Even leek het deze zomer alsof China en Europa beste vrienden waren. Het staatsbezoek van premier Li Keqiang aan Duitsland verliep voortreffelijk, en eindigde met een glunderende persconferentie. Nog geen week later was het ook een en al hartelijkheid op de jaarlijkse EU-Chinatop. Na twee jaar van vruchteloos gekibbel kwamen Brussel en Peking dit keer moeiteloos tot een overeenkomst: ze zouden zich samen sterk maken voor de vrijhandel en de multilaterale wereldorde, klonk het. China en Europa: twee handen op één buik.
...

Even leek het deze zomer alsof China en Europa beste vrienden waren. Het staatsbezoek van premier Li Keqiang aan Duitsland verliep voortreffelijk, en eindigde met een glunderende persconferentie. Nog geen week later was het ook een en al hartelijkheid op de jaarlijkse EU-Chinatop. Na twee jaar van vruchteloos gekibbel kwamen Brussel en Peking dit keer moeiteloos tot een overeenkomst: ze zouden zich samen sterk maken voor de vrijhandel en de multilaterale wereldorde, klonk het. China en Europa: twee handen op één buik. Van een afstand kon het doorgaan voor een voorlopig hoogtepunt in een ontwikkeling die al langer gaande was: Europa's meest betrouwbare partner op het wereldtoneel leek steeds minder Amerika, en steeds meer de opkomende macht in het Oosten. Het klimaatakkoord van Parijs, de nucleaire deal met Iran, de internationale vrijhandel: waren de VS niet voor rede vatbaar, dan viel met de autocraten in Peking prima te praten. Kon Europa vanaf nu beter met China optrekken? Maar wie van wat dichter keek, zag ook dit: Europa had best wat reserves bij de zomervriendschap. Terwijl China de EU een gezamenlijke veroordeling van de Amerikaanse handelstarieven probeerde te ontlokken, hield Brussel uitdrukkelijk de boot af. En toen Peking als zoenoffer de deuren wagenwijd openzette voor de Duitse chemiereus BASF - die mocht een fabriek in China neerzetten zonder de normaal verplichte jointventurestructuur - reageerde EU-Commissievoorzitter Jean-Claude Juncker sarcastisch: blijkbaar wist China dan toch hoe het zijn economie moest openen, als het maar wilde. In zekere zin is een toenadering tussen het Oude Continent en het Rijk van het Midden niet onlogisch. De EU is China's grootste handelspartner, en China is goed op weg om de VS in te halen als numero uno voor Europa. Natuurlijk, net als de Amerikanen is ook Europa geïrriteerd over China's opportunistische handelspraktijken: de gedwongen transfers van technologie, de schendingen van intellectuele eigendomsrechten, de oneerlijke concurrentie van staatsbedrijven. Maar aangezien in China goed geld valt te verdienen, werd die kwestie nooit echt op de spits gedreven. Opportunisme is ook Europa niet vreemd. Maar ook al wordt er goed geld verdiend, geleidelijk is er toch ruis ontstaan in de Chinees-Europese relaties. De trouwe bondgenoot in het Verre Westen mag het dan al even laten afweten, een nieuwe in het Verre Oosten is weinig waarschijnlijk. 'Europa is naar een meer realistische verhouding met China aan het bewegen', zegt François Godement, directeur van de afdeling Azië en China van de denktank European Council on Foreign Relations. 'We zijn de hersenschim van gouden bergen uit China uit ons hoofd aan het zetten.' Dat Europese 'Chinarealisme' werd ingezet in 2016, toen Chinese bedrijven in één jaar plots 35 miljard euro in de Europese Unie investeerden, 77 procent meer dan het jaar daarvoor. Niet alleen de hoeveelheid, maar vooral het type investering wekte onrust: de Chinezen kochten vooral technologie- en energiebedrijven, sectoren van strategisch belang. In Duitsland was er veel ophef rond de overname van robotbedrijf Kuka. Hier in België werd de instap van het Chinese staatsbedrijf State Grid in distributienetbeheerder Eandis tegengehouden. De indruk ontstond dat de aankopen gecoördineerd waren door de Chinese overheid. Die had zijn technologiesector onder de noemer 'Made in China 2025' de opdracht gegeven om tot de wereldtop door te stoten, en deelde daarvoor gul overheidssteun uit. Het opkopen van westerse hightechbedrijven leek in die strategie te passen. En leek dus ook een grote dreiging voor Europa: unieke knowhow zou onherroepelijk naar Chinese concurrenten doorsijpelen. 'Het probleem met Chinese bedrijven is dat het nooit helemaal duidelijk is waar het geld vandaan komt', zegt Angela Stanzel, beleidsonderzoeker van de European Council on Foreign Relations. 'Kuka werd overgenomen door Midea, een Chinees privébedrijf, maar dat legde zo veel geld op tafel dat het wel door de overheid moet zijn gesteund. Het is geen eerlijke concurrentie als Europese privébedrijven moeten opboksen tegen de Chinese staat.' De investeringen in energie- en telecombedrijven deden ook vragen rijzen over de Chinese toegang tot persoonsgegevens. 'Je zou kunnen zeggen: we geven die big data ook aan Silicon Valley', zegt Godement. 'Maar in China is er helemaal geen bescherming van de privacy. Als de overheid om die gegevens vraagt, zijn bedrijven niet in staat om te weigeren. Als we in die sectoren Chinese bedrijven toelaten, openen we de achterdeur voor de Chinese overheid.' Ook steeds meer Europese bedrijven begonnen zich zorgen te maken, al gaven ze dat meestal niet toe. 'Bedrijven kunnen geen openlijke kritiek op China geven', zegt Bernhard Bartsch, Azië-expert van de Duitse denktank Bertelsmann Stiftung. 'Ze staan onder grote druk om hun loyaliteit aan China te bewijzen, en hun bedenkingen voor zichzelf te houden. Maar in besloten kring vertellen ze een ander verhaal.' Veel bedrijven in strategische sectoren zeggen de indruk te hebben het mikpunt te zijn van het 'Made in 2025'-programma, stelt Bartsch. 'Voorlopig doen ze nog goede zaken met China, maar ze vrezen dat ze over een paar jaar uit de markt worden gebokst. In sommige industrieën, zoals de auto- of machine-industrie, hebben ze het gevoel dat het al te laat is. Daar zal de technologie in de toekomst waarschijnlijk uit China komen.' Wat in Europa nog meer tot argwaan leidde, was het Chinese Belt and Road Initiative. Dat infrastructuurprogramma, met een duizelingwekkend budget van 1000 miljard dollar, om langs de oude handelsroutes tussen Azië en Europa spoorwegen, havens en pijpleidingen te bouwen, werd door Peking verkocht als een verbindend project. Een Nieuwe Zijderoute die overal tot bloei en welvaart zou leiden. Een 'win-winproject' voor de hele wereld, gebaseerd op 'gemeenschappelijke belangen'. Maar het Belt and Road Initiative blijkt ook een schaduwkant te hebben. De projecten, die zich uitstrekken tot in Oceanië, Afrika en Latijns-Amerika, ver buiten de oude zijderoutes, zijn vooral voordelig voor de Chinese economie. Volgens onderzoek gaat 90 procent van de projecten naar Chinese bedrijven. Ze dreigen ook landen in een schuldval te lokken: Sri Lanka gaf zijn haven in Hambantota voor 99 jaar in concessie aan China, omdat het zijn leningen niet kon afbetalen. Maleisië cancelde onlangs de aanleg van een treinspoor en een gasleiding, uit angst voor een staatsbankroet. In Europa is er niet meteen angst voor een schuldval, maar wel voor de politieke invloed die Peking met zijn miljardeninvesteringen verwerft. China maakte vooral goede sier met het Belt and Road Initiative in zestien landen in Oost- en Centraal-Europa, waarmee het jaarlijks in een vast '16 + 1'-verband afspreekt. Volgens Brussel zaait China daarmee verdeeldheid binnen de EU. 'De Oost- en Centraal-Europese landen kunnen die Chinese investeringen natuurlijk goed gebruiken', zegt Godement. 'Maar daarmee worden ze wel gevoelig voor politieke druk.' Dat blijkt ook uit de feiten. De grootste begunstigden van het Belt and Road Initiative zijn tot nog toe Hongarije, met een spoorlijn van Boedapest naar Belgrado, en Griekenland, met de haven van Piraeus, sinds 2016 voor 51 procent in handen van het Chinese staatsbedrijf Cosco. Net die twee landen weigerden in 2016 en 2017 om de gezamenlijke EU-verklaringen over Chinese mensenrechtenschendingen en illegale activiteiten in de Zuid-Chinese Zee te ondertekenen. 'China mag dat doen', zegt Bartsch. 'Het is compleet legaal om bilaterale relaties aan te knopen met Europese landen en hen te vragen op een bepaalde manier te stemmen. Maar het stelt de EU natuurlijk voor een probleem: veel regeringsleiders beseffen dat we sterker staan in een verenigd Europa, maar geven uit opportunisme toe aan China. In landen als Tsjechië en Hongarije zijn veel politici bereid de EU een mes in de rug te steken voor wat extra cash uit Peking.' Had Europa lange tijd geduld voor de Chinese handelspraktijken, de koopwoede in de Europese technologiesector en het verdeel-en-heerssfeertje rond het Belt and Road Initiative brachten een kentering op gang. 'Ik denk dat het Belt and Road-Forum in mei vorig jaar de druppel was', zegt Bartsch. 'De Chinezen stuurden een gezamenlijke slotverklaring rond, zonder de paragrafen over transparantie waarop de EU gehamerd had. Dat was het punt waarop de Europeanen hun geduld verloren.' Veelbetekenend was het interne rapport van de Europese ambassadeurs in Peking dat afgelopen april uitlekte in de Duitse krant Handelsblatt. Het bevatte snoeiharde kritiek op het Belt and Road Initiative, dat gezien werd als regelrecht ingaand 'tegen de Europese agenda voor de liberalisering van de handel'. Opmerkelijk was vooral de eensgezindheid: het rapport was getekend door 27 van de 28 EU-ambassadeurs. Alleen Hongarije tekende niet. De rest van de Centraal- en Oost-Europese landen, nochtans in '16 + 1'-verband uitgebreid het hof gemaakt, schaarde zich wel achter het rapport. 'Die landen zijn tegenwoordig heel teleurgesteld', aldus Godement. 'Het manna dat de Nieuwe Zijderoute zou brengen, is niet neergedaald. Er is amper infrastructuur aangelegd, en alleen met dure leningen. Dus doemt het besef op: de EU is misschien toch zo slecht nog niet. Brussel stelt vervelende voorwaarden, maar de financiering is beter.' Zo lijkt het besef in de hele EU doorgedrongen: de VS mogen geen betrouwbare bondgenoot meer zijn, met China is het nog meer uitkijken geblazen. En geleidelijk worden ook stappen gezet om de Chinese opmars in Europa af te remmen. Afgelopen jaar keurden Duitsland, Frankrijk en Italië nationale wetgeving goed om buitenlandse investeringen in strategische sectoren op veiligheidsgronden door te lichten. Op hun initiatief komt er ook op Europees niveau een screeningsmechanisme voor buitenlandse investeringen. Zoals altijd in de EU heeft het heel wat voeten in de aarde om alle lidstaten op één lijn te krijgen, maar afgelopen juni raakten de landen het eens over een voorstel, dat binnenkort aan het Europees Parlement wordt voorgelegd. Om iedereen aan boord te houden, is het oorspronkelijke plan behoorlijk afgezwakt. 'In vergelijking met het Amerikaanse screeningsmechanisme is het redelijk tandeloos', zegt Stanzel. 'Maar het is een begin. Als we dit niet goedkeuren, riskeren we een uitverkoop van onze krachtigste sectoren.' Enkele Europese leiders, onder wie de Franse president Emmanuel Macron, hebben ook ideeën geopperd voor een Europees alternatief voor het Belt and Road Initiative. Daarbij zou de EU zelf investeren in infrastructuurprojecten langs de oude zijderoutes, en daarmee de afhankelijkheid van die landen van China verkleinen. 'Dit zit nog in de beginfase, maar het zou kunnen werken', zegt Stanzel. 'We hebben onze partners in Azië veel te lang genegeerd. We zouden die banden weer moeten aantrekken.' 'Wie zal dat betalen?' lijkt een logische eerste reactie. Maar in werkelijkheid heeft de EU nu al tal van infrastructuurfondsen, alleen zijn die nauwelijks bekend. 'Hetzelfde met Japan: dat legt in Zuidoost-Azië evenveel infrastructuur aan als China, maar daar praat niemand over', zegt Godement. 'De Chinezen weten hun projecten vooral heel goed te verkopen. Belt and Road is een ongelofelijk geslaagde vorm van publieksdiplomatie.' Ook Stanzel is ervan overtuigd dat Europa veel meer ijzers in het vuur heeft dan het zelf denkt. 'We zouden meer vertrouwen moeten hebben in onszelf. We gaan veel te veel mee in het Chinese narratief: het Westen is in verval, we zijn afhankelijk van China. Maar zij zijn ook afhankelijk van ons. Wij hebben ook pressiemiddelen, wij kunnen ook infrastructuurprojecten opzetten. We zijn niet hulpeloos.' Volgens Stanzel is het nu het ideale moment voor de EU om door te drukken. 'Als puntje bij paaltje komt, zijn we het in Europa niet eens met wat Donald Trump aan het doen is, maar wel met zijn kritiek op China. Zijn irrationele handelspolitiek geeft ons meer drukkingskracht tegenover China. Maar dan moeten we die wel gebruiken.' Als er één ding is wat de Chinakenners beklemtonen, dan is het dat de Europese Unie in deze veranderende wereldorde alleen overeind blijft als het optreedt als één blok. 'We zijn met alle EU-landen samen nog steeds de grootste economie ter wereld', zegt Bartsch. 'Als wij samen regulering uitvaardigen of standaarden vastleggen, zijn we machtig. Maar we onderschatten onszelf: we zien de opmars van China als onstuitbaar. Je moet opletten dat dat geen zelfvervullende voorspelling wordt.' 'Uiteindelijk zal Europa steeds vaker geconfronteerd worden met twee fronten', zegt Godement. 'Het zal moeilijk zijn om ons daarin staande te houden. Maar als er één ding kan helpen, dan is het méér Europa, niet minder. Sommige lidstaten pleiten voor een terugkeer van bepaalde bevoegdheden van het Europese naar het nationale niveau: dat is in deze harde wereld de snelste manier om invloed te verliezen.'