David Shor werd beroemd door een ontslag. Eind mei werd de 28-jarige data-analist een symbool van de zogenaamde cancel culture. Te midden van de protesten na de dood van George Floyd verzond hij een tweet waarin hij wees op een studie die aantoonde dat niet-gewelddadige betogingen effectiever waren dan 'rellen' om de publieke opinie en kiesgedrag naar links te krijgen. Heel wat Twittergebruikers bestempelden die opmerking als weinig tactvol, en ook bij enkele van zijn collega's viel de tweet niet in de smaak. Twee weken later werd hij ontslagen bij het databedrijf Civis Analytics.
...

David Shor werd beroemd door een ontslag. Eind mei werd de 28-jarige data-analist een symbool van de zogenaamde cancel culture. Te midden van de protesten na de dood van George Floyd verzond hij een tweet waarin hij wees op een studie die aantoonde dat niet-gewelddadige betogingen effectiever waren dan 'rellen' om de publieke opinie en kiesgedrag naar links te krijgen. Heel wat Twittergebruikers bestempelden die opmerking als weinig tactvol, en ook bij enkele van zijn collega's viel de tweet niet in de smaak. Twee weken later werd hij ontslagen bij het databedrijf Civis Analytics. Voor Shor is het een rimpeling in een voor de rest steil oplopende carrière. Op nauwelijks 20-jarige leeftijd werkte hij al voor Nate Silver, de auteur van het statistische model waarmee de Obamacampagne de verkiezingen analyseerde. Shor, een zelfverklaard socialist, is een echt cijferbeest, maar tegelijk een uiterst belezen strateeg die voor elke vraag een antwoord formuleert waarbij hij minstens uit drie peer-reviewed studies citeert. Hij is een overtuigd aanhanger van het Median Voter Theorem, de stelling dat in een meerderheidssysteem uiteindelijk de mediaankiezer (de theoretische kiezer in het midden van het politieke spectrum) bepaalt wie de verkiezingen wint. Ook vandaag is hij nog een invloedrijk adviseur voor de Democratische partij Wat hebt u geleerd sinds uw periode bij de verkiezingscampagne van Barack Obama? David Shor: Toen ik in de politiek ging, overschatte ik het belang van persoonlijke ideologie bij mensen die de beslissingen nemen. Als het Witte Huis bijvoorbeeld een Klimaatweek houdt, dacht ik bijvoorbeeld dat dat wel moest zijn omdat er polls waren die aantoonden dat klimaatbeleid een zwakke plek is van de Republikeinen. Maar zodra je die mensen leert kennen, snap je al snel dat het nooit zo loopt. Doorgaans hadden ze gewoon een ongemakkelijke vergadering over wat ze die week zouden doen, en hebben ze uiteindelijk maar bedacht om iets over klimaat te doen. Er is weinig strategische planning op lange termijn binnen de partij. Niemand heeft de incentive om dat te doen. Ik denk ook anders over politieke verandering. Veel mensen ter linkerzijde denken dat Hillary Clinton de economische en de sociale onderwerpen liet liggen vanwege de neoliberale ideologie van haar adviseurs, en onder invloed van de grote donoren. Maar dat is niet wat er gebeurd is. De echte reden is dat Hillary peilingbureaus inhuurde die niet doorhadden dat mensen uit de arbeidersklasse minder vaak aan peilingen deelnemen dan hoogopgeleiden. Daardoor kwamen kosmopolitische, sociaal-liberale onderwerpen beter uit die peilingen, wat haar uiteindelijk heel wat stemmen kostte. Je zou ook kunnen veronderstellen dat welvarende adviseurs een zekere neiging hebben om hun eigen kosmo- politische wereldbeeld bevestigd te zien. Shor: Precies. Campagneteams willen uiteraard winnen. Maar de mensen die in een campagne meewerken, zijn uiterst ideologisch gemotiveerd en hebben daardoor de neiging om strategisch domme dingen te doen. Eigenlijk zeggen adviseurs zoals ik zelden iets slims. We maken allerlei ingewikkelde, soms behoorlijk coole berekeningen, maar eigenlijk is onze boodschap altijd dezelfde: 'Stop je geld in goedkope mediamarkten, in staten waar het spannend is, zo dicht mogelijk bij de verkiezing aan. Praat over dingen die populair zijn, en praat niet over dingen die niet populair zijn.' Veel mensen in de campagne van Hillary Clinton hebben zichzelf ervan overtuigd dat ze geen aandacht moesten besteden aan de racistische witte kiezers. Hoe definieert u racisme in deze context? Shor: Kijk, blanke arbeiders hebben een enorme hoeveelheid politieke macht, en ze neigen tegenwoordig naar de Republikeinse Partij. Het is redelijk duidelijk wat daarvan de oorzaak is. Kiezers die een leven lang Democratisch hebben gestemd en plots op Donald Trump stemmen, doen dat niet uit frustratie met Obamacare of het Amerikaanse handelsbeleid. In 2016 was de voornaamste voorspeller van kiesgedrag het opleidingsniveau. Hoger opgeleiden stemmen eerder op de Democraten, lager opgeleiden eerder op de Republikeinen. Maar als je aan kiezers een vraag stelt zoals 'Vindt u dat blanken moeilijk aan een job raken omdat die jobs naar niet-blanken gaan?' of 'Hebben blanken te weinig invloed op hoe het land bestuurd wordt?' valt opleidingsniveau weg als voorspeller. Lager opgeleiden die geen raciaal ressentiment vertonen, neigen nog steeds naar de Democraten, en hoogopgeleiden die wel raciaal ressentiment vertonen, neigen naar de Republikeinen. Trump voerde campagne met een anti-politiek correcte, antimigratieboodschap. En die kiezers die hij binnenhaalde, correleerden in grote mate met raciaal ressentiment. De enige conclusie is dat kiezers die zowel op Obama stemden als op Trump gemotiveerd worden door racisme. Maar ze zijn electoraal van belang, dus we moeten ze terug aan onze kant krijgen. Hoe moeten de Democraten dat aanpakken? Shor: De voornaamste uitdaging is dat kiezers niet de ideologische consistentie hebben van politici. Zoals de politoloog David Broockman het eens verwoordde: gematigde kiezers hebben geen gematigde standpunten. Een grote massa kiezers volgt ons op bepaalde onderwerpen, maar er zijn ook heel wat onderwerpen waarop ze ons niet volgen. Hoe meer we over die populaire onderwerpen praten, hoe groter de kans is dat kiezers op basis daarvan hun stem zullen uitbrengen. Elke keer dat je je mond opent, haal je bepaalde kiezers binnen. Maar tegelijk raak je er ook enkele kwijt. Laagopgeleide blanken hebben gemiddeld gesproken een zeer conservatieve blik op immigratie, en eerder conservatieve houdingen tegenover ras. Maar ze steunen wel dingen als een algemene ziekteverzekering en hogere minimumlonen. We moeten dus proberen om te praten over de onderwerpen die ons liggen. In de praktijk betekent dat: niet praten over migratie. Maar de publieke opinie is toch geen vaststaand gegeven? Waarom zouden Democraten bijvoorbeeld geen tegen- narratief kunnen ontwikkelen over hoe de bedrijfswereld etnische verdeeldheid gebruikt om werknemers tegen elkaar uit te spelen? Shor: Je moet begrijpen hoe de mechanismen werken. Er is misschien 20 procent van het electoraat dat vertrouwen heeft in de Democratische elite. Als de partij hen vertelt om van mening te veranderen, doen ze dat vrijwel ogenblikkelijk. Het probleem is dat swing voters (die weleens wisselen van partij bij het stemmen, nvdr) geen van beide partijen vertrouwen. Als je de Democratische kiezers ervan zou overtuigen om de detentiecentra voor migranten af te schaffen, is er geen reden om aan te nemen dat blanke racistische mensen dat plots een goed idee zouden vinden. Het zorgt er alleen voor dat zulke kiezers Republikeinen worden. Hoe kijkt u naar wat er de voorbije weken gebeurd is? Er is aandacht voor de racistische uitwassen van de politie, de steun voor Black Lives Matter neemt toe, en de Democratische presidentskandidaat Joe Biden heeft een aanzienlijke voorsprong in de polls. Shor: Alles hangt finaal af van welke partij de kiezers vertrouwen op welk onderwerp. Het voorstel om een achtergrondcontrole te houden bij iedereen die een wapen koopt, is bijvoorbeeld superpopulair. En toch merken we dat politici die daarmee campagne voeren vaak verliezen. Een van de grote problemen met polls is dat de informatie beperkt is. Je stelt mensen een vraag van een zin lang over een idee waarover ze vaak nog nooit hebben gehoord. Zo'n vraag leert je hoe mensen antwoorden op een bepaald beleid, zonder partijpolitieke context. Maar uiteindelijk horen mensen beide kanten van het politieke spectrum, en schuiven ze vaak op in de richting van het standpunt van hun partij. In Amerika werkt het ongeveer als volgt. Als het gaat over het verbeteren van de raciale verhoudingen, scoren de Democraten heel hoog. Maar die raciale spanningen worden in Amerika vaak gezien in de context van misdaadbestrijding, een onderwerp waarop de Republikeinen erg hoog scoren. Of het wordt gezien in termen van migratie, wat ook een onderwerp is waarop Republikeinen goed scoren. Zelfs als kiezers erkennen dat er systematische ongelijkheid is in Amerika, gebeurt die discussie in een context waarbij conservatieven het zien als een afweging tussen ongelijkheid en veiligheid. En wat veiligheid betreft, hebben ze nu eenmaal meer vertrouwen in de Republikeinen. Zonder de rellen zouden de protesten tegen het politiegeweld nooit zoveel aandacht hebben gekregen. Hoe weten we dat het de niet-gewelddadige protesten zijn die een politieke vertaling krijgen, en niet de gewelddadige? Shor: Het is geen fysica. Je kunt dergelijke dynamieken nooit helemaal begrijpen. Ook bij niet-gewelddadige protesten is er soms geweld. Het gaat erom welke proporties het geweld aanneemt. Geweld zorgt ervoor dat mensen bang worden, en als ze voor hun veiligheid vrezen, gaan ze op zoek naar orde. En orde is een onderwerp waarop conservatieven altijd winnen. Maar als veiligheidsdiensten excessief geweld gebruiken tegen ongewapende betogers komt het begrip orde in diskrediet, en ervaren mensen vooral een gevoel van oneerlijkheid. De protesten na de dood van George Floyd waren eerst gewelddadig. Maar algauw zagen we vooral incidenten waarbij de overheid geweld pleegde tegen onschuldige betogers. Toen Trump traangas liet afvuren op onschuldige mensen, schoot de steun voor Biden de hoogte in. U bent kritisch voor de beslissingen van de Clintoncampagne, maar is dit niet een veel breder fenomeen? Zowel in de VS als in West-Europa zijn lager opgeleide kiezers al decennia naar rechts opgeschoven. Shor: In de jaren veertig en vijftig maakten hoger opgeleiden nauwelijks 4 procent uit van het electoraat. Zowel de Republikeinse als de Democratische Partij werd gerund door een zeer hoogopgeleide, kosmopolitische minderheid die geloofde in democratie en de rechtsstaat. Bovendien had die kleine groep niet alleen controle over de politiek, maar ook over de media. Beide kanten wisten dat het electoraal niet interessant was om campagne te voeren met kosmopolitische onderwerpen, en dus gingen campagnes alleen over de economische meningsverschillen binnen de kosmopolitische elite. Maar ondertussen maken hoogopgeleiden al bijna 35 procent uit van het kiespubliek. Dit is het eerste moment ooit in de menselijke geschiedenis waarbij partijen kosmopolitische waarden kunnen uitdragen en verkiezingen winnen. Hoe verklaart u de kloof tussen hoog- en laagopgeleiden in het omarmen van die zogezegd kosmopolitische waarden? Shor: Er bestaat een sterke correlatie tussen opleidingsniveau en de mate waarin mensen openstaan voor nieuwe ervaringen. Toen in Europa de leerplicht verhoogd werd van 16 naar 18 jaar, bleek dat de eerste generatie van studenten die langer op school bleven een veel linksere kijk had op onderwerpen zoals migratie dan hun onmiddellijke voorgangers. Onderwijsniveau heeft een enorme impact op de bereidheid van mensen om open te staan voor nieuwe ervaringen. Politiek gesproken manifesteert dat zich in een onderwerp als migratie. In de jaren veertig bleken hoogopgeleide Amerikanen bereid om joodse vluchtelingen op te nemen, laagopgeleiden niet. Het geldt in alle landen. Ook in Zuid-Afrika zijn hoogopgeleiden bereid om Zimbabwaanse vluchtelingen op te nemen, en Zuid-Afrikanen uit de arbeidersklasse niet. Het voorbeeld van Zuid-Afrika suggereert dat die verschillen in opleidingsniveau zich over raciale en etnische lijnen manifesteren. Verliezen de Democraten ook terrein bij niet-blanke lager opgeleiden? Shor: Ja. In 2016 neigden zwarte kiezers naar de Republikeinse Partij. Hispanics neigden in de battleground states ook naar rechts. Ook in 2018 neigden niet-blanke kiezers, in verhouding tot de rest van het land, naar de Republikeinse Partij. Je ziet het ook in de huidige polls. Het is niet duidelijk waarom dat gebeurt. Er zijn sowieso grote culturele gelijkenissen tussen niet-hoogopgeleide blanken en niet-hoogopgeleide zwarten. Het verschijnsel waarbij mensen op basis van hun ras stemmen, is aan het verdwijnen. Al is het natuurlijk niet zo dat alle zwarten zich nu afkeren van de Democratische Partij. Het zijn vooral seculiere zwarte kiezers die vaker Republikeins zijn gaan stemmen. Eigenlijk begint Amerika wat dat betreft meer op Europa te lijken, waar ongeveer 65 procent van de niet-blanke kiezers links stemt. In Amerika stemt 90 procent van de zwarten nu nog links.Zijn werkelijk alle tendenzen slecht voor de Democraten? Wat zijn de vooruitzichten voor het komende decennium? Shor: Ik zal beginnen met het goede nieuws. Ik was bang dat de aanhangers van Mitt Romney (Republikeinse presidentskandidaat die in 2012 verloor van Obama, nvdr) die op Hillary Clinton hebben gestemd weer Republikeinen zouden worden, maar dat de Obamastemmers die op Trump hebben gestemd niet opnieuw Democraten zouden worden. Dat is niet gebeurd: de polls in 2020 tonen aan dat we de door Clinton binnengehaalde stemmen behouden. Hoogopgeleide professionals zijn eigenlijk Democraten geworden. Om het Kiescollege te winnen, zijn die nieuwe kiezers niet optimaal, maar het heeft wel voordelen. In welke zin? Shor: In linkse kringen bestaat het idee dat rijke mensen een disproportionele invloed en macht hebben in de politiek. Er bestond nooit eerder een geïndustrialiseerde maatschappij waarin de rijkste en machtigste mensen zo links waren als in Amerika. Op de rechtenfaculteit van Stanford University zijn er twintig keer zoveel Democratisch gezinde studenten als Republikeins gezinden. Nauwelijks 3 à 4 procent van de studenten aan Harvard University heeft op Trump gestemd. Je ziet het ook bij de kleinere donoren - van wie de overgrote meerderheid rijk is. In 2012 doneerde 54 procent van de kleine donoren aan de Democraten. In 2018 was dat 76 procent. 2018 was het eerste jaar waarin ook de Super Pacs (actiecomités die politieke campagnes sponsoren, nvdr) meer aan Democraten gaven dan aan Republikeinen. Dat zijn allemaal groepen die vroeger conservatieve macht handhaafden en nu progressief zijn geworden. Democraten worden vandaag beter gesponsord, de media zijn ons beter gezind. U beweert dat die rijke donoren de partij naar links trekken. Maar tegelijk zien we dat Democratische presidenten er niet in slagen om werknemers meer onderhandelingsmarge te geven bij sociaal overleg. Is het niet zo dat die rijke donoren uit de zakenwereld de partij op bepaalde vlakken net naar rechts trekken? Shor: In de politiek op lokaal en statelijk niveau is geld uit de zakenwereld absoluut een drijvende kracht. De realiteit is dat je als partij op staatsniveau soms dingen van bedenkelijk ethisch niveau moet verdedigen om te blijven functioneren, omdat kleinere donoren vaak niet aan campagnes op statelijk niveau geven. Maar je mag de invloed van kleine donoren op de hedendaagse politiek niet onderschatten. Het meeste geld van de Democratische campagne komt vandaag van donoren die enkele honderden dollars geven die ideologisch gemotiveerd zijn, en van zeer linkse miljonairs en miljardairs zoals George Soros. Dat doet natuurlijk de vraag rijzen waarom zo veel gematigde Democraten toch voor centrumrechts beleid kiezen dat niet eens populair is bij de kiezers. Waarom stemt een Democratische senator zoals Heidi Heitkamp in 2018 voor verdere deregulering van de bankensector, zelfs als de mediaankiezer in North Dakota dat niet wil? Omdat de mediaankiezer geen senator wil die de ondernemerswereld niet goed gezind is. Als de ondernemerswereld van North Dakota dus signaleert dat Heitkamp niet goed is voor ondernemers, is dat slecht nieuws voor haar. De zakenwereld trekt de partij naar rechts, maar doet dat vooral met zijn culturele macht, niet met campagnedonaties. Eigenlijk zegt u dat niet de politici maar de mediaankiezer worden afgekocht door het grote geld. Shor: Jep. Het idee dat de persoonlijke keuzes van individuele Democratische politici verhinderen dat het beleid naar links opschuift, slaat nergens op. De politici zelf zijn zeer links. Maar ze willen ook campagnes winnen. Ik heb in mijn carrière vaak gezien hoe we dingen die in peilingen populair bleken niet deden uit ideologische overwegingen. Als Joe Biden gewoon de polls zou volgen, zou hij het Hyde Amendment moeten steunen (de wet die stelt dat er geen federaal geld naar abortus mag gaan, nvdr). Dat is heel populair in de peilingen. Maar de mensen met wie hij campagne voert, zijn ertegen. En dus is Biden tegen het Hyde Amendment. Mensen onderschatten de bereidheid van Democraten om links beleid te voeren dat hen niet de verkiezingen kost. Er zijn veel radicale, erg linkse ideeën die populair zijn. Medezeggenschap organiseren in bedrijven is populair. Een federale jobgarantie is populair. Hogere minimumlonen zijn populair. Maar het zijn stuk voor stuk ideeën die weerstand krijgen vanuit het grootkapitaal. Als je focust op de dingen die populair zijn, kun je Democratische leiders er wel degelijk van overtuigen om ze te omarmen. Het is een denkoefening die veel linksgezinden niet willen maken, maar ze moeten wel. Als de Democraten niet met realistische eisen komen, dreigen we opnieuw verslagen te worden. Denkt u dat de coronacrisis ervoor gezorgd heeft dat er meer realistische eisen zijn? Shor: Een onderschatte politieke consequentie van het virus is dat Democraten nu een veel grotere kans hebben om een meerderheid te veroveren in de Senaat, omdat de Republikeinen zich daar verzetten tegen dingen die erg populair zijn. Gezondheidszorg staat meer op de agenda, en dat is een onderwerp waarover Amerikanen meer vertrouwen hebben in de Democraten. Maar ook hun verzet tegen bijvoorbeeld betaald verlof is ongelooflijk toxisch. Ziet u andere positieve tendenzen voor de Democraten?Shor: Een positieve evolutie is dat de polarisering op basis van leeftijd is toegenomen. Jongere generaties worden steeds Democratischer. In 2012 behaalden de Democraten 12 procentpunten meer stemmen bij 18-jarigen, terwijl de Republikeinen 8 procentpunten meer behaalden bij 65-jarigen. Dat is voorlopig nog een slechte zaak, want er zijn meer ouderen die stemmen dan jongeren. Maar het gat is nu zo groot dat het ondertussen echt een verschil maakt. Die demografische verandering moet ons tegenwoordig 0,6 à 0,9 procentpunt extra opleveren. Het slechte nieuws is dat ons kiessysteem Democratische kandidaten structureel tegenwerkt. Het Kiescollege is momen- teel zo gestructureerd dat Democraten met een marge van 3,5 à 4 procent moeten winnen om de presidentsverkiezingen te winnen. Trump is historisch onpopulair, dus dit jaar is er een kans dat het lukt. Veel mensen geloven dat de zuidelijke staten gaandeweg Democratisch zullen gaan stemmen. Maar tenzij het Kiescollege hervormd wordt, zullen we het komende decennium nog steeds structureel benadeeld zijn. Wat moeten Democraten daaraan doen? Shor: Alles wat we kunnen. Het zou fantastisch zijn om Washington DC en Puerto Rico als staat te erkennen, maar eigenlijk moeten er meer dan twee staten bij. Ook de Maagdeneilanden zouden dat verdienen. Daar wonen voornamelijk niet-blanke gemarginaliseerde Amerikanen die nu geen enkele vorm van vertegenwoordiging hebben. Dat scoort ook verrassend goed in peilingen. Als je mensen vraagt of de 50.000 inwoners van Amerikaans Samoa een senator moeten krijgen om hun belangen te verdedigen, vind je zelfs onder Trumpkiezers een grote minderheid die bereid is dat te steunen, zelfs als je hen vertelt dat dat een 'absurde Democratische staatsgreep' is. Een meerderheid van de Amerikanen vindt het een goed idee om drie, vier of vijf staten toe te voegen. Hoe waarschijnlijk acht u het dat Donald Trump herkozen wordt? Shor: De grote les van de tussentijdse verkiezingen van 2018 was dat de Trumpcoalitie is blijven bestaan. We deden het uiteraard beter omdat we de oppositiepartij waren, maar in plaatsen als Maine, Wisconsin of Michigan deden we het slecht, net als in 2016. Als je de stemmen voor de Democratische en de Republikeinse partij samentelt, kregen we in 2016 51,1 procent van de stemmen. Ik schat dat we toen 52 procent van de stemmen nodig hadden om het presidentschap te winnen. De voorbije maanden behaalde Biden ongeveer 52 procent in de polls.Veel hangt af van hoe het coronavirus zal evolueren, en daarover kan ik niet speculeren. Kandidaten die een danig grote voorsprong hebben als Biden, verliezen doorgaans van hun voorsprong naarmate de verkiezing nadert. We mogen ook niet vergeten dat de polls in 2016 verkeerd waren, en dat de polls in 2018 vergelijkbare foutenmarges hadden in staten als West Virginia, Ohio, Michigan en Montana. De kans is groot dat het close wordt zodra de campagne losbarst. En we moeten het allemaal op die manier benaderen. Ik vrees dat Democraten het instinct zullen hebben om de race bij voorbaat als gelopen te beschouwen. Ik ben bang dat we weer domme, hoogmoedige dingen gaan doen, zoals Hillary Clinton die miljoenen dollars spendeerde aan haar overwinningspodium. We moeten de discipline hebben om in swing states te investeren en ons te richten op de mediaankiezer. Dit is onze laatste kans in lange tijd om de Senaat, het Huis van Afgevaardigden en het presidentschap te winnen. Als we het presidentschap niet winnen, dreigt een donkere periode aan te breken.