Bienvenido, Papa Francisco!' Het is september 2017. In Bogota, hoofdstad van Colombia, zie ik hoe bijna een miljoen mensen paus Franciscus toejuichen. De Heilige Vader zal hun land enkele dagen later met een blauw oog verlaten - een ongelukje in de pausmobiel - maar niet zonder een gloedvolle oproep te doen: 'Geef het vredesproces tussen de regering en de FARC een kans. Een echte kans.'
...

Bienvenido, Papa Francisco!' Het is september 2017. In Bogota, hoofdstad van Colombia, zie ik hoe bijna een miljoen mensen paus Franciscus toejuichen. De Heilige Vader zal hun land enkele dagen later met een blauw oog verlaten - een ongelukje in de pausmobiel - maar niet zonder een gloedvolle oproep te doen: 'Geef het vredesproces tussen de regering en de FARC een kans. Een echte kans.' Voor de hand ligt dat niet. Het conflict van de Colombiaanse overheid met de FARC, een rebellenbeweging die in 1964 ontstond toen boeren zich verenigden om voor een grootschalige landhervorming te vechten, heeft meer dan 220.000 levens geëist. Miljoenen mensen zijn erdoor ontheemd - je zou van een nationaal trauma kunnen spreken. Ondanks het akkoord tussen regering en rebellen is de weg naar wat de hoofdrolspelers 'totale vrede' noemen nog lang. En de verkiezingen van 2018 doen velen nu al schuifelen op hun stoel. Als hoofdonderhandelaar van de Colombiaanse regering heeft Humberto de la Calle het vredesproces met de FARC van begin tot einde meegemaakt. Het heeft hem geen windeieren gelegd: veel Colombianen hopen dat hij volgend jaar de nieuwe president van hun land wordt - hij bevestigde zijn kandidatuur in augustus. Ik spreek De la Calle in Bogota, waar hij kantoor houdt. Nadat een nipte meerderheid van de Colombianen op 2 oktober 2016 een eerste vredesakkoord met de FARC had verworpen in een bindend referendum - veel mensen vonden het te mild voor de rebellen - bood u president Juan Manuel Santos onmiddellijk uw ontslag aan. Maar hij viste u meteen weer op. Humberto de la Calle: Een voortdurende klacht in Colombia is dat politieke verantwoordelijkheid hier gewoonweg niet bestaat. Daarom dacht ik na de winst van het nee-kamp: 'Iemand moet een signaal geven.' Aan de bevolking, maar ook aan president Santos, zodat hij de vrijheid had om iemand anders aan te stellen. Maar hij zei me, net zoals veel andere betrokkenen: 'Je moet voortdoen, Humberto.' Vervolgens hebben de regering en de FARC samen beslist om naar de motieven van het nee-kamp te luisteren. En hebben we over een nieuw akkoord onderhandeld. Met de financiële, de logistieke en de spirituele steun, overigens, van de Europese Unie. We zijn jullie daar ontzettend dankbaar voor. Het is zwaar geweest, dat geef ik toe. Omdat mijn geduld zozeer op de proef is gesteld: in veel geledingen van de Colombiaanse samenleving roepen en tieren de mensen nu eenmaal liever dan over oplossingen te praten. En omdat ik ook fysiek heb afgezien. Ik heb liefst 180 vluchten tussen Bogota en Havana gemaakt, waardoor ik uiteindelijk een operatie aan mijn oren heb moeten ondergaan: ik had dezelfde gehoorschade opgelopen als die waarmee piloten te maken krijgen. Toen de president me weer opviste, voelde ik me als een marathonloper die, net nadat hij de eindmeet heeft gehaald, gevraagd wordt om er nog 100 meter extra uit te persen. Maar zodra ik terugdacht aan dat lange en moeizame proces, wist ik: 't is het waard. Het nieuwe vredesakkoord werd op 24 november 2016 ondertekend. Álvaro Uribe, de voorganger van president Santos en het boegbeeld van de oppositie, noemde de aanpassingen 'kosmetisch': had hij een punt? De la Calle:Verre van. Het nieuwe akkoord komt wel degelijk tegemoet aan de meeste twijfels van het nee-kamp. Er waren maar twee belangrijke punten uit de oude tekst die we niet wezenlijk wilden wijzigen. Het eerste was de overgangsjustitie voor de misdaden van de FARC, ook al zijn de sancties nu wel strenger geformuleerd. En het tweede: de politieke participatie van de voormalige rebellen. Die hebben nu recht op vijf vertegenwoordigers in de Kamer en vijf in de Senaat.De oppositie had hen liever linea recta naar de gevangenis zien gaan. Begrijpt u dat? De la Calle: Tot op zekere hoogte wel. De haat tegenover de FARC is nu eenmaal groot in Colombia. Maar ook al heeft de oppositie er geen oren naar, en ook al moeten we de zwaarste delicten natuurlijk wel bestraffen: het is een wereldwijde traditie om op het einde van een intern gewapend conflict een zo breed mogelijke amnestie te verlenen. In de onderhandelingen hebben we bewust gefocust op de slachtoffers van de FARC. En die hebben ons zelf gezegd: 'Gevangenisstraffen zouden onze verwachtingen niet vervullen.' Zij zagen liever dat FARC-leden de volledige waarheid over hun daden zouden vertellen. Dat ze de plaatsen zouden bezoeken waar ze schade hebben aangericht en die schade zouden repareren. En dat ze hun slachtoffers recht in de ogen zouden kijken en hun verontschuldigingen zouden aanbieden. Aan die verwachtingen komt de overgangsjustitie, met haar herstelmaatregelen, tegemoet. Alleen zo kunnen we de guerrillero's weer in de samenleving integreren. Die samenleving is van oudsher erg verdeeld: dat in Colombia 1 procent van de bevolking de helft van de grond in handen heeft, spreekt op zich al boekdelen. Hoe zou u de eendracht promoten als u volgend jaar president zou worden? De la Calle: Daar zijn we al mee bezig. Al sinds de wapenstilstand van 2015 hebben FARC-leden niemand meer gedood. De voorbije zomer hebben ze hun laatste wapens ingeleverd bij de Verenigde Naties. En ze zijn een politieke beweging geworden. Meer en meer Colombianen zullen geloven dat het conflict met de rebellen écht tot een goed einde gekomen is. Dat moet ons vleugels geven om ook in de brede Colombiaanse samenleving vrede te stichten. Om de extreme ongelijkheid aan te pakken, de polarisering tegen te gaan en het geweld tegen vrouwen, zwarten en de indigenas - de inheemse bevolking - een halt toe te roepen. We willen iedereen laten inzien dat de diversiteit in Colombia een rijkdom is en geen last, zoals veel stedelingen denken. Ook met de bewoners van verafgelegen regio's, naar wie de overheid zo lang niet heeft omgekeken, moet er solidariteit komen. En ondertussen onderhandelen we verder met de resterende rebellengroepen, zoals het Nationaal Bevrijdingsleger (ELN). Om dat van geweld doortrokken verleden eindelijk achter ons te laten. Vooraleer ik Luis Carlos Villegas in zijn ministerie in de hoofdstad te spreken krijg, moet ik via vier checkpoints passeren - voor een Colombiaanse minister van Defensie is dat helaas geen overbodige voorzorg. Maar zo streng de controle was, zo hartelijk is de man zelf. Hij biedt me een tinto aan, een Colombiaanse koffie, en steekt zonder dralen van wal. Luis Carlos Villegas: In meer dan vijftig jaar ben ik de eerste minister van Defensie die 's ochtends op zijn kantoor kan aankomen zonder zich zorgen over de rebellen te moeten maken. Vijf jaar geleden lagen in ons militair ziekenhuis op piekmomenten zevenhonderd soldaten die in het conflict gewond waren geraakt, vandaag is de rust er weergekeerd. Eindelijk kunnen we ons volop wijden aan taken die we lang hebben moeten verwaarlozen, zoals de bescherming van onze grenzen of onze natuurlijke rijkdommen - we treden op tegen de illegale houtkap, de vervuiling van het drinkwater enzovoort. En we kunnen weer volop instaan voor de veiligheid van onze burgers. Uit onderzoek blijkt dat het leger van alle instellingen de meeste legitimiteit geniet: 80 procent van de bevolking staat erachter. Ter vergelijking: de kerk haalt 70 procent. Ik durf het gerust te zeggen: u bent te gast in een nieuw land. Het voorbije jaar heeft Colombia 7 miljoen toeristen ontvangen; in het decennium vóór het akkoord waren er dat alles samen 500.000. We kunnen weer van een hogere landbouwproductie dromen, de buitenlandse investeringen nemen toe, het armoedecijfer is gedaald van 50 naar 27 procent. De infrastructuur wordt gemoderniseerd, waardoor verafgelegen regio's weer beter toegankelijk zijn, en onze gezondheidszorg is sterk geëvolueerd - vandaag discussiëren we bijvoorbeeld over de vraag of een maagverkleining al dan niet terugbetaald moet worden door de ziekteverzekering. Ook op het vlak van veiligheid zien we een grote sprong: in 2000 werden 25.000 moorden gepleegd, het voorbije jaar 11.000. En dat terwijl er sinds 2000 9 miljoen Colombianen bij zijn gekomen. Ondertussen werkt nog een half miljoen Colombianen voor het leger: is zo'n grote krijgsmacht wel nodig in het post-FARC-tijdperk? Villegas: Meer dan ooit, zelfs. In 2012 al, toen de vredesonderhandelingen bekend werden gemaakt, heeft president Santos de strategische beslissing genomen om een machtig leger te behouden. We hadden lessen getrokken uit slechte ervaringen in Centraal-Amerika: in die landen was, na de ondertekening van grote vredesakkoorden met rebellen, telkens besloten om het budget voor leger en politie drastisch te doen dalen. Dat bleek al gauw een vergissing, waarvan we de catastrofale gevolgen nog dagelijks meemaken: de landengte tussen Mexico en Colombia is een van de gevaarlijkste regio's ter wereld. Nee, zolang een land nog niet op sterke instellingen kan rekenen, heeft het een sterk leger nodig. Het onze is vandaag zelfs sterker dan ooit. De gebieden die door de rebellen verlaten zijn, blijven erg kwetsbaar: als we daar geen troepen zouden stationeren, zou de georganiseerde misdaad er binnen de kortste keren welig tieren. Overigens, sinds de vrede met de FARC zijn onze democratie en onze openbare orde al aangesterkt. Nog maar net heeft de Clan del Golfo, een paramilitaire groepering die zich met drugshandel inliet, zich bij justitie gemeld: dat is daarvan een mooi bewijs. Hebt u er vertrouwen in dat ook het ELN zal ontwapenen? Villegas: Ja. De voorbije decennia hebben we hun minstens twaalf keer een staakt-het-vuren voorgesteld. Telkens opnieuw weigerden ze. Maar door het wapengekletter te staken, heeft de FARC hun een belangrijke les gegeven. Ik ben er zeker van: ook zij zullen finaal voor de politieke weg kiezen. Juan Manuel Santos is het voorbije jaar internationaal geprezen voor zijn inspanningen om vrede te stichten, maar hoe waardeert de gemiddelde Colombiaan hem? Villegas: 'Geen profeet is in zijn eigen land geëerd': kent u dat Bijbelse spreekwoord? Het gaat perfect op voor onze president. Vlak voor de eeuwwisseling had elke Colombiaan wel een dierbare die ontvoerd of vermoord was door de FARC. Dat het vredesproces weerstand zou oproepen, sprak voor zich. Maar sinds de ontwapening zie ik een verandering in de publieke opinie. Het zal nu niet lang meer duren vooraleer de president ook in Colombia de erkenning krijgt die hij verdient. Carlos Antonio Lozada, de man die namens de FARC over het vredesakkoord onderhandelde, ontvangt me in een Bogotaans hotel. Voor de deur staan vier politieauto's geparkeerd, in de lobby houden negen agenten de wacht. Ik moet mijn tas afgeven, word gefouilleerd, en stap in een lift die maar naar één hoge verdieping leidt - ik heb er het raden naar welke. Na mezelf nog een laatste keer te hebben geïdentificeerd, betreed ik het zaaltje waar Lozada me opwacht. De begroeting is joviaal, al zal de bevelhebber het hele gesprek lang enige distantie bewaren. Hoe kijkt u terug op het vredesakkoord? Carlos Antonio Lozada: Dat we de negatieve uitkomst van het referendum toch tot een positief resultaat hebben kunnen ombuigen, was ongelooflijk. Vooral de enorme steun van de jongeren heeft ons het optimisme gegeven om door te gaan, ondanks scherpe oppositie, tot en met de goedkeuring van het nieuwe akkoord door het Congres in december 2016. Maar ik moet zeggen: de uitvoering ervan is vaak moeilijk verlopen. Onze overheid is enorm bureaucratisch, ziet u. Zelfs zaken die je een-twee-drie zou kunnen realiseren, nemen een zee van tijd in beslag. Veel onderdelen van het akkoord hebben daardoor een serieuze vertraging opgelopen, zoals het inleveren van de wapens. Om de vrede in de praktijk te brengen, zijn ook steeds nieuwe wetten nodig, en ook die molen maalt langzaam. Vanuit de Estado Mayor, het secretariaat van de FARC, proberen we er nu op toe te zien dat onze leden een collectieve integratie in het politieke en sociale leven gegund wordt. Het grootste gevaar is nu dat ex-guerrillero's ongeduldig beginnen te worden, en zich op eigen houtje in de samenleving proberen te integreren. Dat zoiets niet werkt, is genoegzaam gebleken uit vredesprocessen elders in de wereld. Guerrillero's zijn een totaal ander leven gewend: als ze geen ondersteuning op maat krijgen, als groep, is hun integratie gedoemd om te mislukken. Hoe ziet die collectieve integratie er in de praktijk uit? Lozada: Om u een voorbeeld te geven: we laten onze ex-strijders nu deelnemen aan projecten waarbij ze, via coöperaties, geleidelijk aan deelnemen aan de economische productie van een gemeenschap. Op die manier effenen ze ook het pad om zich later met hun familie te midden van die gemeenschap te vestigen. De FARC spreekt vaak over 'het terrorisme van de staat'. Wat bedoelt u daarmee? Lozada: Dat het politieke regime in Colombia altijd met geweld geregeerd heeft. Er is een hele catalogus van systematisch geweld waardoor de mensen- en de burgerrechten, en de politieke en de economische ontwikkeling van de Colombianen enorme schade hebben geleden, van bedreigingen en vervolgingen over verplichte verhuizingen tot mishandelingen en moorden. Colombia is een rijke natie, maar door die wanpraktijken staan we bovenaan op de lijst van landen met een grote ongelijkheid. Net daardoor zijn in de jaren vijftig rebellenbewegingen ontstaan. Daarom hebben we, tijdens de vredesonderhandelingen, óók gesproken over het ontwapenen van de staat. Ja, de overheid mag wapens inzetten, maar alleen om de samenleving en onze natuurlijke rijkdommen te beschermen. Niet voor politieke doeleinden. Tot mijn spijt is daar met het akkoord geen einde aan gekomen. Nog altijd schuwt de overheid geen dodelijk geweld tegen populaire leiders en mensenrechtenactivisten. Sinds eind augustus staat FARC niet meer voor Fuerzas Armadas Revolucionarias de Colombia (Gewapende Revolutionaire Strijdkrachten van Colombia) maar voor Fuerza Alternativa Revolucionaria del Común (Alternatieve Revolutionaire Kracht van het Volk). Wat is uw ambitie als politieke beweging? Lozada: Volgend jaar voeren we onze eerste verkiezingscampagne - een belangrijk moment in onze geschiedenis. Tijdens het startevenement van onze politieke partij verzamelden zich dertigduizend man op de Plaza de Bolívar in Bogota. De meerderheid was afkomstig uit de hoofdstad zelf, en er waren veel jongeren bij: dat bewees dat we mensen aanspreken die we vroeger moeilijk bereikten. Bovenal willen we de delen van de bevolking die zich het minst politiek vertegenwoordigd voelen, maar die het belang van vrede inzien, overtuigen om zich achter ons project te scharen. Ik maak me geen illusies: de tegenstanders van het vredesakkoord zullen alles uit de kast halen om de polarisatie in Colombia nog te versterken en zo de verkiezingen te winnen. We hopen vurig dat de vrede ook in de aanloop naar de verkiezingen gerespecteerd zal worden, en dat onze toekomstige politieke kandidaten niet moeten vrezen voor hun leven. We zijn ervan overtuigd dat het vredesakkoord een enorm potentieel heeft. Net omdat er geen revolutionaire hervormingen in staan maar eerder kleinere veranderingen. Die kunnen op hun beurt een kettingreactie van structurele veranderingen in gang zetten, waardoor we een echt democratisch Colombia kunnen opbouwen. Wat verwacht u van de volgende regering? Lozada: Dat ze zich niet alleen aan de realisatie van het akkoord houdt. Ze moet vérder durven te gaan. In de eerste plaats door een nieuwe grondwet te schrijven. Een grondwet die de vrede in de basisstructuren van onze samenleving verankert. De naam van het ELN, het Ejército de Liberación Nacional of Nationaal Bevrijdingsleger, is al een paar keer gevallen. Ook de grootste nog actieve rebellenbeweging in Colombia is sinds een jaar gewonnen voor de vrede. Haar onderhandelingen met de regering, die in september al uitmondden in een staakt-het-vuren van honderd dagen, hebben plaats in Quito, de hoofdstad van buurland Ecuador. Daar ontmoet ik, wederom in een zwaarbewaakt hotel, Pablo Beltrán, de tweede in rang van het ELN. Hij voert namens zijn collega-rebellen de onderhandelingen. Pablo Beltrán: Het vredesproces is ongelooflijk complex, des te meer omdat het ELN niet alleen een gesprek met de regering wil. President Santos wordt tenslotte maar door de helft van zijn bevolking gesteund, de andere helft voelt zich niet vertegenwoordigd aan de onderhandelingstafel. Dat is de grote zwakte van deze onderhandelingen en die met de FARC. En daarom willen wij een dialoog tussen álle geledingen van de Colombiaanse samenleving op gang brengen. Met vertegenwoordigers van handelaars, boeren, vakbonden, minderheden, noem maar op. Politieke en maatschappelijke veranderingen zijn, wat ons betreft, het voornaamste punt op de agenda. De regering focust op een ander punt: de beëindiging van het gewapende conflict. Telkens opnieuw moeten we haar eraan herinneren: 'Ja, dat willen wij ook, maar alleen als er een diepgaande transformatie mee gepaard gaat.' Wat denkt u dat er anders zal gebeuren als wij de wapens neerleggen? Ik zal het u zeggen: dan nemen andere guerrillero's onze plaats in.Ik zal u een anekdote vertellen. De Universiteit van Los Andes in Bogota, waar de elite haar jongeren naartoe stuurt, heeft in maart een eredoctoraat gegeven aan James Robinson, een eminente Britse Colombia-kenner. In zijn toespraak zei hij wat wij guerrillero's al zo lang zeggen: 'De Colombiaanse staat en samenleving staan op instorten. En de oorzaak daarvan is niet het gewapende conflict. De oorzaak is de grote ongelijkheid.' Hij riep de studenten op om later, in hun carrière, niet te profiteren van dat onevenwicht, maar om het weg te werken. 'Slagen jullie daarin', besloot hij, 'dan zal ook het conflict in Colombia opgelost zijn.' Dezelfde eis stellen wij aan de huidige machthebbers: zolang zij hun eigen belang laten voorgaan op dat van de Colombianen, zullen we onze basis niet verlaten, ook al zullen we blijven onderhandelen. U wilt, net zoals de FARC, het geweld uit de politiek halen.Beltrán: Dat klopt. Door met geweld conflicten 'op te lossen', heeft de staat de kiem van de ongelijkheid gelegd. Wie zich tegen het regime kant, wordt nog altijd bedreigd, vervolgd of vermoord. Terwijl de Colombiaanse regering zichzelf overal in de wereld op de borst klopt met haar vredesproces, zijn hier in de eerste helft van 2017 51 mensenrechtenactivisten vermoord - in de eerste helft van 2016 waren er dat nog 35. Elke dag staan we een beetje dichter bij totale vrede, om de term van president Santos te gebruiken, maar die zal er pas echt zijn als de overheid geweldloos omgaat met protest, als de wapens zwijgen en de stem van de hele bevolking gehoord wordt. Welke rol zullen de verkiezingen van 2018 daar volgens u in spelen? Beltrán: Al decennia veegt in Colombia elke regering met de glimlach de inspanningen van de vorige regering van tafel. Als er in augustus 2018 een andere aan de macht komt, zal die onze gesprekken dan stopzetten? Het zou het me niet verbazen. Mijn laatste halte is de Colombiaanse ambassade in Brussel. Ik word er hartelijk onthaald door Rodrigo Rivera Salazar, de voormalige ambassadeur in ons land. Hij is sinds 31 juli aangesteld als hoge vertegenwoordiger voor de vrede in zijn thuisland. In die rol moet hij de door president Santos gepredikte totale vrede in Colombia implementeren. De president heeft u - in voetbaltermen - op enkele minuten van het einde van de match het veld op gestuurd, met een duidelijke opdracht: u moet scoren. Hoe groot is de druk op uw schouders?Rodrigo Rivera Salazar:(lacht) Maakt u zich geen zorgen: het vredesproces is geen persoonlijke verantwoordelijkheid, het wordt gedragen door een hele ploeg. Nadat de onderhandelingen met de FARC waren afgerond, zijn we de dialoog met de Colombiaanse samenleving gestart. In plaats van twee partijen nemen aan die dialoog honderden, duizenden, miljoenen mensen deel. Alle instellingen van het land zijn erbij betrokken, net zoals het hele middenveld en de internationale organisaties die ons ondersteunen. Alleen op die manier kunnen we de 14.000 ex-strijders in de samenleving opnemen. Dat is onze eerste uitdaging. Een andere uitdaging wacht u in de gebieden die de guerrillero's verlaten hebben. Rivera Salazar: We moeten die gebieden inderdaad zo snel mogelijk versterken met democratische instellingen. Alleen al door zijn geografie is Colombia moeilijk te besturen: ons land is twee keer zo groot als Frankrijk en Spanje samen, ligt voor de helft in tropisch regenwoud en heeft drie cordillera's, bergketens zo hoog als de Alpen. Ook in die moeilijk bereikbare regio's moeten we gezondheidszorg en educatie aanbieden, zorgen voor infrastructuur en de veiligheid garanderen. Onze derde uitdaging is de moeilijkste: verzoening. Catharsis. Die kun je niet met een akkoord of een wet afdwingen, natuurlijk. Rivera Salazar: Nee. Sinds 1810, toen ons land zich onafhankelijk van Spanje verklaarde, hebben we meerdere gewelddadige periodes gekend. Telkens weer maakte een vredesakkoord daar een einde aan, maar tot een volledige verzoening kwam het daardoor nog niet. Na de Tweede Wereldoorlog is het in Europa tot zo'n verzoening gekomen. Aan de inspanningen van de EU om op een duurzame manier voor vrede te zorgen, willen wij een voorbeeld nemen. Ik weet het: veel Colombianen kunnen zich geen leven zonder geweld meer voorstellen, ze geloven zelfs niet meer dat dat überhaupt mogelijk is. Omdat we van zo ver komen, spreken we niet zomaar van 'vrede' maar van 'totale vrede'. Elke landgenoot moet voor zichzelf uitmaken: 'Waarvoor kies ik?' Kiest hij alleen met woorden voor de vrede, dan zal die een minuut duren. Kiest hij met zijn verstand, dan duurt ze enkele maanden. Kiest hij met zijn hart? Dan zal hij ze voor altijd steunen - en dan heb je totale vrede. Via lokale autoriteiten, via ondernemers, via de kerk zullen we de bevolking daartoe proberen te bewegen. Wat is volgens u de doorslaggevende factor geweest in het Colombiaanse vredesproces? Rivera Salazar: In mijn jonge jaren heb ik altijd horen vertellen: 'Onmogelijke dingen bestaan niet, onbekwame mensen wel.' We hebben aangetoond, met president Santos op kop, dat je met leiderschap, vastberadenheid en doorzettingsvermogen het onmogelijke kunt verwezenlijken. Jaren geleden gaf vrijwel geen enkele Colombiaan een cent voor de ontwapening van de FARC. Maar kijk eens waar we nu staan. En waar wilt u staan als uw taak erop zit? Rivera Salazar: Mijn liefste wens is dat Colombia dan een land als alle andere zal zijn. Net zo leven als jullie in Europa: daarvan dromen wij.