Toen de Communistische Partij op 23 november 2020 aankondigde dat China erin geslaagd was de extreme armoede uit te bannen, viel dat bericht bijna tussen de plooien. Ten onrechte. Die schijnbaar doordeweekse aankondiging was het resultaat van een enorme campagne, waardoor de overheid in vijf jaar tijd met microkredieten, beurzen en subsidies meer dan 93 miljoen Chinezen uit de extreme armoede haalde. Staatsbedrijven ondernamen enorme projecten om elektriciteit en drinkwater te brengen naar achtergestelde rurale gebieden, waar de tijd in vergelijking met de op steroïden groeiende grootsteden stil lijkt te staan.
...

Toen de Communistische Partij op 23 november 2020 aankondigde dat China erin geslaagd was de extreme armoede uit te bannen, viel dat bericht bijna tussen de plooien. Ten onrechte. Die schijnbaar doordeweekse aankondiging was het resultaat van een enorme campagne, waardoor de overheid in vijf jaar tijd met microkredieten, beurzen en subsidies meer dan 93 miljoen Chinezen uit de extreme armoede haalde. Staatsbedrijven ondernamen enorme projecten om elektriciteit en drinkwater te brengen naar achtergestelde rurale gebieden, waar de tijd in vergelijking met de op steroïden groeiende grootsteden stil lijkt te staan. Voor de Chinese leider Xi Jinping was die campagne een absolute prioriteit. Het is een belofte die hij zonder twijfel heeft waargemaakt. Zelfs als China zijn armoedegrens lager legt dan de internationaal aanvaarde norm, valt onmogelijk te ontkennen dat de leefomstandigheden ook in de armste gebieden verbeteren. Bovendien kwam de aankondiging er in een jaar waarin China aanvankelijk zwaar getroffen werd door het coronavirus, maar er met draconische maatregelen toch als enige grootmacht in slaagde om zijn economie te laten groeien. Voor het gros van de Chinezen is corona sinds mei bedwongen. Sporadische uitbraken worden vakkundig gesmoord met grootschalige testprogramma's en snelle lockdowns. Waren veel Chinezen aanvankelijk diep geschokt door de manier waarop hun overheid de epidemie onder de mat probeerde te vegen, nu onthouden ze vooral de doortastende manier waarop het virus werd verpletterd. Een jaar na de uitbraak in Wuhan komt China versterkt uit de crisis. Dat China zo veel succesvoller was dan het gros van de westerse landen, heeft het regime bevestigd in het idee dat de rol van het Westen stilaan is uitgespeeld. 'China beseft dat het Westen verzwakt uit deze crisis komt', zegt Frank Pieke, hoogleraar Modern China Studies aan de Universiteit Leiden. 'Het heeft de leiders het inzicht bijgebracht dat het geen zin heeft om rekening te houden met gevoeligheden in westerse landen.' Pieke geeft het voorbeeld van de nieuwe veiligheidswet in Hongkong, die verregaande strafmaatregelen inhoudt voor separatisme, subversie, buitenlandse inmenging en 'terrorisme'. 'China had die veiligheidswet al veel eerder kunnen invoeren, maar was beducht voor de internationale reacties. Dat speelt nu niet meer. Zelfs als Amerika en Europa dreigen met sancties, denkt de Communistische Partij: het zal allemaal wel.' Tegelijk heeft de coronapandemie de argwaan jegens China verder doen toenemen. Sinds het presidentschap van Donald Trump heerst in Amerika een politieke consensus dat China een rivaal is die beteugeld moet worden. Ook Joe Biden is niet langer bereid om, zoals dat vroeger heette, de panda te knuffelen. In Europa groeit het wantrouwen jegens Chinese investeringen. De manier waarop China opzichtig mondmaskers en apparatuur rondstrooide tijdens het begin van de pandemie en de botte weigering om zijn verantwoordelijkheid te erkennen voor de initiële uitbraak, zorgden in veel landen voor de nodige irritatie. De berichten over hoe het regime met de Oeigoerse minderheid omgaat en de botte manier waarop de straatprotesten in Hongkong de kop werden ingedrukt, waren evenmin een goede zaak voor de Chinese reputatie. Maar ook daar is volgens Pieke geen inschikkelijkheid te verwachten. 'Het regime ziet die heropvoedingskampen, waarin naast Oeigoeren ook etnische Kazachen en Tadzjieken zitten, als een essentieel deel van zijn veiligheidsbeleid. Voor Peking zijn die kampen een antiterreurmaatregel, omdat Oeigoerse separatisten de voorbije decennia meermaals terreuraanslagen hebben gepleegd. De westerse kritiek vinden ze hypocriet - en daarin hebben ze geen ongelijk. Het Westen is pas belangstelling voor de Oeigoeren beginnen te koesteren toen Trump dat als politiek wapen begon in te zetten.' Veiligheid is een enorm belangrijk thema voor de partij, aldus Pieke. 'De Chinese bevolking is niet gewend aan onveiligheid. Ze vraagt krachtdadigheid en efficiëntie van haar overheid. In Europa hebben we er vrede mee dat we soms een prijs betalen voor onze fundamentele vrijheden, maar voor Chinezen geldt dat niet. Zij hebben er bij wijze van spreken geen probleem mee om elke moslim in een kamp te stoppen om aanslagen te voorkomen.' Ondanks China's groeiende assertiviteit en de toenemende mate waarin Amerika China als een rivaal ziet, staan China vooral binnenlandse uitdagingen te wachten. Het huidige ontwikkelingsmodel loopt stilaan op zijn laatste benen. Toen Deng Xiaoping na de dood van Mao aan de macht kwam, reanimeerde hij de Chinese economie door het land open te stellen voor buitenlandse bedrijven, die in China een enorme en bijzonder goedkope arbeidsreserve vonden. China werd het fabriekje van de wereld voor zowat alle massaconsumptiegoederen. Op die manier exporteerde China zich uit de armoede, met groeicijfers die jarenlang rond de 10 procent schommelden. Die strategie blijkt niet langer houdbaar. Door de economische opgang zijn de Chinese lonen voor veel sectoren te hoog geworden om op de wereldmarkt te concurreren. Ook Chinese bedrijven verplaatsen hun productie tegenwoordig naar lagelonenlanden als Bangladesh of Vietnam. En dus dreigt China in de gevreesde middle income trap te vallen. Dat is de economische wetmatigheid waarbij een land te weinig innovatie en hoogtechnologische productie heeft om hoge lonen te rechtvaardigen, maar tegelijk te hoge lonen heeft om nog als goedkoop productieland te renderen. Om dat te vermijden moet China, zoals dat heet, opklimmen in de productieladder. In plaats van textiel, staal of plastic moet het binnenkort zijn eigen hightechproducten ontwikkelen en exporteren. Dat is een enorm gecompliceerde reconversie, waarin de meeste ontwikkelingslanden finaal niet slagen. In een mondiale economie, waar de internationale concurrentie steeds groter wordt, is het bovendien nóg moeilijker om die valstrik te omzeilen. Die economische reconversie zorgt voor enorme sociale uitdagingen, stelt Bart Dessein, professor sinologie aan de Universiteit Gent en het Egmontinstituut. 'Voor een hoogwaardige economie heb je veel hoogopgeleiden nodig, en die vind je niet van vandaag op morgen. Je kunt van een metaalarbeider niet zomaar een ICT'er maken. Bovendien kan China voorlopig niet zonder die goedkope export. Er zijn talloze staatsbedrijven die verliesgevend zijn, maar die met enorme subsidies overeind gehouden worden door de overheid. Xi is de eerste leider die heeft aangekondigd dat de overheid die staatsbedrijven niet kan blijven subsidiëren. Maar als die bedrijven failliet gaan, zou dat voor grote sociale onrust kunnen zorgen.' En dus zoekt de Communistische Partij tegelijk allerlei manieren om tijd te winnen en het onvermijdbare nog even uit te stellen. Dessein geeft het voorbeeld van de Nieuwe Zijderoute, de reeks enorme infrastructuurprojecten waarmee China transportlijnen over het hele Euraziatische en Afrikaanse continent uitbouwt. 'Dat is uiteraard een geopolitiek project, maar het is evenzeer een manier om de oude staalindustrie uit West-China draaiende te houden.' Bovendien vergt zo'n nieuw economisch model ook allerlei binnenlandse hervormingen. In het Westen wordt China er vaak van beschuldigd aan grootschalige intellectuele diefstal te doen. Hoewel dat niet langer helemaal waar is, is er wel degelijk een probleem. Dat probleem is overigens minstens zo groot voor Chinese als voor buitenlandse ondernemers. 'Het regime zal de komende jaren een duidelijk wettelijk kader moeten creëren over intellectuele eigendomsrechten', zegt Julie Yu-Wen Chen, professor Chinastudies aan de Universiteit van Helsinki. 'Chinezen moeten leren dat je niet zomaar iets mag imiteren als je iets goeds ziet. Maar tegelijk durft de Communistische Partij niet te hard door te zetten met die hervormingen, omdat ze daarmee op korte termijn tegen haar eigen belangen ingaat.' Deng Xiaoping zei in de jaren tachtig dat 'bepaalde mensen eerst rijk moesten worden' om van China een welvarend land te maken. Maar het openen van de markt en het vrije ondernemerschap leidden wel tot een enorme toename van de ongelijkheid. Hoewel Xi erkende dat de enorme kloof tussen arm en rijk een probleem is, zal ze de Chinezen niet meteen de barricaden opjagen. 'Je hoeft niet met een Rolls-Royce te rijden om het gevoel te hebben dat je leven erop vooruit gaat', zegt Dessein. 'De meeste Chinezen ervaren nog steeds dat ze vooruit gaan.' In zekere zin zou het einde van de extreme armoede als een cesuur in het Chinese ontwikkelingsproces kunnen gelden. Was het China van Mao Zedong er een van boeren en arbeiders, dan moet het China van Xi Jinping er een worden van bedienden en middenklassers. China, dat volgens zijn eigen statistieken ongeveer 400 miljoen burgers tot de middenklasse rekent, is nu al het grootste middenklasseland ter wereld. Dat aantal zal de komende jaren alleen maar groeien en moet de motor worden van een nieuw economisch model dat op binnenlandse consumptie steunt. Tegelijk zorgt die groeiende middenklasse ervoor dat het verwachtingspatroon bij de bevolking wordt aangescherpt. Zo staat China de komende jaren voor de enorme uitdaging om een volwaardig sociaal vangnet uit te bouwen. Door de welbekende eenkindpolitiek - die in 2015 werd ingewisseld voor een tweekindpolitiek - heeft China een snel vergrijzende bevolking. Tegen 2050 wordt verwacht dat meer dan een kwart van de Chinezen ouder zal zijn dan 65. 'China zal oud zijn voor het rijk wordt', aldus Dessein. 'Het zal dus een manier moeten vinden om met minder werkende mensen meer opbrengsten te genereren om het socialezekerheidssysteem te financieren.' Het sociale systeem is in China verrassend kleinschalig. Het sociale vangnet wordt - zoals zowat alle bestuurlijke uitdagingen - georganiseerd op het niveau van de arrondissementen: een bestuurlijke eenheid die qua grootte min of meer te vergelijken valt met een Vlaamse provincie. Omdat de economische verschillen tussen de 1467 arrondissementen zo enorm zijn, slaagt niet elke lokale overheid erin met de nodige financiering voor de dag te komen. Bovendien hangen Chinezen nog steeds vast aan het zogenaamde hukou-systeem, het huishoudelijke registratiesysteem uit de maoïstische tijd waardoor Chinezen voor verzorging aangewezen zijn op hun geboorteregio. De vele miljoenen Chinezen die vanuit de armere, rurale gebieden naar de steden trekken, vallen immers niet automatisch onder het sociale stelsel van hun woonplaats. Dat leidt tot het curieuze fenomeen dat 'geboren' Pekinezen een gezondheidszorg genieten die de vergelijking met menig Europees land kan doorstaan, maar 'nieuwe' Pekinezen voor een consultatie vaak helemaal terug naar hun geboorteregio moeten. 'Dat zorgt voor heel wat wrevel', beaamt Chen. 'Als jij in Peking woont en werkt, en je merkt dat jouw buurman wél een goede ziekteverzekering heeft, word je daar uiteraard niet vrolijk van. Op lange termijn is dat onhoudbaar.' Dat het hukou-systeem vandaag nog niet volledig is afgeschaft, heeft te maken met de enorme interne migratie waarmee China kampt. Tientallen miljoenen Chinezen zijn de voorbije jaren naar de steden gemigreerd, waar ze voor grote woonnood zorgen en bijna zonder sociale bescherming werken. In die zin is het hukou-systeem een van de weinige manieren waarop de overheid die migratiegolven enigszins onder controle kan houden. Ook in het onderwijs speelt hukou een belangrijke rol, omdat Chinezen bijna alleen maar hoger onderwijs kunnen volgen op de plaats waar ze geregistreerd staan. Ook dat zorgt voor een enorme ongelijkheid, omdat de universiteiten in de grootsteden veel beter zijn dan die in de regio. 'Rijke Chinezen kopen tegenwoordig een peperduur appartement in Peking, enkel en alleen om hun kinderen aan een Pekinese universiteit in te kunnen schrijven', aldus Dessein. In het Westen werd die evolutie lange tijd als een weg naar democratisering gezien. Een ontluikende middenklasse zou gaandeweg eisen stellen voor meer inspraak en democratische hervormingen. 'Maar dat lijkt nu een misrekening te zijn', zegt Ties Dams, Chinakenner bij het Nederlandse Instituut Clingendael. 'De gok van de Communistische Partij is dat de Chinese middenklasse tevreden zal zijn met een goede job, een aangename levensstijl en hightechproducten om te consumeren. Ze beseft dat ze enkel aan de macht blijft als ze op die manier haar legitimiteit kan bewijzen.' Tegelijk maakt Xi het geregeld duidelijk dat die nieuwe consumerende middenklasse beter geen kapsones kan krijgen. En ook privéondernemers, toch verondersteld de gangmakers van innovatie te worden, moeten beseffen dat ze niet uit hun rol mogen vallen. Dat werd eens te meer duidelijk toen Jack Ma, de oprichter van internetgigant Alibaba en een van de rijkste Chinezen, eind oktober 2020 gedurende bijna drie maanden van de radar verdween. De flamboyante ondernemer had kritiek geuit op de manier waarop de overheid de economie reguleert. Hij verwoordde daarmee een sentiment waarin veel Chinese ondernemers zich herkennen, die zich ergeren aan de subsidies en de privileges waarvan Chinese overheidsbedrijven zich kunnen bedienen. Maar voor het regime was die vrijpostigheid ontoelaatbaar. Drie maanden na zijn verdwijning kondigde Ma in een videoboodschap aan dat hij zich voortaan meer op zijn filantropische projecten zou gaan richten. Ties Dams ziet de verdwijning van Jack Ma als een statement richting het Chinese bedrijfsleven. 'Het is een herinnering dat niemand zich aan het gezag van de Communistische Partij kan onttrekken', aldus Dams. 'Door zich zo nadrukkelijk op Jack Ma te richten wil Xi aantonen dat privébedrijven nooit te machtig zijn om aan de autoriteit van de partij te ontsnappen.' Dams wijst op het schandaal rond Fan Bingbing, China's bekendste filmster, die in 2018 drie maanden lang verdween en vervolgens beschuldigd werd van belastingontduiking. De filmster, die de jaren voordien geregeld politieke standpunten innam, werd het bekendste doelwit van de anticorruptiecampagnes die sinds het aantreden van Xi schering en inslag zijn geworden. Toen ze weer in de openbaarheid verscheen, drukte ze haar spijt uit over haar misstap, en uitte ze haar intentie om China met haar werk sterker te maken. 'Het verhaal van Fan is geen uitzondering. Dit soort zaken vind je op alle niveaus van de Chinese samenleving', aldus Dams. De vraag is of die toenemende overheidsbemoeienissen gevolgen zullen hebben voor de enorme uitdaging waarvoor het land staat. Zal de toenemende drang tot staatscontrole het ondernemerschap fnuiken en een rem zetten op de o zo nodige innovatie? Tot nu toe bestond altijd het idee dat voor innovatieve economieën een zekere vrijheid nodig was in het samenlevingsmodel. Maar wie weet bewijst China ook daar dat het anders kan. 'De grootste fout die westerlingen maken als ze naar China kijken, is dat ze denken dat China een kapitalistisch land is', zucht Julie Chen. 'Dat klopt gewoon niet. Het is een socialistisch systeem dat marktwerking als een middel gebruikt, maar die markt is altijd ondergeschikt aan de belangen van de staat. De economie mag krimpen, er kan een pandemie uitbreken, maar de grootste prioriteit is altijd de volstrekte autoriteit van de Communistische Partij.'