Meer ongelijkheid op het gebied van inkomen, levensverwachting of opleiding vormt een belangrijke belemmering in de ontwikkeling van economieën. Het heeft bovendien een nadelig effect op het algehele welzijn van een samenleving.

Eerder bewijs bevestigt dat een van de gevolgen van crises nu juist de toename van ongelijkheid is. Daarom is het van belang om te onderzoeken hoe de crisis die de coronapandemie heeft veroorzaakt, ongelijkheid kan en zal beïnvloeden.

Er zijn tal van onderzoeken die de effecten van de pandemie analyseren. Bijzonder relevant zijn de onderzoeken die de impact bestuderen die covid-19 nu en in de toekomst heeft op ongelijkheid in de wereld.

Zo waarschuwen recente publicaties van de Verenigde Naties (UNDP), de Wereldbank (WB) en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) voor een toename van armoede en ongelijkheid, vooral in opkomende economieën en ontwikkelingslanden.

Covid-19 laat ons een armere en ongelijkere wereld na: wat moeten we daartegen doen?

Ongelijke impact

Op korte termijn treft elke crisis de meest kwetsbare huishoudens zwaarder, terwijl hun herstel op middellange en lange termijn trager verloopt. Gezien het asymmetrische karakter van deze crisis is het aannemelijk om te verwachten dat de economische last ook ongelijk verdeeld zal zijn tussen de verschillende sociale groepen.

Aan het noodzakelijke beroep op thuiswerken konden sectoren als horeca, transport en handel (groot- en detailhandel), waar overwegend mensen met minder diploma's en lagere inkomensniveaus werkzaam zijn, veel minder makkelijk gehoor geven. Het daaruit voortkomende grotere risico op baanverlies heeft de omstandigheden van huishoudens met lagere inkomens verslechterd.

Bovendien lopen mensen met een lager inkomen, ongeacht de activiteit die ze uitoefenen, in het algemeen een groter risico om hun baan te verliezen dan mensen met een hoger inkomen.

Uitgaande van een algemene inkomensdaling in 2020, lijkt een ongelijk effect naar inkomensniveaus zich duidelijk af te tekenen. Dit benadeelt opnieuw mensen met lagere inkomens én vergroot zowel interlandelijke als binnenlandse ongelijkheid.

Minder mogelijkheden om crises door te komen

De ervaring met eerdere crises bevestigt de hypothese dat de impact hoger is in huishoudens met lagere inkomens - en dat het herstel daar langzamer verloopt.

Daar komt bij dat deze huishoudens zich in tijden van crisis genoodzaakt zien hun fysiek en menselijk kapitaal aan te breken, zoals een verminderde voedselconsumptie of de verkoop van activa. Zodoende wordt de ongelijkheid ook weerspiegeld in de verschillen in mogelijkheden die mensen afhankelijk van hun sociale positie hebben om moeilijkheden te doorstaan.

Daarnaast veroorzaakt de stijging van langdurige werkloosheid een waardevermindering van deze meestal laaggeschoolde werknemers in de beroepsbevolking. Hierdoor wordt het voor hen extra moeilijk om naar de arbeidsmarkt terug te keren.

Terug naar school

Een ander punt: de onderbreking van normale school- en studieactiviteiten zal aanzienlijke onderwijsverliezen veroorzaken, vooral bij kinderen uit kwetsbare gezinnen. Bovendien zullen deze verliezen op middellange en lange termijn verder toenemen.

Volgens schattingen van Unesco van 2020 zijn wereldwijd ongeveer 1,6 miljard scholieren en studenten getroffen door de gehele of gedeeltelijke sluiting van onderwijsinstellingen. Op dit moment zijn dat er nog altijd meer dan 900 miljoen.

Een vermindering van onderwijsmogelijkheden treft vooral die leerlingen van wie het gezin al over minder middelen beschikt en minder goed in staat is om aanvullend onderwijs te bieden.

Gezien de langdurige relatie tussen een kortere schooltijd en een lager inkomen, is de kans groot dat deze onderwijsverstoringen langdurige gevolgen zullen hebben - als er geen maatregelen worden genomen. De gevolgen voor deze kinderen en jongeren zullen zowel economisch als sociaal van aard zijn.

Wat nu?

Inkomensverlies door het wegvallen van activiteiten, toegenomen werkloosheid, beperkte telewerkmogelijkheden, onderwijsverstoringen en ontoereikende vangnetten zijn slechts enkele van de factoren die de hogere ongelijkheids- en armoede-indicatoren wereldwijd verklaren. Deze combinatie van factoren zou de winst die de minder geavanceerde economieën sinds de Kredietcrisis hebben geboekt, zelfs kunnen terugdraaien.

Op basis van ervaringen uit het verleden is het antwoord op dit probleem misschien eenvoudig. Toch zal de implementatie daarvan minder makkelijk zijn. Dé uitdaging is dan ook om de wederopbouw van economieën te verenigen met maatregelen die inclusie en rechtvaardigheid stimuleren.

De volgende aspecten zouden prioriteit moeten krijgen in herstelplannen, zeker in minder geavanceerde economieën:

  • Investeren in gezondheidszorg en versterken van onderwijs.
  • Bevorderen van re-integratiemaatregelen op de arbeidsmarkt.
  • Verbeteren van toegang tot financiële diensten en digitale technologieën.
  • Meer en gerichter investeren in sociale vangnetten.

Dit alles moet gebeuren zónder de maatregelen te verwaarlozen die de door de crisis veroorzaakte wonden in het productieve weefsel van landen moeten genezen. En, voor zover mogelijk, zonder blijvende sporen achter te laten in de economieën.

Gezondheid en onderwijs

De wereld heeft de belangrijkste gezondheidscrisis in de moderne geschiedenis doorgemaakt en deze nog niet volledig overwonnen. Nu staan we voor de uitdaging om de economische hartslag van vóór de pandemie te herstellen. Om dit te bereiken, moet meer dan ooit rekening worden gehouden met de hardnekkige problemen van ongelijkheid en armoede. Die zijn door de pandemie alleen maar verergerd.

Willen we de wereldeconomie versterken, dan is het noodzakelijk om gedurfde maatregelen te nemen. Maatregelen die twee fundamentele pijlers van het huidige en toekomstige welzijn van elke samenleving versterken: gezondheid en onderwijs.

Daarbij moeten er doortastende maatregelen worden genomen om de problemen van arbeidsintegratie van kwetsbare groepen te overwinnen én om de digitale kloof te verkleinen. Dat laatste is bijzonder belangrijk in ontwikkelende economieën.

Dit alles moet tot slot gebeuren zonder het noodzakelijke herstel in productiviteit te verwaarlozen.

Deze opinie verscheen oorspronkelijk bij The Conversation.

Meer ongelijkheid op het gebied van inkomen, levensverwachting of opleiding vormt een belangrijke belemmering in de ontwikkeling van economieën. Het heeft bovendien een nadelig effect op het algehele welzijn van een samenleving.Eerder bewijs bevestigt dat een van de gevolgen van crises nu juist de toename van ongelijkheid is. Daarom is het van belang om te onderzoeken hoe de crisis die de coronapandemie heeft veroorzaakt, ongelijkheid kan en zal beïnvloeden.Er zijn tal van onderzoeken die de effecten van de pandemie analyseren. Bijzonder relevant zijn de onderzoeken die de impact bestuderen die covid-19 nu en in de toekomst heeft op ongelijkheid in de wereld.Zo waarschuwen recente publicaties van de Verenigde Naties (UNDP), de Wereldbank (WB) en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) voor een toename van armoede en ongelijkheid, vooral in opkomende economieën en ontwikkelingslanden.Op korte termijn treft elke crisis de meest kwetsbare huishoudens zwaarder, terwijl hun herstel op middellange en lange termijn trager verloopt. Gezien het asymmetrische karakter van deze crisis is het aannemelijk om te verwachten dat de economische last ook ongelijk verdeeld zal zijn tussen de verschillende sociale groepen.Aan het noodzakelijke beroep op thuiswerken konden sectoren als horeca, transport en handel (groot- en detailhandel), waar overwegend mensen met minder diploma's en lagere inkomensniveaus werkzaam zijn, veel minder makkelijk gehoor geven. Het daaruit voortkomende grotere risico op baanverlies heeft de omstandigheden van huishoudens met lagere inkomens verslechterd.Bovendien lopen mensen met een lager inkomen, ongeacht de activiteit die ze uitoefenen, in het algemeen een groter risico om hun baan te verliezen dan mensen met een hoger inkomen.Uitgaande van een algemene inkomensdaling in 2020, lijkt een ongelijk effect naar inkomensniveaus zich duidelijk af te tekenen. Dit benadeelt opnieuw mensen met lagere inkomens én vergroot zowel interlandelijke als binnenlandse ongelijkheid.De ervaring met eerdere crises bevestigt de hypothese dat de impact hoger is in huishoudens met lagere inkomens - en dat het herstel daar langzamer verloopt.Daar komt bij dat deze huishoudens zich in tijden van crisis genoodzaakt zien hun fysiek en menselijk kapitaal aan te breken, zoals een verminderde voedselconsumptie of de verkoop van activa. Zodoende wordt de ongelijkheid ook weerspiegeld in de verschillen in mogelijkheden die mensen afhankelijk van hun sociale positie hebben om moeilijkheden te doorstaan.Daarnaast veroorzaakt de stijging van langdurige werkloosheid een waardevermindering van deze meestal laaggeschoolde werknemers in de beroepsbevolking. Hierdoor wordt het voor hen extra moeilijk om naar de arbeidsmarkt terug te keren.Een ander punt: de onderbreking van normale school- en studieactiviteiten zal aanzienlijke onderwijsverliezen veroorzaken, vooral bij kinderen uit kwetsbare gezinnen. Bovendien zullen deze verliezen op middellange en lange termijn verder toenemen.Volgens schattingen van Unesco van 2020 zijn wereldwijd ongeveer 1,6 miljard scholieren en studenten getroffen door de gehele of gedeeltelijke sluiting van onderwijsinstellingen. Op dit moment zijn dat er nog altijd meer dan 900 miljoen.Een vermindering van onderwijsmogelijkheden treft vooral die leerlingen van wie het gezin al over minder middelen beschikt en minder goed in staat is om aanvullend onderwijs te bieden.Gezien de langdurige relatie tussen een kortere schooltijd en een lager inkomen, is de kans groot dat deze onderwijsverstoringen langdurige gevolgen zullen hebben - als er geen maatregelen worden genomen. De gevolgen voor deze kinderen en jongeren zullen zowel economisch als sociaal van aard zijn.Inkomensverlies door het wegvallen van activiteiten, toegenomen werkloosheid, beperkte telewerkmogelijkheden, onderwijsverstoringen en ontoereikende vangnetten zijn slechts enkele van de factoren die de hogere ongelijkheids- en armoede-indicatoren wereldwijd verklaren. Deze combinatie van factoren zou de winst die de minder geavanceerde economieën sinds de Kredietcrisis hebben geboekt, zelfs kunnen terugdraaien.Op basis van ervaringen uit het verleden is het antwoord op dit probleem misschien eenvoudig. Toch zal de implementatie daarvan minder makkelijk zijn. Dé uitdaging is dan ook om de wederopbouw van economieën te verenigen met maatregelen die inclusie en rechtvaardigheid stimuleren.De volgende aspecten zouden prioriteit moeten krijgen in herstelplannen, zeker in minder geavanceerde economieën:Dit alles moet gebeuren zónder de maatregelen te verwaarlozen die de door de crisis veroorzaakte wonden in het productieve weefsel van landen moeten genezen. En, voor zover mogelijk, zonder blijvende sporen achter te laten in de economieën.De wereld heeft de belangrijkste gezondheidscrisis in de moderne geschiedenis doorgemaakt en deze nog niet volledig overwonnen. Nu staan we voor de uitdaging om de economische hartslag van vóór de pandemie te herstellen. Om dit te bereiken, moet meer dan ooit rekening worden gehouden met de hardnekkige problemen van ongelijkheid en armoede. Die zijn door de pandemie alleen maar verergerd.Willen we de wereldeconomie versterken, dan is het noodzakelijk om gedurfde maatregelen te nemen. Maatregelen die twee fundamentele pijlers van het huidige en toekomstige welzijn van elke samenleving versterken: gezondheid en onderwijs.Daarbij moeten er doortastende maatregelen worden genomen om de problemen van arbeidsintegratie van kwetsbare groepen te overwinnen én om de digitale kloof te verkleinen. Dat laatste is bijzonder belangrijk in ontwikkelende economieën.Dit alles moet tot slot gebeuren zonder het noodzakelijke herstel in productiviteit te verwaarlozen.Deze opinie verscheen oorspronkelijk bij The Conversation.