China heeft de voorbije jaren op een onheilspellende manier de krantenkoppen gehaald: de handelsoorlog met Donald Trump, de coronacrisis en nu de ravage bij het vastgoedbedrijf Evergrande. Telkens vragen we ons af hoe erg zo'n crisis de Chinese economie uit evenwicht brengt. Steevast is het antwoord: het valt wel mee. China lijkt op een grote draak die nu en dan verstrikt raakt, maar vervolgens onverstoorbaar zijn weg voortzet. Het is net als vele andere economieën een stuntelaar, maar dan een zeer standvastige stuntelaar. Dat zal ook nog even zo blijven.
...

China heeft de voorbije jaren op een onheilspellende manier de krantenkoppen gehaald: de handelsoorlog met Donald Trump, de coronacrisis en nu de ravage bij het vastgoedbedrijf Evergrande. Telkens vragen we ons af hoe erg zo'n crisis de Chinese economie uit evenwicht brengt. Steevast is het antwoord: het valt wel mee. China lijkt op een grote draak die nu en dan verstrikt raakt, maar vervolgens onverstoorbaar zijn weg voortzet. Het is net als vele andere economieën een stuntelaar, maar dan een zeer standvastige stuntelaar. Dat zal ook nog even zo blijven. Neem de vastgoedsector, goed voor ongeveer 10 procent van de Chinese economie. Een vastgoedcrisis zat er al een tijdlang aan te komen, en de overheid heeft ze deels in de hand gewerkt door een rem te zetten op speculatie. Het probleem is dat ontwikkelaars sneller bouwen dan er vraag is. Daardoor zijn er in China zo'n 20 à 30 miljoen appartementen te veel. Dat lijkt een immens aantal, maar als je weet dat er jaarlijks ongeveer 8 miljoen gezinnen in de steden bij komen, kan een flink deel van dat overschot afgebouwd worden. Het is een belangrijke kanttekening bij de alarmerende berichten. Daarnaast zijn de meeste vastgoedbedrijven best solide. In tegenstelling tot de Amerikaanse banken die tien jaar geleden over de kop gingen, wordt de schuld van de grote vastgoedbedrijven ruimschoots gedekt door eigendommen. De grootste vijf ontwikkelaars hebben een gezamenlijke schuld van 950 miljard dollar uitstaan, maar ze hebben ook 1200 miljard dollar eigendommen, waarvan 120 miljard cash, 120 miljard aan eigen gebouwen en 700 miljard aan gronden en onafgewerkte gebouwen. De statistische waarde van die gebouwen wordt door speculatie opgepompt, maar de vastgoedbedrijven zijn verre van lege dozen. Die situatie zie je ook in andere sectoren, zoals de industrie. Ook daar wordt massaal geïnvesteerd en ook daar is er een overaanbod. Een kwart van de capaciteit van de fabrieken wordt nog altijd niet gebruikt en de binnenlandse markt absorbeert nog steeds maar een klein deel van de productie. Maar dat is al bijna twintig jaar zo. In de industrie is de waarde van de eigendommen bijna twee keer zo groot als de schulden. Zelfs als je er rekening mee houdt dat de Chinese cijfers weleens een loopje met de realiteit nemen, is dat aanzienlijk. Bovendien maakt de industrie winst: 4 procent dit jaar. Dat is voldoende. De belangrijkste verklaring daarvoor is de uitvoer. De rest van de wereld blijft een gretige afnemer van Chinese producten en er is weinig concurrentie. Ook nieuwe Aziatische sterren zoals Vietnam kunnen nauwelijks verweer bieden. Het aandeel van China in de totale Aziatische uitvoer van industrieproducten groeit nog steeds en ook het aandeel in de buitenlandse investeringen blijft zeer stabiel. Het is dus écht niet zo dat de industrie China de rug toekeert. Voor een stuk heeft dat te maken met de schaal, maar ook met het feit dat China zich ondanks de stijgende lonen onmisbaar heeft gemaakt in de productieketens. Dat zal niet meteen veranderen. Hoewel veel landen wakker liggen van China als militaire grootmacht, dromen ze nog altijd van China als land van de gouden bergen. De Amerikaanse regering bevestigde onlangs dat ze meer handel wil, niet minder. China blijft profiteren van dat onsamenhangende beleid. Terwijl Washington China wil aanpakken op het gebied van spitstechnologie, blijven de Amerikanen en de Europese Unie steeds meer wetenschappelijke kennis aan China verkopen. En de stijgende huizenprijzen in het Westen leiden ertoe dat de aanvoer van relatief goedkope Chinese spullen alleen maar belangrijker wordt om de koopkracht te kunnen handhaven. Laat de Amerikanen hun vliegdekschepen maar uitzenden, zolang de containerschepen naar China komen. China is nog geen rijk land. Dat beseft zijn overheid. Er is ook nog altijd geen Chinees equivalent van Apple of BMW. Misschien hoeft dat voorlopig zelfs niet. In het middensegment valt ook geld te verdienen. Hoewel China weinig sterke merken heeft, voert het meer dan een miljoen overwegend goedkope auto's uit. Ondanks de Amerikaanse aanval op Huawei exporteert het nog steeds voor vijftig miljard dollar aan telefoons. Andere ontwikkelingslanden zijn traditioneel een dankbare afzetmarkt voor zulke spullen, maar hoe zwakker het Westen wordt, hoe meer consumenten er gedwongen zullen worden om de dure merken in te ruilen voor goedkopere Chinese alternatieven. Profiteren van internationale tegenslagen: China is er doorgaans best handig in.