Er zijn hele boekenkasten gevuld, Canadese wouden tot pulp vermalen, om op die ene vraag een antwoord te vinden: wat is Canada? In een land dat qua areaal groter is dan zijn zuiderbuur, de Verenigde Staten, wonen volgens de volkstelling van vorig jaar 35 miljoen mensen, een tiende van het aantal bewoners in de VS. Meer dan 90 procent van de Canadezen woont binnen 160 kilometer van de grens met de VS, wat de relatie met de buur nog inniger maakt. Wat betekent het om Canadees te zijn?
...

Er zijn hele boekenkasten gevuld, Canadese wouden tot pulp vermalen, om op die ene vraag een antwoord te vinden: wat is Canada? In een land dat qua areaal groter is dan zijn zuiderbuur, de Verenigde Staten, wonen volgens de volkstelling van vorig jaar 35 miljoen mensen, een tiende van het aantal bewoners in de VS. Meer dan 90 procent van de Canadezen woont binnen 160 kilometer van de grens met de VS, wat de relatie met de buur nog inniger maakt. Wat betekent het om Canadees te zijn? Canada, qua oppervlakte het tweede land ter wereld, is ooit omschreven als 'leegte met her en der wonderen'. Men had ook kunnen schrijven: 'koude met her en der wonderen'. Het land heeft gigantische oliereserves en andere grondstoffen, zoetwatermeren, hoge bergen, vrijwel onaangeroerde toendra, eindeloze graanvelden, elanden, miljarden black flies die zo bloeddorstig zijn dat ze jonge vogels doden. Dat alles geeft het land op wereldschaal grandeur, naast economisch en toeristisch potentieel. Het kostte ontdekkingsreizigers jaren om een fractie van het land in kaart te brengen. Dat is een van de paradoxen van Canada: het land is gigantisch, maar de impact is beperkt. Het is min of meer een bijhuis van de VS, het kleine broertje van die grote Jan. Dat laatste is natuurlijk niet de visie van de meeste Canadezen op hun eigen land. Canadezen zien zichzelf als de antipode van hun zuiderburen: veel minder conservatief, niet heel religieus, met zinnige wetten ter beteugeling van wapengeweld, met al bij al heel weinig geweld, met ziekenzorg voor iedereen en zelfs een aanmaning om op geregelde tijdstippen naar de tandarts te gaan. Ze zien zichzelf als een land van goede bedoelingen. Ze weten dat een van hen de VN-verklaring voor de rechten van de mens heeft geschreven, dat Canada aan de basis lag van de eerste VN-vredesmissies in de jaren vijftig, dat Canada ook, bij monde van premier Justin Trudeau, een natie is die hartstochtelijk de multiculturaliteit omarmt, die massaal Syrische vluchtelingen uitnodigt terwijl de zuiderbuur - zowel onder president Barack Obama als onder Donald Trump - de vluchtelingen toch vooral wil weren of ze elders wil onderbrengen. Canada vindt zichzelf soms gecultiveerd, zeg maar 'Europees', in vergelijking met de Amerikanen. Canadezen schrijven en lezen boeken, ze produceerden de betere popmuziek, gaande van Leonard Cohen over Joni Mitchell tot Drake. In de kunsten weten ze op te boksen tegen de grote broer. In de productie van brandstof en hout verwierven ze een dominante plaats. Op andere terreinen is het wat minder. Veel Canadezen hebben best een hoge dunk van hun land. Het kan soms verwaandheid lijken (wat niet spoort met een andere eigenschap die Canadezen zichzelf toedichten: bescheidenheid). Minister van Buitenlandse Zaken Chrystia Freeland had het eerder deze maand over Canada als een 'essentieel land', een land dat miljarden besteedt aan een leger hoewel het eigenlijk niet bedreigd wordt. Waarom? Omdat het elders vrede wil stichten. Canada ligt aan de basis van de G20 (zei ze), coördineerde de strijd tegen zure regen, en is nu op zoek naar gelijkgestemden om ook zonder de VS actie te ondernemen in kwesties zoals het milieu, die niet nationaal te regelen vallen. Het ergste wat we kunnen doen, verklaarde ze, is op het 'America First' van Trump te reageren met 'Canada First'. Want nu de VS niet langer het voortouw willen nemen en de rest van de wereld in de goede richting willen leiden, is het aan een land zoals Canada om allianties te smeden en bondgenoten te zoeken. Canada is klaar, gaf ze te verstaan, om in het gat te stappen dat Donald Trump heeft gecreëerd sinds hij het klimaatakkoord heeft opgezegd. In zijn boek Common Ground (2014) is premier Justin Trudeau al evenmin zuinig met de eigen lof. 'Canada is misschien het enige land ter wereld dat sterk is net vanwege de verschillen,' schrijft hij, 'niet ondanks de verschillen.' En enkele zinnen verderop: 'Ik geloof dat onze openheid de kern vormt van wie we zijn als Canadezen. Ze maakt van Canada de meest vrije en de beste plaats in de wereld om te wonen.' In de jaren 1990 was Canada zelfs écht het beste land ter wereld. Dat viel af te lezen uit de ontwikkelingsindex van de Verenigde Naties (UNDP). In die index worden onder meer onderwijs, gezondheid en inkomen verrekend. Tegenwoordig is Canada teruggevallen naar de tiende plaats op de lijst, ex aequo trouwens met de VS. Laat Canadezen twee seconden over zichzelf praten, en ze komen uit bij omschrijvingen als 'aardig', 'saai' of 'beleefd'. Komiek Mike Myers, bedenker van onder meer de Austin Powers-films, verwijst vaak naar het ultieme duel, dat in landen als Mexico en de VS traditioneel met vuurwapens werd uitgevochten. In Canada, grapt hij, valt een soortgelijk duel te beleven aan een draaideur. Daar neemt de beleefdheid zodanige proporties aan dat ze normale doorgang onmogelijk maakt. 'Na u', is wat Myers betreft het Canadese equivalent van een vuurgevecht. 'U draagt meer inkopen dan ik,' zegt de ene geblokkeerde passant dan, 'na u.' 'Ja, maar de uwe wegen meer dan de mijne,' sputtert de andere tegen, 'na u.' Enzovoort, en zo verder. Ga naar een land waar mensen niet beleefd zijn, aldus Myers (lees: de VS), en je zult beleefdheid pas echt appreciëren. Nog een uitspraak van hem: 'Amerikanen hebben een man op de maan gezet, maar Canadezen zorgen ervoor dat mensen het goed hebben op aarde.' Alleen: op bijna elk van de genoemde omschrijvingen kun je vlotjes uitzonderingen vinden. Het is niet altijd aan de oppervlakte zichtbaar, maar het land is soms helemaal niet zo beleefd of saai. Het lijkt ook weleens alsof Canadezen minder gauw raar opkijken van dingen, terwijl Amerikanen hun verbazing en enthousiasme net cultiveren. Enkele jaren voordat de Amerikaanse president Ronald Reagan en zijn vrouw Nancy met hun 'just say no'-campagne de oorlog tegen drugs ontketenden, bracht de echtgenote van de toenmalige Canadese premier Pierre Trudeau, Margaret, in Toronto de nacht door met The Rolling Stones, dobbelend en joints rokend en het bed delend met een van de groepsleden. Dat alles maakte uiteindelijk deel uit van een echtscheiding, maar het leidde níét tot een regeringscrisis, wat het bij de zuiderburen ongetwijfeld wel zou hebben gedaan. Er wordt vaak gezegd dat Canada zich definieert door wat het niet of minder is. Schrijfster Charlotte Gray omschrijft het in haar recente boek The Promise of Canada zo: het is niet de VS, het is niet eentalig noch eenvormig, het is geen echte natiestaat naar Europees model. Canadezen zijn minder klassenbewust dan de Britten, niet zo kieskeurig als de Fransen, en minder voortvarend dan de Amerikanen. Gray heeft een plank vol boeken die Canada proberen te definiëren. Om de paar jaar is er een nieuw, geeft ze aan, omdat het land om de paar jaar anders gedefinieerd wordt. 'Wij zijn het enige land ter wereld', schreef journalist Peter Newman in zijn boek Heroes, 'waar burgers ervan dromen Clark Kent te zijn in plaats van Superman.' Een andere eigenschap die Canada volgens zichzelf niet heeft, is oorlogszucht. Het wil ook geen land van helden zijn, maar het heeft wel bovengemiddeld veel bloed verloren in de twee wereldoorlogen, in gebieden ver van huis, met namen die nu nog nazinderen in het thuisland: Passchendaele, Ypres, Flanders Fields. Misschien heeft dat collectieve bloedverlies, grotendeels rond belangen die Canadezen niet rechtstreeks aangingen, het land tot een eenheid gemaakt. Tot in het kleinste gehucht staan er monumenten voor de plaatselijke gesneuvelden. Door zijn geschiedenis weet Canada heel precies waarom het oorlogen wil verhinderen en bloedvergieten wil minimaliseren. Al lukt dat niet altijd. Op 1 juli zal het 150 jaar geleden zijn dat Canada als min of meer onafhankelijke entiteit is gaan bestaan. Er zijn een jaar lang allerlei festiviteiten gepland om dat te vieren, maar er zijn ook veel kritische noten te horen. Moest men het herdenkingsfeest nu echt de Sesquicentennial noemen, een term die zoals uit straatinterviews blijkt niet al te veel Canadezen kunnen uitspreken zonder dat ze eerst oefenen? Tv-zender CBC waarschuwde de kijkers al voor de 175e verjaardag, want die zal mogelijk Demisemiseptcentennial heten. Maar nu serieus. De vraag moet gesteld: bestaat Canada op 1 juli echt 150 jaar? Zo eenvoudig is het niet. Drie jaar eerder, in 1864, werden er onderhandelingen gevoerd tussen witte mannen in donkere pakken. Uiteindelijk formuleerden vier van de Canadese provincies (Ontario, Québec, Nova Scotia en New Brunswick) de wens om een confederale staat binnen het Gemenebest uit te bouwen. De nieuwe staat zou braafjes onder de Britse kroon blijven schuilen. De Canadezen kregen voor hun voorstel de expliciete ondersteuning van zowel het Britse parlement als van koningin Victoria, die de ontstaansdatum op 1 juli vastlegde. Die steun van het moederland was makkelijk te krijgen: Londen was het beu om op te draaien voor de troepen in de kolonie, en zag in de confederale staat een mogelijkheid om de bewoners zelf de kosten voor de soldaten te laten betalen. Het zou tot 1931 duren voordat de kolonie volledig autonoom werd, en bijvoorbeeld ook op het vlak van buitenlands beleid onafhankelijk kon opereren. Het kostte nog meer tijd om alle tien provincies achter dezelfde vlag te krijgen. In vele opzichten was de Confederatie die in 1867 ontstond een 'kolonie-staat', deel van het Brits imperium, bedoeld voor de kolonisten, terwijl de first nations (inheemse volkeren) en de overige zes provincies van het huidige Canada geen stem hadden. Het was een matte onafhankelijkheid, zeker in vergelijking met de felbevochten Amerikaanse revolutie. Wat wel spectaculair was aan het prille Canada: het was een staat die georganiseerd werd om verschillen te overbruggen, een beetje zoals Zwitserland, een beetje zoals de VS, een beetje zoals België nu geworden is. De macht bevond zich op twee niveaus: een federaal en een provinciaal. Het overwegend Franstalige en katholieke Québec kon binnen het kader van Canada zijn eigenheid behouden, en zelfs min of meer feodaal blijven. Trouwens, terwijl de Engelstalige Canadezen de nieuwe staat benadrukten, bejubelden de Franstaligen in Québec de regionale, culturele en religieuze autonomie die binnen de Confederatie werd verworven. De Confederatie van 1 juli 1867 was niet alleen ingegeven vanuit besparingsoverwegingen van het Britse rijk. Ze had nog een ander doel. In de voorbije tijden was de verhouding met de VS weer eens slechter geworden, en Canada wilde duidelijk maken dat het land niet te annexeren was. Want dat was, zo schrijft historicus Robert Bothwell in Your Country, My Country (2015), lange tijd een veronderstelling die leefde aan de overkant van de grens. De Amerikanen begrepen niet goed waarom de Canadezen halsstarrig bleven weigeren toe te treden tot hun superieur geachte republiek. In maart 1867 kochten de Amerikanen Alaska, en ze gaven te kennen dat ze ook de rest van Noord-Amerika wilden verwerven. Nadat de Confederatie was uitgeroepen, voelde het gebied zich minder kwetsbaar voor zo'n overname. Tijdens de Amerikaanse burgeroorlog (1861-1865) hadden de Canadezen weliswaar veel geld verdiend door waren te verkopen aan de oorlogvoerende partijen, maar na afloop van de gewelddaden vonden de Amerikaanse bewindslui dat het Britse rijk te veel de kant had gekozen van de (verliezende) zuidelijken. Er werden represailles genomen. Zo werd een systeem van wederzijdse tariefkwijtschelding eenzijdig opgedoekt. Bothwell, professor Canadese geschiedenis aan de University of Toronto, besteedt ongeveer 400 pagina's aan de verhouding tussen de buren. Zijn conclusie wijkt af van vorige pogingen om de relatie in kaart te brengen. Volgens hem zijn de conflicten tussen de landen eerder zeldzaam geweest, en waren de verschillen helemaal niet zo fundamenteel. Zelfs ten tijde van de Amerikaanse revolutie, toen loyalisten uit de huidige VS die trouw bleven aan het Verenigd Koninkrijk naar het huidige Canada vluchtten (en dat waren er niet eens zoveel), bleef er uitwisselbaarheid bestaan. 'Revolutionaire' Amerikanen trokken naar Canada omdat de kroon gratis land ter beschikking stelde, en bovendien de gehate taksen had ingetrokken, terwijl loyalisten massaal naar de VS trokken omdat het welvaartsniveau daar hoger lag. Het werd allemaal grimmiger toen er in 1812 een oorlog tussen de VS en Canada losbarstte. De Amerikanen wilden door de wapens op te nemen protesteren tegen een Britse blokkade van Amerikaanse schepen die Frankrijk wilden bevoorraden. Die oorlog had nogal wat vaudevilletrekjes. De Amerikanen verklaarden de oorlog toen de Britten al essentiële toegevingen hadden gedaan, die in principe een gewapend conflict had moeten voorkomen. Maar de berichten over die toegevingen bereikten Washington te laat, en het Amerikaanse parlement had al officieel de oorlog verklaard. Na zo'n ronkende verklaring wilden de Amerikanen hun staart niet meer intrekken. Zeker in het begin verliepen de veldslagen niet in het voordeel van de VS. Canada wist Detroit te veroveren. Het einde van de oorlog was, net zoals het begin, nogal tragikomisch. De Amerikanen behaalden in januari 1815 in New Orleans hun grootste overwinning. Maar later bleek dat ze wonnen nadat er al enkele weken een vredesverdrag was ondertekend: het verdrag van Gent. Het nieuws van dat verdrag was via de oceaan onderweg toen de Amerikanen hun slag thuis haalden. Los van die oorlog van enkele jaren, en enkele perioden van oplopende spanningen daargelaten, viel het nogal mee met de bilaterale betrekkingen. De VS waren misschien de grote vijand, maar net zo goed de grote droom. Canadezen waren decennialang gemiddeld ongeveer 30 procent armer dan Amerikanen, wat de forse migratie naar het zuiden verklaart. Ook na de oprichting van de Confederatie bleef die migratiestroom aanhouden. Tussen 1870 en 1890 verhuisden 825.000 Canadezen naar de VS. Dat was ruim een zesde van de totale bevolking (geschat op 4,8 miljoen in 1891). Ter vergelijking: de migratie uit Canada naar de VS was groter dan die vanuit Italië, schrijft Bothwell. In zijn boek doorprikt historicus Bothwell enkele van de illusies die Canadezen nog weleens over zichzelf koesteren. Canada zou beter zijn omgegaan met de 'indianen' dan de VS. Het Britse rijk probeerde allianties te sluiten, terwijl de jonge Amerikaanse Republiek niet wakker lag van first nations en hun rechten of territoria. Maar toen de Britten/ Canadezen niet langer baat hadden bij verdragen, lieten ze de first nations onmiddellijk vallen. De realiteit van de Canadese reservaten en Canadese first nations is dat ze haaks staat op de verwezenlijkingen elders in het land. Decennialang werden kinderen uit first nations weggehaald bij hun ouders om opgevoed te worden in vaak gruwelijke weeshuizen. De bedoelingen waren ook in dit geval misschien goed, maar de uitkomst was een puinhoop die tot vandaag niet is opgeruimd, een blijvende bron van beperkte levensverwachting en sociale achterstelling. Canadezen waren, blijkt uit het boek van Bothwell, niet altijd progressiever dan de Amerikanen, of minder religieus, of minder racistisch. De katholieken van Québec waren lange tijd juist meer religieus dan Amerikanen. En ten tijde van de New Deal van president Franklin D. Roosevelt in de jaren 1930 waren de VS linkser dan Canada. Zelfs in de jaren 1960-1970, toen Canada zijn gevierde systeem van gezondheidszorg uitbouwde, leken de VS onder de presidenten Lyndon B. Johnson en Richard Nixon op weg om hetzelfde te realiseren. Ze hadden dezelfde naam bedacht voor hun systeem: Medicare. Maar de Vietnamoorlog zorgde ervoor dat er in de VS geen geld en geen politieke wil meer was voor een veralgemeende ziekteverzekering. Het systeem werd alleen doorgevoerd voor bejaarden. En die rol als land dat de wereld beter wil maken? Bothwell toont aan dat die ambitie (die het land deelt met de VS) niet altijd spoort met de wil van de bevolking. Zo ontving premier Lester B. Pearson in 1957 de Nobelprijs voor de Vrede omdat hij onder wereldwijd gejuich de VN-vredesmacht in Suez hielp oprichten, maar bij de volgende verkiezingen werd hij weggestemd. Zijn Engelstalige kiezers vonden dat hij wat meer steun had kunnen tonen voor de Britse bondgenoot, die Suez wilde bezetten. En ja, Canada ving tijdens de Amerikaanse burgeroorlog slaven op, en dienstweigeraars tijdens de Vietnamoorlog. En zeker, Canada weigerde mee te stappen in de oorlog van George Bush in Irak. Maar lange tijd voerde het land ook een racistische migratiepolitiek. Aziaten werden geweigerd. Sikhs mochten in de havens hun schip niet verlaten. Amerikaanse dienstweigeraars trokken hun ogen open toen ze zagen hoe autoritair zelfs een Canadese liberaal als Pierre Trudeau kon optreden. In de ogen van de dienstweigeraars was dat soort optreden zelfs tijdens de Vietnamoorlog in de VS ondenkbaar. Canada stond open voor migratie van religieuze pacifisten, zoals de Russische doekhobors rond 1900, maar zodra het land besliste om deel te nemen aan een wereldoorlog werden de beloftes aan pacifistische groepen snel vergeten en verwachtte men dat ook zij zouden meevechten. Canadese loyalisten hadden zich ooit huiverig getoond over het Amerikaanse populisme, en hoe het janhagel bezittingen van andersdenkenden kort en klein sloeg (als het daar al bij bleef), maar tijdens de wereldoorlogen waren er ook in Canada meutes die tegenstanders van de oorlog treiterden. Doekhobors werden aangevallen. Ook op het vlak van het milieu kun je je vragen stellen. Canada was de kampioen van milieubeleid - niet voor niets werd Greenpeace er opgericht. Maar onder de vorige premier, Stephen Harper, weigerde het land ineens internationale milieuakkoorden te ondertekenen, en begon het volop oil sands te ontginnen, een bijzonder vervuilende vorm van oliewinning. Terwijl Barack Obama de Verenigde Staten voorzichtig naar links laveerde en de milieurichtlijnen verstrakte, zette Harper Canada op een neoliberale koers die Reagan en Bush in Amerika hadden uitgeprobeerd. Obama zat dichter bij de multiculturele lijn die premier Justin Trudeau tegenwoordig uitzet dan Harper. Slotsom van Bothwell: als je de progressieve provincies van Canada vergelijkt met de noordelijke staten in de VS, zoals Massachusetts, waar men in meerderheid Democratisch stemt en waar het Engels niet zo verschilt van dat van Canada, dan zijn de verschillen tussen de landen verwaarloosbaar. En in de olieprovincie Alberta is de mentaliteit niet zo verschillend van die in Texas (in dat geval is het accent wel behoorlijk anders). Canadese steden lijken meer op Amerikaanse steden dan op Europese. Canada zit mijlenver van de Britse sportcultuur. Er wordt niet zoveel gevoetbald, er is geen wijdverspreid enthousiasme voor cricket. In de winter spelen kinderen ijshockey, en in de zomer kiezen ze voor de Amerikaanse nationale sport: honkbal. En economisch-filosofisch hebben beide landen een heilig geloof in de verbeterbaarheid van situaties, in de verbeterbaarheid van het eigen land. De waarheid is: de verschillen die er zijn, zijn een kwestie van gradatie, van karakter, van locatie, van invulling in de marge. In een interview met het tijdschrift Maclean's maakte Bothwell één voorbehoud. Amerikaans nationalisme zou de zaken snel op scherp kunnen stellen. Door nationalisme begonnen de partijen in 1812 te vechten. En nu zit er met president Donald Trump iemand in het Witte Huis die probeert economische geschillen uit te buiten, en langlopende allianties op de helling te zetten. De Canadese premier Justin Trudeau heeft in de eerste maanden van Trump het pad van de nabijheid bewandeld: hij blijft contact houden, in de hoop dat hij invloed kan uitoefenen. Maar de grote broer, die sinds de eedaflegging op 20 januari een bullebak is, dreigt met sancties, of met nieuwe tarieven om melkproducten uit Wisconsin betere toegang te geven tot de Canadese markt, of om Canadees hout duurder te maken voor Amerikanen. En dat was nog maar het voorspel tot de veel grotere ingreep: het opzeggen van het milieuakkoord van Parijs. Is Canada voortaan, zoals de minister van Buitenlandse Zaken beweert, een essentieel land? Een land dat kan helpen een vuist te maken tegen Donald Trump? Dat buiten de Amerikaanse president om allianties tot stand kan brengen? Het valt te bezien. Canada is zowel groot als klein. Het hoopt, en het vreest tegelijk het ergste. Maar als de nood hoog is, aldus premier Justin Trudeau, maakt dit land zijn borst nat. En dat al 150 jaar.