Classicisten zeggen vaak dat je moet uitkijken met parallellen tussen de Romeinse geschiedenis en de wereld van vandaag. En toch. De Romeinse geschiedenis blijft een bron van krachtige precedenten. Zo schreef Sallustius over hoe hebzucht de voorspoed van Rome ondermijnde. Nadat het land zich had ontwikkeld door hard werk en rechtvaardigheid, zo schreef hij, nadat het rivalen overwonnen had, de zeeën en continenten open lagen, werd het roekeloos, begon hebzucht de discipline te ondermijnen en werd alles te koop gezet. Die roekeloosheid betekende niet het einde van Rome. Uit de chaos, waarnaar Sallustius verwijst, ontstond het keizerrijk. Niet alle decadentie is fataal.
...

Classicisten zeggen vaak dat je moet uitkijken met parallellen tussen de Romeinse geschiedenis en de wereld van vandaag. En toch. De Romeinse geschiedenis blijft een bron van krachtige precedenten. Zo schreef Sallustius over hoe hebzucht de voorspoed van Rome ondermijnde. Nadat het land zich had ontwikkeld door hard werk en rechtvaardigheid, zo schreef hij, nadat het rivalen overwonnen had, de zeeën en continenten open lagen, werd het roekeloos, begon hebzucht de discipline te ondermijnen en werd alles te koop gezet. Die roekeloosheid betekende niet het einde van Rome. Uit de chaos, waarnaar Sallustius verwijst, ontstond het keizerrijk. Niet alle decadentie is fataal. Hoewel de classicisten gelijk hebben dat de geschiedenis zich nooit helemaal herhaalt, prikkelen dergelijke passages ons denken over de huidige supermacht: de Verenigde Staten. De VS hebben verschillende troeven om een leidende kracht te blijven. Een ligging ver weg van rivalen, bijvoorbeeld. Het land heeft grondstoffen, een groeiende bevolking en toonaangevende kenniscentra. Maar in plaats van met die grondstoffen een sterke industrie te bouwen, is Amerika zich gaan specialiseren in consumeren, in schulden aangaan om ingevoerde goederen te betalen, en vooral in heel veel geld uitgeven aan rommel: voeding van slechte kwaliteit, weinig duurzame huizen en wegwerpproducten waarmee Walmart en later Amazon de markt overspoelden en lokale productie on- mogelijk maakten. De Amerikaanse decadentie leidde ertoe dat de welvaart niet werd gebruikt om de samenleving te versterken. Amerika kan bogen op knowhow van wereldklasse, maar ze wordt in eigen land maar beperkt toegepast. De hele digitaliseringsrevolutie, in gang gezet in de Verenigde Staten, werd amper aangewend om de industrie te versterken. Ondanks de deskundigheid aan universiteiten werd amper geïnvesteerd in publieke infrastructuur: bruggen, spoorwegen, datanetwerken enzovoort. Zelfs het demografische potentieel werd niet genoeg benut. Amerika geeft weliswaar veel uit aan onderwijs, maar behalve voor een toplaag laat de kwaliteit te wensen over. De cruciale maatschappelijke lijm van burgerschap, trots en rechtvaardigheid, die zowel klassieke schrijvers zoals Sallustius als de Amerikaanse founding fathers benadrukten, ging verloren. Niemand benadrukte dat krachtiger dan de voormalige defensieminister Jim Mattis. Wat ons kwetsbaar maakt, is niet zozeer de opmars van rivalen zoals China, zo stelde hij, maar het verbrokkelen van de samenleving. 'Het rot van binnenuit', zo zou Sallustius het verwoord hebben. Door het verdwijnen van die lijm groeit de kloof tussen Republikeinen en Democraten. Burgers sluiten zich op in cynisme of vluchten in dichte drommen naar conservatieve kerken. Het Amerikaanse patriottisme is vandaag leeg: overal wappert de vlag, maar niemand weet nog voor welke waarden ze staat. Het vertrouwen in de overheid is historisch laag, láger dan in andere westerse samenlevingen. Nooit hadden presidenten zo weinig publieke steun. Het is in die versplintering dat demagogen zoals Donald Trump gedijen. Het gaat in de politiek niet om het dienen van het algemeen belang, maar om het capteren van woede. De woede in Amerika is enorm en hoe groter de problemen worden, hoe groter de bedreigingen voor de welvaart, hoe meer mensen zich op hun eiland terugtrekken en hoe meer frustratie de democratie ondermijnt. Dan krijgt men de heerschappij van de meute, hét doembeeld van de founding fathers. Deze samenleving valt wellicht niet te genezen. Misschien krijgen we bij de volgende verkiezingen een gematigde Democraat in het Witte Huis, maar dat zal de frustratie van de conservatieve Republikeinen nog groter maken. De coronacrisis zal de twijfel versterken. De kans dat de Democraat Joe Biden, als hij zou winnen, dit ontij kan keren, is dus klein. De decennia van Amerikaans leiderschap komen bijna onvermijdelijk ten einde. De Verenigde Staten vertegenwoordigen nog 35 procent van de wereldwijde defensie-uitgaven, maar slechts 24 procent van de wereldwijde economische productie en 16 procent van de maakindustrie. Die relatieve verzwakking is al lang aan de gang, maar de VS wisten dat lange tijd op te vangen door een netwerk van bond- genoten, ongeremde militaire bewegingsvrijheid langsheen de twee aangrenzende oceanen, de verdeeldheid tussen Euraziatische grootmachten, dominantie in de internationale organisaties en de rol van de VS als grote afzetmarkt, zeg maar: de economische slokdarm van de wereld. Die vijf grote bronnen van invloed komen nu een voor een in het gedrang. Laten we beginnen bij de bond- genoten. Sinds de Tweede Wereld- oorlog bestaat de eerste verdedigingslijn van de Verenigde Staten aan de Atlantische zijde uit de NAVO en aan de zijde van de Stille Oceaan uit partnerschappen met Zuid-Korea, Japan, de Filipijnen, Indonesië en Australië. Op de Atlantische flank is het vertrouwen in Washington helemaal zoek. In Duitsland, Nederland, Frankrijk, Zweden, Spanje, Slowakije, Tsjechië en het Verenigde Koninkrijk staat 40 procent of meer negatief tegenover de Verenigde Staten. De stelling van de Franse president Emmanuel Macron dat het Atlantische partnerschap hersendood is, heeft een grond van waarheid. Macron pleit nu voor een meer onafhankelijk Europa; politici als bondskanselier Angela Merkel en Europees Raadsvoorzitter Charles Michel zien China en Rusland als meer betrouwbare partners. De NAVO probeert nog wel de schijn op te houden met grote oefeningen, maar in cruciale discussies over 5G, China, Rusland en nucleaire bewapening is de cohesie zoek. Hetzelfde geldt in Azië, waar Japan en Zuid-Korea zich hardop afvragen of Amerika nog wel betrouwbaar is. Het zit Tokio hoog dat Washington de voorbije jaren amper overleg pleegde over Noord-Korea, het land betichtte van valse concurrentie en dat Donald Trump enkel oog heeft voor Peking. De Filipijnen zijn zowat compleet overgelopen naar het Chinese kamp en willen nu ook de toegang voor Amerikaanse soldaten tot het grondgebied beperken. Nochtans zijn de relaties met de Filipijnen van groot geopolitiek belang, want de archipel is een doorgang tussen de Zuid-Chinese Zee en de Stille Oceaan. Net zoals de strategische twijfel in Europa de Russen manoeuvreerruimte geeft, biedt de twijfel in Azië kansen aan China. Beetje bij beetje verliezen de Amerikanen ook de dominantie in de flankerende oceanen. Dat lijkt onwezenlijk aangezien Washington nog steeds meer uitgeeft aan het leger dan alle rivalen samen, en Trump nog meer geld belooft. Aangepast aan de inflatie zijn die extra uitgaven echter minimaal, en ze volstaan ook niet om de enorme gevolgen van de uitputtende oorlogen in Afghanistan en Irak voor materieel en personeel op te vangen. Een flink stuk van het materieel is op, en de krijgsmacht heeft steeds meer moeite om goed personeel te rekruteren. Ook in aantallen gaat het bergaf. Tegen 2027 zullen de VS twee vliegdekschepen en veertien onderzeeboten minder hebben. De meeste gevechtsvliegtuigen zijn meer dan dertig jaar oud, voor amper 70 procent inzetbaar en er is te weinig geld om ze allemaal te vervangen. Intussen bouwen China en Rusland snel hun militaire slagkracht uit. Nu al zijn de gevolgen voelbaar. De Russen maken het de Amerikanen met hun relatief kleine marine knap lastig. Russische onderzeeboten wagen zich opnieuw aan verre patrouilles, zonder dat Amerika ze altijd kan volgen. Ook China waagt zich verder en verder in de Stille Oceaan, recent ook in het oostelijke gedeelte, maar de Amerikaanse Pacific Fleet heeft niet genoeg schepen om het allemaal in de gaten te houden. De belangrijkste indirecte erkenning van de gevolgen van deze kentering in de militaire machtsbalans is dat de Amerikanen hun '2MRC-concept' hebben laten vallen: het vermogen om twee grote regionale conflicten tezelfdertijd uit te vechten. Nochtans leerden de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog dat bedreigingen zich zelden beperken tot één uithoek van Eurazië. Dat brengt ons bij een andere uitdaging: de machtsbalans in Eurazië. Sinds de Tweede Wereldoorlog proberen de Verenigde Staten te voorkomen dat een nieuwe rivaal opstaat die door zijn machtspositie in Eurazië eerst de Amerikaanse positie in de oceanen kan bedreigen en vervolgens het Amerikaanse continent zelf. Een van de benaderingen was: zorg ervoor dat er voldoende verdeeldheid bestaat, en handhaaf het machtsevenwicht tussen regionale grootmachten. Dit verklaarde, bijvoorbeeld, waarom Washington in 1971 China uit het kamp van de Sovjets probeerde te halen. Vandaag wil dat moeilijk lukken. Europa als tegenwicht tegenover Rusland verbrokkelt, en het Kremlin gebruikt het wantrouwen tegen Donald Trump om de banden met Italië, Griekenland, Duitsland en Frankrijk aan te halen. In Azië laat India, het belangrijkste potentiële tegenwicht tegen China, het afweten en heeft Trump het antiamerikanisme er alleen maar gevoed. Idem voor Zuidoost-Azië. De maritieme buitenrand van Eurazië, het randland, is daardoor nauwelijks in staat om de twee giganten in het hart van Eurazië in toom te houden. Daarbij komt dat de huidige beleidsploeg onder Trump geen verdeeldheid zaait tussen Moskou en Peking maar de twee verder in elkaars armen drijft. Er bestaat flink wat wantrouwen tussen Rusland en China, maar vooralsnog blijven de twee elkaar vinden, worden de economische banden aangehaald en wordt er militair steeds meer samengewerkt. Andere landen zien dat, en beginnen dat pragmatische partnerschap tussen Peking en Rusland als een minstens even belangrijke machtsfactor te beschouwen als de Atlantische as. Dat geldt voor landen als Iran, Noord-Korea, Egypte en Pakistan, maar ook voor pakweg India, Indonesië en Turkije. Het grote gevolg op korte termijn is dat veel Euraziatische landen wellicht zullen blijven meegaan in Chinese handelsinitiatieven zoals de nieuwe zijderoute en Russische energienetwerken. Daardoor worden China en Rusland verder versterkt. Op lange termijn houdt het een verzwakking van het randland ten koste van het hartland in, een beperking van de opties voor de Amerikanen om het machtsevenwicht te behouden en - dat wordt steeds duidelijker - de opmars van het autoritarisme vanuit het Euraziatische hart ten koste van de spartelende democratieën in het randland. Ook de Amerikaanse positie in internationale organisaties komt in het gedrang. Dat heeft Washington in eerste instantie aan zichzelf te danken. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) is het beste voorbeeld. Jarenlang weigerden de Verenigde Staten in de organisatie te investeren, waardoor ze nu onder zware Chinese invloed staat. Vorig jaar verwierf China ook het leiderschap van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO). China werkt samen met Rusland naarstig aan het beïnvloeden van de agenda inzake 5G en de nieuwe standaarden voor gezichtsherkenning en smart cities binnen de Internationale Telecomorganisatie. De Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF), twee organisaties waarbinnen Amerika een vetorecht uitoefent, worden gewoon gepasseerd. Al dertig jaar ervaren ontwikkelingslanden die organisaties als een verlangstuk van Wall Street. Nu bieden Chinese kredieten ook daadwerkelijk enig perspectief. Landen maken zich vaak geen illusies over de zogenoemde Chinese investeringen, maar het is beter twee ambitieuze grootmachten tegen elkaar uit te spelen dan helemaal afhankelijk te zijn van één. Amerika betaalt nu vooral een enorme prijs voor de hebzucht, het gebrek aan verantwoordelijkheid en het unilateralisme van de voorbije decennia. Trump blijft kiezen voor unilateralisme. Handelsconflicten worden rechtstreeks met andere landen uitgevochten in plaats van via de Wereldhandels- organisatie. China grijpt dat aan om zichzelf als meer coöperatieve handelspartner te profileren, en in Europa lijkt dat aardig te werken. In januari 2020 werd de International Development Finance Corporation opgericht. Geen versterking van de Wereldbank dus, maar een eigen investeringsfonds. Een 'fondsje' weliswaar, want met een portfolio van 25 miljard dollar blijft het een dwerg in vergelijking met Chinese geldverstrekkers. De Bank of China alleen al kondigde vorig jaar aan 140 miljard dollar extra te zullen investeren in het buitenland. Amerika verliest dus terrein door verzwakkende partnerschappen, tanende militaire macht, de groeiende invloed van het autoritaire hartland van Eurazië over het randland, én door de zelfvernietiging in internationale organisaties. Ook de laatste belangrijke pijler van de Amerikaanse macht verbrokkelt: de binnenlandse economie. De VS blijven veruit de belangrijkste consumptiemarkt, maar in Afrika en Azië heeft China die rol overgenomen. Het blijft ook een raadsel hoe de Verenigde Staten op lange termijn de koopkracht zullen handhaven. De buitenlandse schulden blijven snel toenemen, maar de totale factor productiviteit groeit amper nog. Oplopende schuld is niet meteen een probleem, maar oplopende schuld zonder te investeren in een sterkere economie, levert vroeg of laat een daling van de koopkracht op. Tekenend voor de verzwakking van de Amerikaanse economie is de uitvoer: sinds 2010 is de export van hightech jaarlijks met slechts 2 procent gegroeid, die van ruwe grondstoffen met 6 procent. Donald Trump maakte zich sterk daar wat aan te zullen doen. Een van de doelstellingen van de economische haviken in het Witte Huis was precies het terugdringen van de externe schuld en bijkomende investeringen in de industrie. Maar onder Trump is de netto buitenlandse schuld toegenomen van bijna 8000 miljard dollar tot bijna 11.000 miljard dollar. Ook van het versterken van de industrie komt niet veel in huis. De investeringen in industriële machines tijdens de eerste termijn van Trump, succesverhalen als Tesla ten spijt, groeiden minder snel dan tijdens de eerste termijn van Barack Obama. De overheid is zelf ook niet meer gaan investeren in bijvoorbeeld onderzoek en ontwikkeling of in het oplappen van de belabberde wegen, spoorwegen en andere openbare infrastructuur. Wat wél flink blijft groeien, is de consumptie. Als reactie op de corona-epidemie wordt nu de geldkraan opnieuw opengezet. Maar Trumps investering van 2000 miljard dollar is een doekje voor het bloeden. Eigenlijk is het niet meer dan symptoombestrijding: de pijn verzachten van een dure maar weinig doeltreffende gezondheidszorg, van de immer oplopende ongelijkheid tussen arm en rijk, en van de zeer dure woningmarkt. Dit is investeren zonder strategie. Decadentie en zelfgenoegzaamheid zijn voor rijke samenlevingen als een moeras, zo zou ook Sallustius het hebben beschreven: het langzame zinken. Amerika blijft een belangrijke speler op het wereldtoneel, maar het einde van de Pax Americana lijkt nu wel echt definitief. De nieuwe wereld is er een zonder groot baken en met vele breuklijnen.