Anacyclose, de cyclus van het politieke verval, veronderstelt dat democratieën verworden tot een chaotische heerschappij van de meute. Ochlocratie heet dat. Zitten we vandaag op dat punt, het verval van een democratie in een politiek bestel waarbij het er vooral op aankomt welke menigte het hardst kan schreeuwen of intimideren? De democratie als een stammentwist? Als je de voorbije maanden de debatten in het Britse Lagerhuis, het politieke rumoer in Italië, de zoveelste uitspatting van Donald Trump of de regeringsvorming bij ons zag, dan vraagt zelfs de vurigste voorstander van de democratie zich af of het niet welhaast beter is om die staat van politieke zinsverbijstering in te ruilen voor de beheerstheid van pakweg de Chinese leider Xi Jinping.
...

Anacyclose, de cyclus van het politieke verval, veronderstelt dat democratieën verworden tot een chaotische heerschappij van de meute. Ochlocratie heet dat. Zitten we vandaag op dat punt, het verval van een democratie in een politiek bestel waarbij het er vooral op aankomt welke menigte het hardst kan schreeuwen of intimideren? De democratie als een stammentwist? Als je de voorbije maanden de debatten in het Britse Lagerhuis, het politieke rumoer in Italië, de zoveelste uitspatting van Donald Trump of de regeringsvorming bij ons zag, dan vraagt zelfs de vurigste voorstander van de democratie zich af of het niet welhaast beter is om die staat van politieke zinsverbijstering in te ruilen voor de beheerstheid van pakweg de Chinese leider Xi Jinping. Is democratie wel zo superieur? Ook ik heb de neiging die vraag spontaan instemmend te beantwoorden. We willen toch niet terug naar het Derde Rijk of de Sovjet-Unie? Toch moet ik steeds vaker denken aan een opmerking van de Griekse wijsgeer Aristoteles. Hij stelde dat wat landen van elkaar onderscheidt, wat ze sterk maakt, niet zozeer de bestuursvorm is, dus of een land een democratie, monarchie of nog wat anders is. Wat telt, zo suggereerde hij, is de mate waarin dat land doordrongen is van deugdzaamheid: gematigdheid, ruimdenkendheid en het besef dat individueel geluk zelden losstaat van de voorspoed van de hele samenleving. Een deugdzame alleenheerser is beter dan een ontaarde democratie. Daartegenover staat het krachtige wederwoord van denkers als Niccolò Machiavelli: een slechte dwingeland berokkent meer schade dan een slechte republiek of democratie. Het volk maakt minder fouten dan een alleenheerser, opperde hij, kleinere fouten ook, en het is beter in staat fouten recht te zetten. Maar kunnen we daar zomaar van op aan? Kunnen we erop rekenen dat de massa in een republiek of democratie zichzelf kan corrigeren? Mij lijkt het evidenter om een despoot omver te werpen dan om een makke democratie, zoals in het Westen, opnieuw in beweging te krijgen, haar te laten inzien hoe ze haar eigen welvaart kannibaliseert en een willekeurige zondebok aanwijst om zelf geen verantwoordelijkheid te hoeven nemen. Het is een beetje als de natuurstaat van Thomas Hobbes, allen tegen allen, maar dan voor de weke, verwende generaties. Een ontaarde democratie wordt dan het toppunt van een ander fenomeen: decadentie. Ook in dat opzicht lijkt er een kringloop te bestaan, een tredmolen van opkomst en verval. Samenlevingen die macht opbouwen doen dat bij aanvang dankzij een sobere werkethiek, onder het toezicht van autoritaire leiders en sterke staten. Zodra ze macht hebben verworven, maakt een en ander plaats voor individualisme en consumentisme. Dat ontspoort: mensen beginnen boven hun stand te leven en putten de moeizaam opgebouwde welvaart uit. Er ontstaat een gevecht tussen allerlei belangengroepen om de steeds schaarser wordende kruimels. Wat er nog bestaat aan politieke structuren wordt een vehikel voor zelfbediening. De samenleving takelt af en smakt in een dal. Daar wordt ze ofwel ingelijfd door een nieuwe opkomende speler, ofwel schaart ze zich in paniek achter een eigen sterke leider. En dan begint de cyclus opnieuw. Ziedaar de funeste samenloop van democratie zonder deugdzaamheid en welvaart zonder verantwoordelijkheid. Het is geen fraai beeld. Na elke periode van aftakeling volgt een periode van groei, zeer zeker. Maar de transitie (als we het zo mogen noemen) kan lang en akelig zijn. Het geeft vooral te denken wat de volgende generaties zullen moeten doorstaan. De spontane reactie tegen zo'n denken is verwerping: men mag niet cynisch zijn, optimisme is een morele plicht. Maar wat heeft het voor zin te kraaien dat de wereld beter wordt als we hem zelf niet beter helpen maken? En wat is dat, de wereld (te beginnen bij onze samenleving) beter maken? Ons eigen grote gelijk nog maar eens uitschreeuwen op Twitter? Op Facebook als een geit aan een paal rond je eigen grote gelijk staan mekkeren? Volgens mij schuilt de kern in het denken van Aristoteles: het gaat erom de deugd terug te vinden. Hoe melig het ook klinkt, een ochlocratie bestrijd je enkel door de verdwaasdheid van de meute te overwinnen met de kwaliteiten die denkers als Aristoteles en anderen bezongen: gematigdheid, ruimdenkendheid en toewijding. Je kunt dat allemaal moraliserend vinden, maar om het volk opnieuw te laten heersen, de democratie te herstellen, moet het volk zich als een volk gedragen: met een onderling verantwoordelijkheidsgevoel en warmhartige overgave.