisering, maar dat is toch vooral een hersenschim. De grote meerderheid van gevangenen zijn overtuigde jihadi's. Voor zo'n jihadi zijn er geen redenen om te deradicaliseren. Als er één begint te twijfelen, is er altijd wel een celgenoot die hem weer oppept. Wat je wel vindt, zijn mensen die zwaar ontgoocheld zijn in de IS, maar daar besluiten ze niet uit dat hun jihadisme fout is. Het kalifaat is qua territorium verloren gegaan, maar de jihadisten hebben hun ideologisch territorium behouden. Ze hebben geproefd van iets dat smaakt naar meer. Ze geloven meer dan ooit in de juistheid van hun gedachtegoed. Ze dromen van een verbeterde versie van de IS. Het gevangeniswezen heeft het lastig gehad met deze gevangenen omdat men het jihadisme, zoals Olivier Roy destijds, niet als iets specifieks erkende. Men dacht dat de jihadisten een islamitische versie zouden worden van de Corsicaanse of Baskische onafhankelijkheidsstrijders, of van de Rode Brigades. Maar de jihadisten gedroegen zich anders. Vaak beschouwden ze de andere gevangenen als een doelpubliek, een te bekeren doelgroep. De Corsicanen, om maar één groep te noemen, hebben nooit iemand proberen te overtuigen. Hoe gingen de gevangenissen daarmee om? Micheron: Het gevangeniswezen heeft twee tactieken uitgeprobeerd. Ofwel zet je alle jihadisten samen en zonder je ze af, maar dat creëert intern verdere radicalisering. Ofwel splits je ze op en verdeel je ze onder de andere gevangenen, wat dan weer het risico inhoudt dat ze andere gevangenen radicaliseren. De keuze is nog niet definitief gemaakt, maar men is zich nu tenminste bewust van de complexiteit. Ik wil zeker geen steen gooien. De gevangenissen hebben weinig middelen en werken met lui waar de rest van de samenleving zich geen raad mee weet. Je kunt niet verwachten dat de gevangenis het oplost. In uw boek staat een provocerende tussentitel: 'De gevangenis is de ENA van de jihad.' Die École Nationale d'Administration is de superhogeschool waar Franse presidenten worden gekweekt. Maar het klopt ook wel dat de jihadisten de gevangenis gebruiken om aan hun opleiding te sleutelen. U vond onder meer een jihadi die vlotjes Stalin citeert. Micheron: Ze beschouwen de gevangenis als een etappe in hun loopbaan. Ze scherpen er hun kennis aan. Tot dusver konden ze profiteren van een asymmetrische verhouding: zij kenden de samenlevingen waaruit ze voortkwamen beter dan wij hen kennen. Dat is langzaamaan aan het veranderen, en dus willen ze op een andere manier kennis vergaren. Iemand die jongeren rekruteerde, volgt nu een cursus psychologie. Een ideoloog wil een master geschiedenis behalen. Anderen studeren rechten. Sommigen drijven zelfs de spot met de cipiers die een lager opleidingsniveau hebben. Om een nieuwe golf bekeringen te kunnen maken, willen ze tijdelijk geen aanslagen meer plegen? Micheron: Ze beseffen dat de grote aanslagen, net zoals de gruwelen die de IS beging in het Midden-Oosten, niet helpen bij het werven van nieuwe jihadisten. De aanslag tegen het Stade de France, waar ook een massa moslims in de tribune zat, was een tactische blunder, vinden zij nu. Ze hebben de strijd in Syrië en Irak verloren. Het grootste deel van hun leden is gesneuveld of gevangengenomen. Dat er al enkele jaren geen grote aanslagen meer zijn in Europa heeft er vooral mee te maken dat hun netwerken ontmanteld zijn. De veiligheidsdiensten hebben hun werk gedaan. Het jihadisme is niet verslagen maar wel verzwakt. De ideologen, en zo zijn er een handvol onder de tachtig gevangen jihadisten die ik gesproken heb, willen van de gevangenis een moment maken waarin ze het post-IS-tijdperk vormgeven. Meer: de gevangenis is bij mijn weten de enige plek waar zo intens over dat post-IS-tijdperk wordt nagedacht. De democratische samenlevingen zijn sterker gebleken, weerbaarder, dan de jihadisten hadden verwacht. De democratieën hebben getuigd van politieke rijpheid. Een van de gevangenen vertelde me: 'Het zal niet meer voor ons zijn. Wij worden door de geheime diensten gevolgd tot in de kist. Maar de nieuwe generatie zal ons werk verderzetten.' Men wil dus, zoals in het verleden, in alle discretie de aanhang op de middellange termijn uitbouwen. Opnieuw in bepaalde gebieden privéschooltjes opzetten, opnieuw aan de basis werken, wijzen op de scheuren in de samenleving en hopen dat mettertijd niet 2000 Fransen gemobiliseerd kunnen worden om te gaan strijden, maar tienduizenden. Als die 2000 al voor zo veel destabilisering van het land kunnen zorgen, wat dan met 20.000 of 50.000 jihadisten? We zijn de fase voorbij dat we alleen naar het politieapparaat moeten kijken om het jihadisme en die wensdromen van de ideologen te bestrijden. We moeten het jihadisme ook op sociaal gebied bestrijden, in de buurten die zij viseren. Zij brengen een boodschap van totale breuk met de democratische samenleving, waarbij alle grijstinten ertussenin worden afgewezen. Dat jihadisten de grijze zones willen uitwissen, moet ons stimuleren om ons wél in de grijze zone te wagen. We moeten ophouden met ofwel de problemen te negeren, ofwel ze op te blazen en te veralgemenen tot alle moslims. Die twee houdingen - negeren en buiten proportie opblazen, tot de hysterie toe - zijn elkaars bondgenoten. Naarmate de ene meer ontkent, kan de andere hysterischer doen. De jihadisten hebben niet liever, want die hysterie doet ons uit het oog verliezen wat onze democratische waarden zijn. Wat kan dan een aanpak zijn? Micheron: Wij moeten opnieuw investeren in de oorspronkelijke boodschap van integratie, maar dit keer met toegenomen kennis van wat de jihadisten prediken en willen bewerkstelligen. De schooltjes van de jihadisten hebben succes omdat de gewone scholen in de banlieues niet deugen. Gewoon behoorlijk investeren in die overheidsscholen haalt al wat legitimiteit weg uit het discours waarmee jihadisten scoren. En zo kun je een reeks maatregelen bedenken die jihadisten argumenten uit handen nemen. Je mag ook niet vergeten: jihadisten en islamisten willen een revolutie binnen de islam. Ze zijn niet alleen tegen westerse democratie, ze zijn minstens even fel tegen moslims die hun doctrine niet volgen en die zich niet hebben afgekeerd van westerse waarden. Volgens hun discours willen ze 'de verwording van moslims' tegengaan door enclaves te creëren waar hun regels algemeen worden gevolgd. Een van mijn gesprekspartners zei: 'Ik beschouw de Moslimbroeders als afvalligen, maar als ze hun vrouwen opleggen dat ze zich moeten sluieren, juich ik hen toe.' Ook qua kledij en uitzicht willen ze grijs weren en de breuklijnen duidelijk maken. Bent u in de loop van vijf jaar onderzoek meer of minder optimistisch geworden? Micheron: Duidelijk meer optimistisch. Vijf jaar geleden wisten we niet wat er speelde en ondergingen we de feiten. We weten nu dat de IS een historische anomalie is geweest. Nooit eerder hadden jihadisten zo veel factoren die in hun voordeel speelden en die hen in staat stelden in het hart van het Midden-Oosten, in een machtsvacuüm, een relatief machtig bolwerk te creëren. We zijn gewaarschuwd, en zullen nu hopelijk sneller en beter op signalen reageren.