In juli 1933 verscheen onder pseudoniem het boekje Hitler. Hervormer of misdadiger?. Het zou geschreven zijn door dr. W. Bottema C. Az., maar wie achter deze naam schuilging was onbekend. De auteur schreef het naar eigen zeggen 'als aanklacht en als document'.

Hij stelde voorin dat op dat moment, in 1933, geen onderwerp zo in de belangstelling stond en mensen zo bezighield als de gebeurtenissen in Duitsland. De ondertitel van zijn pamflet kreeg dan ook meteen in het voorwoord een antwoord, want er kwamen dagelijks 'meer bewijzen van het misdadige en onhoudbare van het Hitlerregime'. De toon in het pamflet was zeer bitter over Hitler en het geschrift beklaagde het lot van de Duitse joden.

De auteur had zich goed geïnformeerd over wat er in Duitsland gebeurde. Het 88 bladzijden tellende boekje werd geprezen, maar ook met wantrouwen bekeken. 'Het boekje zal zijn doel vierkant voorbij schieten daar geen verstandig mens het "au serieux" kan nemen,' aldus De Tilburgsche Courant. 'Meer vurigheid dan scherpzinnigheid,' oordeelde De Gooi- en Eemlander. De Leeuwarder Courant noemde het 'één felle aanklacht tegen het Hitler-regime en zijn terreur'. Het Nieuw Israëlitisch Weekblad was van mening dat iedere Nederlander het moest lezen. Het was namelijk geen 'gruwelpropaganda, maar een beschrijving van de gruwelen'. De recensent vond het goed dat iemand de moed had 'een booswicht een booswicht te noemen'.

Het idee leefde dat de auteur te vinden moest zijn in christelijke hoek, maar twee jaar later onthulde de zakenman Louis Fles dat hij de auteur was van het boekje.

Louis Fles, locatie en datum onbekend

Hitler. Hervormer of misdadiger? beleefde een tweede druk, maar de waarschuwingen van Fles vonden nauwelijks gehoor.

Er klonken andere waarschuwingen, zoals die van de journalist Nico Rost, die als eerste Nederlander in 1933 in een Duits concentratiekamp terechtkwam. Of van Abel Herzberg, wiens Duitse zwager in zijn woonhuis in Kiel werd vermoord.

Fles sloeg zijn eigen en andermans waarschuwingen in de wind. In mei 1940, tien dagen na de capitulatie, maakte hij een eind aan zijn leven.

***

Louis Fles werd op 19 oktober 1871 in Maassluis geboren als Levie Jacob Fles. Zijn vader was diamantbewerker en zijn moeder werkte in een winkel voor 'manufacturen', een stoffenwinkel. De vader stierf toen Fles twee jaar oud was. Zijn moeder hertrouwde algauw, maar stierf zelf vijf jaar later.

De kinderen Fles werden opgevangen door hun nieuwe vader, Philip Simon Swaab geheten. Het was een tijd van aanpakken. Binnen het gezin Swaab was het geen vetpot en Fles moest meteen na de lagere school bij zijn stiefvader werken voor de kost.

Fles ontwikkelde zich door cursussen te volgen. Hij leerde de moderne talen en boekhouden. Zo kreeg hij in 1895 een baan bij de Amsterdamsche Bank, een van de voorlopers van ABN Amro.

In 1896 trouwde hij in Rotterdam met Zippora Henriette van Straten. Ze kregen in zes jaar vijf kinderen: Mina, Rosine, Henriëtte, Barthold en Clara. Vijf jaar later kwam George, die geboren werd in 1908.

Fles liet zijn joodse voornaam varen en noemde zich Louis. Ook zijn vrouw Zippora brak met haar joodse naam en heette voortaan Céline. Het echtpaar was niet religieus.

De professionele loopbaan van Fles was het klassieke succesverhaal van een ondernemer. Al in 1896 begon hij voor zichzelf en verkocht hij 'kantoormachines'. Niet lang daarna kwamen daar kantoorartikelen en speciaal vormgegeven reclamemateriaal bij. Een kleurig affiche uit die tijd prees het advertentiemateriaal aan dat Fles kon leveren in Nederland (Amsterdam) en België (Antwerpen). In het Nieuwsblad voor den Boekhandel adverteerde hij met 'dag- en maandblocs' voor het jaar 1901.

Fles was niet alleen verkoper van kantoorartikelen, hij bemoeide zich ook met de inrichting van het kantoor en het voeren van de boekhouding. In 1906 bijvoorbeeld pleitte hij ervoor de wettelijke verplichtingen ten aanzien van het aanhouden van kopieën in een kopieboek te wijzigen. Had een losbladig systeem om allerlei redenen niet de voorkeur? Fles stortte zich op wijziging van de betreffende wetsartikelen door middel van ingezonden brieven en artikelen in grote dagbladen en wierp zich op als autoriteit. Hij zette zijn streven daarna voort door bijvoorbeeld een ingezonden brief in het Nieuwsblad voor den Boekhandel te publiceren als bijdrage aan de discussie. Dat hij tegelijkertijd zijn zaak aan het uitbreiden was blijkt onder meer uit de trotse ondertekening onder zo'n brief: 'Amsterdam-Rotterdam L. Fles.' De zelfbewuste toon in zijn ingezonden stuk was opvallend. Fles had alleen lagere school, maar hij klonk als gezaghebbend waar het ging om de manier van werken op het gemiddelde Nederlandse kantoor. Het zou jaren duren, maar het initiatief van Fles en anderen leidde uiteindelijk tot een wetswijziging in het Wetboek van Koophandel ten aanzien van de verplichting van een bedrijf om het kopieboek bij te houden en dergelijke documenten ook nog eens dertig jaar te bewaren.

Ook bij andere kwesties maakte Fles zich publiekelijk sterk voor een standpunt of een zaak en bleef hij ijveren voor verwezenlijking ervan. In het voetspoor van de afschaffing van het kopieboek volgde het afschaffen van de halve cent. Fles vond het een gedrocht en zette zich in voor afschaffing van het muntje. Daar kwam het uiteindelijk ook van.

In 1922, bij de opening van een expositie met de titel Het kantoor, hield Fles een openingsspeech, 'Efficiency' getiteld, waarin hij triomfantelijk wees op zijn successen, het afschaffen van het 'kopieboek' en van 'de halve cent'. Verder pleitte Fles voor hervorming van de kalender. Een internationale beweging streefde destijds naar het indelen van het jaar in dertien maanden van 28 dagen, 29 juni als schrikkeldag en religieuze feestdagen zoals Pasen en Pinksteren op een vaste datum. Dat leek Fles een stuk efficiënter dan het bestaande systeem. In zijn verhaal over efficiëntieverbeteringen, uitgegeven door Allert de Lange, besprak hij ook andere zaken, zoals het idee om van Engels een wereldtaal te maken, het gebruik van het ponssysteem, de tele-writer, internationale standaarden in het kantoor en een eenheidsmunt, in plaats van elk land een eigen valuta. Hervorming op al deze gebieden zou talloze inefficiënties wegnemen, aldus Fles.

Fles reisde ook naar het buitenland om zaken te doen en de internationale ontwikkelingen op zijn vakgebied te volgen. Hij werd de Nederlandse importeur voor schrijfmachines van het Duitse bedrijf Adler, een bedrijf dat sinds 1896 dergelijke apparaten fabriceerde en een belangrijke speler was op zijn markt, internationaal een groeimarkt. L. Fles & Co. profiteerde ervan. Het telefoonboek van 1915 van Amsterdam vermeldt een Fles aan de Roelof Hartstraat en verder vestigingen op het Damrak, het Rokin en het Singel. Filialen elders waren er toen al in Rotterdam, Den Haag, Arnhem en Deventer. Advertenties van het bedrijf prezen onder meer 'duplicators' en 'kopieermachines' aan.

In 1919 was het bedrijf zo groot geworden dat Fles zich liet registeren als naamloze vennootschap, met een bedrijfskapitaal van 2 miljoen gulden. In een advertentie van L. Fles & Co. in de Limburger Koerier uit 1924 prees hij zijn vestigingen in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Arnhem, Deventer en Soerabaja aan.

Fles was inmiddels een vooraanstaand zakenman geworden en was actief in het openbare leven. Hij zat bijvoorbeeld in het organisatiecomité van de Olympische Spelen van Amsterdam in 1928. Tegelijkertijd kon hij als kritisch vrijdenker uithalen naar politiek tegenstanders, ongeacht hun statuur. 'Fles ging als het ware twee levens leiden,' schrijft Evelien Gans in haar proefschrift De kleine verschillen die het leven uitmaken, 'dat van de zakenman en dat van de publicist.' Fles was een vrijdenker in de geest van Multatuli en wees elke vorm van religie af. Hij was echter geen overtuigd socialist en kon zich net zo kritisch uitlaten over de SDAP als over andere politieke partijen. In De Socialistische Gids bekritiseerde hij de houding van de SDAP tegenover godsdienst. En op 5 november 1932 sprak Fles op de radio bij de Vrije Radio Omroep over 'Onderwijs zonder godsdienst'. Fles ging daarin tekeer tegen de SDAP, die zich in 1918 had laten overhalen om akkoord te gaan met een Onderwijswet die het bijzonder en openbaar onderwijs gelijkstelde. Een kapitale fout, volgens Fles. De sociaaldemocraten hadden er volgens hem aan meegewerkt de openbare school te wurgen. Het kind was geofferd aan de politiek. Zijn conclusie was dat de confessionelen meer hadden geprofiteerd van de Onderwijswet van 1917 dan de rest van de bevolking, inclusief de volksdelen die de SDAP zei te vertegenwoordigen.

Fles stortte zich volledig op zijn werk en zijn vrijetijdsbestedingen. Zijn vrouw Céline en hij groeiden uit elkaar, maar hun liefde voor hun kinderen hield een gezamenlijk huishouden in stand. Dochter Clara vertelde Evelien Gans dat Fles op zijn 46ste nog leerde fietsen.

In 1922 ging Fles met zijn zoon George en zijn dochters Mina en Clara fietsen langs de Theems. Ook Clara's toekomstige echtgenoot Jan Berman was erbij. Via Reading en Plymouth ging het naar het eiland Wight. Daarna reden ze via Kent terug naar Londen.

Fles was veeleisend, en naar verluidt zat hij zijn oudste zoon Barthold zo op de huid dat die tot zijn dood nachtmerries had over zijn tirannieke vader. Barthold Fles vertrok al in 1923 naar de Verenigde Staten en ontwikkelde zich tot een belangrijk literair agent. Getuige een advertentie in het Nieuwsblad voor den Boekhandel bood hij zich in 1933 aan als vertaler en agent voor Nederlandstalige boeken. Later kreeg Barthold Fles een reputatie als vertegenwoordiger van schrijvers in Exil, onder wie Joseph Roth en Heinrich Mann. Daarnaast vertegenwoordigde Fles later op enig moment ook Elias Canetti, Thomas, Klaus en Erika Mann, alsmede Felix Salten en de Nederlandse auteurs Dola de Jong en Henriette Roland Holst.

Toen Barthold naar de VS vertrok, was Fles' dochter Rosine al twee jaar weg. Zij zocht haar heil eveneens in New York, waar ze trouwde met Jacob Gomperts.

Zijn dochter Mina leidde een 'kantoorcentrale' in gebouw Candida aan de Nieuwezijds Voorburgwal. Ook de kantoorcentrale was een vinding van Louis Fles. Zakenmensen konden er afspreken in een ontvangstkamer, ze maakten gebruik van de telefoon en lieten desgewenst brieven uittypen. De kantoorcentrale kon ook dienen als eerste bedrijfsadres voor beginnende zakenlieden.

Zoon George ging toen hij amper twintig was, in 1928, naar Parijs en vandaar naar Londen, waar hij in 1931 trouwde met de Engelse Pearl Rimel. In 1932 vertrok het echtpaar naar Moskou, om daar te helpen bij de opbouw en uitbouw van het socialisme. Louis Fles kon zijn zoon natuurlijk niet tegenhouden, maar hij vond dat hij als tegenwicht voor alle Sovjetpropaganda zijn zoon van lectuur uit het Westen moest voorzien, dus hij stuurde hem onder meer exemplaren van het blad Die Sammlung toe, een Exil-tijdschrift dat werd uitgegeven bij Em. Querido in Amsterdam, onder redactie van Klaus Mann, een zoon van Thomas Mann.

1933 was een bewogen jaar voor Fles. Hij reisde, schreef, sprak in het openbaar en publiceerde. Fles was actief op allerlei gebied, maar het is bijna ondenkbaar dat hij zich nog veel met zijn zaken bezighield.

Was hij aan pensioen toe? Misschien wel, want in 1934 verkocht hij zijn bedrijf. Voor iemand als Fles betekende pensioen echter niet dat hij minder actief zou zijn. Integendeel, hij was nog altijd vol energie en plannen, en stortte zich nu met hernieuwde ijver op zijn polemieken en zijn stokpaardjes. Fles reisde zijn zoon Barthold achterna om een kijkje te nemen in de Verenigde Staten. Waarschijnlijk ging hij in de VS ook op bezoek bij zijn dochter Rosine, die inmiddels in Californië woonde.

Na zijn terugkeer hield Fles half februari 1933 in Den Haag een lezing 'toegelicht met lichtbeelden' over de Amerikaanse Sing Sing-gevangenis in Ossining, niet ver boven de stad New York. Op 14 november 1933 verscheen het boekje Los van de kerk bij uitgeverij De Dageraad. De oorspronkelijk tekst was afgekeurd door de radiocontrolecommissie toen Fles deze op 2 oktober had willen uitspreken voor de radio bij de Vrije Radio Omroep. Bijna twintig jaar daarvoor had Fles zich al kritisch uitgelaten over zionisten in een ingezonden artikel in het Algemeen Handelsblad. Hij zag niets in een eigen staat voor joden, omdat iedereen toch in de eerste plaats zijn eigen nationaliteit had: Nederlander, Duitser et cetera. Fles keerde zijn godsdienst al vroeg de rug toe, omdat hij een hekel had aan geloofsgenoten die op de sjabbat met de auto naar de synagoge reden en die dan om de hoek parkeerden. Dan konden ze toch zeggen dat ze lopend naar sjoel gingen. Fles was zo antireligieus en eigengereid dat toen zijn dochter Henriëtte in 1925 in het huwelijk trad hij weigerde de religieuze ceremonie in een synagoge bij te wonen.

Het anti-Hitler-pamflet van Fles uit 1933 was grondig in zijn weergave wat Hitler deed, wat hij van plan was en vooral ook wat hij al had geschreven in Mein Kampf. Fles had de moeite genomen te zien wat de Duitse regeringsleider had gezegd over joden ('Door mijn strijd tegen de joden volbreng ik een werk Gods') en over zijn optreden in naam van God ('Almachtige God, zegen onze wapenen. Wees zo rechtvaardig als Gij altijd geweest zijt; help ons, opdat wij eindelijk de vrijheid verkrijgen'). Ook vertelde Fles over de activiteiten van een zekere dokter Stämmler, die een 'ras-elite' aan het vormen was door jonge mannen de gelegenheid te geven bij vrouwen kinderen te verwekken. Hitler kondigde in Mein Kampf ook alvast een oorlog aan, aldus Fles. Hij zei met zoveel woorden dat hij de Duitsers daarvoor aan het prepareren was. 'Oorlogen moeten langen tijd voorbereid worden, ook geestelijk,' zo citeerde Fles Mein Kampf. Fles las in Hitlers eigen boek ook over diens voornemen om een verbond te sluiten met Rusland.

© Uitgeverij Balans

Fles nam Hitler zeer serieus. De brochure van Fles kan worden opgevat als één grote waarschuwing voor wat van Hitler te verwachten viel. Fles had zich grondig gedocumenteerd en beriep zich naast eigen waarneming op publicaties uit de media van diverse landen.

Hij probeerde het gevaar ook onder de aandacht te brengen door een Nederlandse invalshoek te vinden. Zo meldde hij dat bij een recente atletiekwedstrijd in Ludwigshafen geen joodse deelnemers uit Nederland mochten meedoen en een Duits bedrijf met een vestiging in Nederland geen joden in dienst mocht hebben. Daarnaast zouden in Nederland, aldus Fles, minstens tien fabrieken zijn die voor Duitsland wapens produceerden. Zoals bekend was het Duitsland na de Vrede van Versailles streng verboden zich te herbewapenen of een leger aan te houden. De Nederlandse bedrijven zouden als rederijen in het handelsregister staan ingeschreven; de werknemers waren afkomstig van Krupp en ze zouden een connectie hebben met de bekende Berlijnse firma Julius Pintsch.