De Koude Oorlog begon in 1917. Al bij de totstandkoming van de Sovjet-Unie waarschuwde Vladimir Lenin voor kapitalistische gieren uit Washington en een langdurige strijd voor de hegemonie. Hij beschuldigde Amerika ervan Rusland te willen uitbuiten en overal tussenbeide te komen onder het mom van rechtvaardigheid: in Rusland zelf, in China, in Europa en in Perzië. De Sovjets zagen de wereld als een socialistisch eiland omringd door een kapitalistische zee. Als je de ideologie wegdenkt, wordt de kern van Lenins bezorgdheid duidelijk. Zoals hij dat zelf samenvatte: het gaat om wie de andere kan overheersen.
...

De Koude Oorlog begon in 1917. Al bij de totstandkoming van de Sovjet-Unie waarschuwde Vladimir Lenin voor kapitalistische gieren uit Washington en een langdurige strijd voor de hegemonie. Hij beschuldigde Amerika ervan Rusland te willen uitbuiten en overal tussenbeide te komen onder het mom van rechtvaardigheid: in Rusland zelf, in China, in Europa en in Perzië. De Sovjets zagen de wereld als een socialistisch eiland omringd door een kapitalistische zee. Als je de ideologie wegdenkt, wordt de kern van Lenins bezorgdheid duidelijk. Zoals hij dat zelf samenvatte: het gaat om wie de andere kan overheersen. Tussen 1917 en het formele begin van de Koude Oorlog in 1945 gapen decennia van ongemakkelijk aftasten. Lenin adviseerde om in dat prille stadium de confrontatie uit de weg te gaan, hard taalgebruik te schuwen en militaire macht te mijden. De Amerikaanse industrieel Henry Ford onderstreepte het belang van handel en bouwde een tractorfabriek nabij Moskou. 'Deze markt zou voor Ford wel eens het hele volume in Azië en Europa kunnen overtreffen,' zo verlekkerde hij zich. Sommigen droomden van het amerikaniseren van de Sovjets. Diplomatieke banden werden aangehaald, al was het maar omdat Duitsland een gezamenlijke bedreiging was. Achter de façade maakten experts zich geen illusies. De Sovjets begrepen dat hun overleven afhing van het terugduwen van rivalen rondom de lange grenzen. Een beetje zoals de Russische tsarina Catharina De Grote opperde: je moet de grenzen uitbreiden om ze te kunnen verdedigen. Amerika probeerde aanvankelijk vooral zijn economische invloed in Europa en Azië uit te breiden, maar tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het in Washington duidelijk dat Amerika belang had bij een sterke, vooruitleunende militaire positie aan de buitenranden van de Euraziatische landmassa. Het krachtenveld in 1945 was niet nieuw, maar het kwam tijdens de conferenties in Jalta en Potsdam volledig bloot te liggen. Voorbij de ideologie was de Koude Oorlog een geopolitieke strijd tussen een maritieme en een continentale grootmacht om het overwicht in Eurazië. Wilden de Amerikanen zich laten gelden langs de buitenranden, langsheen de kusten van Stille en de Atlantische Oceaan, dan gold voor Moskou het omgekeerde. Vooral Jozef Stalin vond het cruciaal om bijvoorbeeld de westerse invloed terug te duwen aan de Baltische en de Zwarte Zee, of in Oost-Europa en Oost-Azië. In een verbonden wereld is elke grote continentale macht die in Eurazië opstaat voorbestemd om voor Amerika een rivaal te worden. Dat is vandaag ook het geval tussen China en de Verenigde Staten. Velen wijzen naar de coronapandemie als kantelpunt. Maar de spanningen zijn zich al decennialang aan het opbouwen. Er wordt nu verwezen naar een recente tekst van de voormalige veiligheidsadviseur Herbert McMaster als een soort nieuw 'lang telegram', zoals de Amerikaanse diplomaat George Kennan er een schreef in 1946. Net zoals Kennan rapporteert McMaster over het diepe wantrouwen en besluit hij dat conflict onoverkomelijk is. Maar al die observaties werden al zo vaak gemaakt. Het conflict is niet nieuw. Het is de voorbije jaren alleen maar dwingender geworden. En het heeft beleidsmakers vooral heel veel tijd gekost om in te zien dat het onafwendbaar was. Ook in het geval van China stelden de Verenigde Staten dat ze het land konden amerikaniseren, dat ze democratisering konden stimuleren en een vrije markt konden afdwingen. Maar dat messianisme betekende vaak niet meer dan een rechtvaardiging voor winstbejag in een autoritaire samenleving. De Chinese leiders zelf gaven steevast aan dat zij de amerikanisering niet hoefden, dat de eenpartijstaat tegen elke prijs verdedigd moest worden, en dat er een nieuwe wereldorde moest komen die de invloed van de Amerikanen aan banden zou leggen. Amerika, en bij uitbreiding het Westen, heeft zichzelf dertig jaar lang een rad voor de ogen gedraaid. Peking is eigenlijk altijd duidelijk geweest over wat het wilde en niet wilde. Het wilde bijvoorbeeld economisch samenwerken, maar zonder de belangen van de nationale industrie prijs te geven. Het wilde technologisch samenwerken, maar zonder afbreuk te doen aan het langetermijndoel van technologische zelfredzaamheid. Samenwerking op korte termijn was een hulpmiddel om op lange termijn de wereldorde te hertekenen. Een gangbaar doel voor een opkomende grootmacht. Vreemd was dus niet zozeer wat China nastreefde. Vreemd was vooral dat het Westen dat zag en er niet naar handelde. Al in het begin van de jaren negentig beklaagde president Bill Clinton zich erover dat de samenwerking onevenwichtig was. In 2001 waarschuwde de Nationale Veiligheidsraad president George W. Bush dat een rijk China ook militair machtig zou worden. In 2006 begonnen de eerste kritische vertrouwelijke analyses te circuleren over de strategische gevolgen van China's groeiende economische invloed en militaire slagkracht. Barack Obama was van bij het begin van zijn presidentschap sceptisch over het vermogen om China te veranderen. Maar diplomaten bleven het aantal dialogen met China als graadmeter van succes beschouwen in plaats van de resultaten die de gesprekken opleverden. Politici verkozen de zekerheid van een onevenwichtig partnerschap boven de onzekerheid die gepaard zou gaan met een confrontatie. Westerse bedrijven bleven China als het land van de gouden bergen beschouwen, en gingen ervan uit dat strategische overwegingen onderdeden voor winstbejag. Ik herinner me een gesprek met de voorzitter van een van Amerika's grootste investeringsfondsen. 'Vergeet Donald Trump en zijn Chinapolitiek', zei hij vlak voor de presidentsverkiezingen van 2016. 'Zodra hij in het Witte Huis zit, zullen wij hem wel uitleggen wat er op het spel staat.' President Trump bleek minder vatbaar voor de druk van Wall Street. De investeerder in kwestie vormde met andere zwaargewichten uit de bedrijfswereld een groepje om de nieuwe president ervan te overreden dat hij de commerciële relaties met China gaaf moest houden. Maar de nieuwe president hield er een andere mening opna. Er zijn twee belangrijke verklaringen voor die ommezwaai. Een eerste is de persoonlijkheid van Trump, zijn onbesuisdheid, zijn grootdoenerij. Trump is niet bang voor confrontatie; hij dweept ermee. Met het oog daarop omringde hij zich met tegendraadse denkers. Steve Bannon, bijvoorbeeld, voor wie China een nieuw kwaadaardig imperium is. Of Peter Navarro, die China verantwoordelijk stelt voor de de-industrialisatie van de Verenigde Staten. Het resultaat was een nieuwe botsing tussen het oneerlijke en expansionistische China aan de ene kant, en aan de andere kant de Verenigde Staten, wier arbeidersklasse en ondernemers door Peking belazerd werden. Die emotionele benadering kreeg bijval van koelbloedige realisten. Defensieminister Jim Mattis, bijvoorbeeld, stelde dat de verzwakking van de Amerikaanse samenleving een grotere bedreiging was dan China. Hij besefte ook dat het Chinabeleid van de voorbije decennia een flop was, en dat de Chinese economie tegen 2030 even groot zou kunnen zijn als de Amerikaanse. Daarmee zou China een einde maken aan het Amerikaanse leiderschap. In de jaren voor de presidentsverkiezing van 2016 had China nieuwe raketten laten zien die de Verenigde Staten konden treffen of vliegdekschepen konden doen zinken. In 2016 haalden de Chinezen middels de belofte van investeringen de Filipijnen uit het Amerikaanse kamp. Ook voor de realo's was harde competitie onafwendbaar. Het is niet alleen de overheid die van koers verandert. Een grote meerderheid van de Amerikanen staat negatief tegenover China. Je zou kunnen debatteren over de vraag of het gerechtvaardigd is dat Amerika China als een rivaal beschouwt en de confrontatie aangaat. Uiteindelijk hebben de Chinezen dertig jaar lang gedaan wat de Amerikanen verwachtten: goedkoop consumptiegoederen leveren en de overheid voor meer dan 1000 miljard euro krediet toestoppen. De Chinese opmars is in zekere zijn een bijproduct van de Amerikaanse decadentie. Los van die ethische overwegingen leert de geschiedenis van de internationale politiek ons dat er geheid een conflict uitbreekt als de dominante mogendheid zich bedreigd voelt en de machtsbalans kantelt. En dát is nu precies aan het gebeuren. Het is ook niet zo dat Amerika ineens de competitie opstart. China is de competitie al decennia geleden begonnen. Zijn visie van een nieuwe, rechtvaardige wereldorde was en is erop gericht om het leiderschap van Amerika te doorbreken. En hoewel China beweert zelf geen dominante mogendheid te willen worden en geen hegemonie te willen vestigen, bestaat daar, om het vriendelijk uit te drukken, geen zekerheid over. Ook dat is een belangrijke les uit de geschiedenis van de wereldpolitiek: landen die vandaag vrede prediken worden alsnog arrogant zodra ze de macht grijpen. Kijk maar naar de VS. Een nieuwe, adembenemende tweestrijd is dus begonnen. Dit wordt een van de bepalende gebeurtenissen van onze eeuw. Maar vooral de komende tien jaar worden spannend. Want dat is de periode waarin duidelijk zal worden hoezeer en hoe snel de machtsbalans zal doorslaan. Zelfs als de Chinese economische groei vertraagt en de Verenigde Staten snel uit het huidige dal klauteren, zal de omvang van de Chinese economie binnen dit en tien jaar minstens in de buurt van de Amerikaanse komen. Een gemiddelde Chinees zal dan nog altijd vier tot vijf keer minder verdienen dan een Amerikaan, maar als land zou China meer budget hebben om op diplomatiek en militair vlak een verschil te maken. Hoe die tweestrijd zal evolueren, koud blijft of warm wordt, kunnen we niet voorspellen. Net zoals in de Koude Oorlog of andere langdurige grootmachtenconflicten zal de rivaliteit niet zozeer bepaald worden door een grootse strategische visie, maar door persoonlijkheden en permanente aanpassingen. Maar, opnieuw, de rivaliteit zal niet wegebben, ook niet als Donald Trump volgend jaar eventueel de baan zou ruimen voor Joe Biden. Die nieuwe strijd zal uit een zevental kampen bestaan. Eén kamp heeft het economische leiderschap als inzet. Net zoals tijdens de Koude Oorlog gaat het om de superioriteit van de Amerikaanse economie, deze keer tegen het staatskapitalisme van China. Wat verschilt tegenover de Koude Oorlog, is dat de Amerikaanse economie vandaag opgezadeld zit met een grote schuld, dat de industrie minder sterk is en dat de Chinese economie in verhouding tot die van de Sovjets veel groter is. Voor China wordt het vooral een zaak de toegang te behouden tot belangrijke afzetmarkten, want zijn industrie overleeft niet zonder uitvoer. China zal ook in snel tempo de industrie productiever moeten maken. Dat brengt ons bij het kamp om de technologie. Ondanks euforie over Chinese artificiële intelligentie blijft China technologisch achterophinken. Het heeft enorme bedragen over om buitenlandse technologie te kopen of voor onderzoek, maar in vergelijking met de VS komt er relatief weinig uit. Het komende decennium zal uitwijzen of China de verwachtingen alsnog kan waarmaken. China staat sterk in de industrie, maar nog zwak in technologie; Amerika staat nog steeds sterker in de technologie maar is verzwakt in de industrie. Degene die dit als eerste in evenwicht brengt, verwerft een groot voordeel. Een derde kamp is de strijd om Eurazië. China beseft goed dat het zijn nabuurschap te vriend moet houden of minstens moet voorkomen dat landen in de omtrek het Amerikaanse voorbeeld volgen. China heeft Azië en Europa ook nodig als afzetmarkt en bron van grondstoffen. Het voordeel van Peking is dat landen in het hart van Eurazië weinig alternatief hebben en dat zijn continentale as met Rusland voorlopig redelijk goed zit. De ultieme strijd zal dus vooral gaan om het randland, de maritieme buitenrand van Eurazië: over de invloed op het Koreaanse schiereiland, de eerste eilandenketen met daarin Taiwan, Zuidoost-Azië, Zuid-Azië, het Midden-Oosten en Europa. Europa, het mag duidelijk zijn, is in deze tweestrijd geen speler meer. Een vierde kamp: de Euraziatische zee. Voor China en Rusland is Eurazië al langer één groot geopolitiek schaakbord. De zeeën rondom maken daar deel van uit. Het is hun erom te doen de Amerikaanse militaire slagkracht op een afstand te houden, en dat met zo weinig mogelijk financiële inspanningen, dus vooral met raketten, mijnen en elektronische oorlogvoering. Voorts zijn die wateren belangrijk voor grondstoffen, voor de maritieme handel en de zogenoemde second strike- capaciteit: het vermogen om na een eerste nucleaire aanval terug te slaan vanaf onderzeeboten. Tussen pakweg 2000 en 2010 hebben Rusland en China hun macht op het continent bestendigd. Tussen 2010 en 2020 hebben ze werk gemaakt van het terugduwen van de Amerikaanse militaire macht. Tussen 2020 en 2030 is de inzet het 'insuleren' van Eurazië: ervoor zorgen dat meer landen zich afkeren van de VS en dat de Amerikanen nog meer de toegang tot de landmassa ontzegd kan worden. Washington zal dat uiteraard proberen te verhinderen. Een vijfde kamp betreft de ruimte en het internet. Wie in de voorbije eeuwen de oceanen en later de lucht overheerste, had grote economische en militaire voordelen. Vandaag komen daar twee nieuwe 'sferen' bij. Al enige tijd zoeken de Verenigde Staten en China de kwetsbaarheden van elkaars satellieten op. China beseft ook dat het met 5G een kans heeft om de Amerikaanse datadominantie te breken. Want wie de data controleert, controleert de economie en misschien wel voor een stuk de wereld. Een zesde worsteling is de nucleaire afschrikking. In tegenstelling tot de Koude Oorlog gaat deze nucleaire wedloop niet om het aantal wapens, maar om hun doeltreffendheid en hun vermogen verdedigingssystemen te verschalken. Zowel China als de Verenigde Staten investeren miljarden in de modernisering van hun nucleaire wapens: het installeren van meerdere kernkoppen op hun raketten, het wendbaar maken van die kernkoppen, het hypersonisch maken van de wapens enzovoort. Tezelfdertijd staan alle bestaande wapenbeheersingsverdragen op springen. We kunnen nog een zevende kamp toevoegen: de strijd om aanzien. Macht verspreidt zich het beste in een context van aanvaarding en legitimiteit, als het harde gepaard gaat met het zachte. Kleinere landen maken zich vandaag weinig illusies over de Amerikaanse en Chinese bedoelingen. Ze wantrouwen beide. Maar vaak volstaat het in de internationale politiek om de leiders van kleine landen te helpen de schijn hoog te houden om invloed te winnen. China doet dit meesterlijk. Denk maar aan de talrijke Europese landen die zich tegen beter weten in laten paaien met Chinese beloften over multilateralisme, economische hervormingen et cetera. Het verzwakt de weerstand en biedt China ruimte om de invloed te versterken. Donald Trumps onbesuisdheid helpt de Chinezen in die verzuchting. Niets heeft China meer geholpen dan de arrogantie van Trump. Dat kan een fatale Amerikaanse dwaling zijn. De passage van Trump was cruciaal om de confrontatie met China aan te gaan, maar een gematigder figuur in het Witte Huis zou die strijd wellicht beheerster kunnen volhouden en landen ervan kunnen overtuigen hun aarzeling tussen Peking en Washington in te ruilen voor sterke allianties. De belangrijkste inzet van de nieuwe tweestrijd is dominantie. Men kan ideologische voorkeuren hebben, het Chinese autoritarisme laken of de trieste staat van de Amerikaanse samenleving. Maar als we daar even abstractie van maken, dan is dit slechts een nieuwe deining in de eeuwigdurende golfbeweging waarmee de macht zich over het aardoppervlak verspreidt. Aan de ene kant noopt die observatie tot bescheidenheid, want vroeg of laat leidt een verstoring van het machtsevenwicht tot conflict. Dat is onontkoombaar. Aan de andere kant brengt ze een enorme opdracht met zich mee qua stuurmanskunst, een verantwoordelijkheid om de juiste inzichten te verwerven, de juiste keuzes te maken en ervoor te zorgen dat we niet belanden in een vernietigende maalstroom. Een grote tweestrijd kan veel vormen aannemen. Niet alle oorlogen blijven koud.