De muziek pompte door de boxen. De camera volgde een blauwe Fiat die door de straten van Napels scheurde. In de auto zat de rockster, de Verlosser, de voetballer van 23 die de plaatselijke voetbalclub aan zijn allereerste landstitel moest helpen. In het stadion San Paolo wachtten 85.000 uitzinnige fans hem op. Diep in de catacomben stelde een journalist in een zee van lichtflitsen een gewaagde openingsvraag: of Maradona wist wat de camorra was, en of hij wist dat het maffiageld overal in zat, zelfs in het voetbal?
...

De muziek pompte door de boxen. De camera volgde een blauwe Fiat die door de straten van Napels scheurde. In de auto zat de rockster, de Verlosser, de voetballer van 23 die de plaatselijke voetbalclub aan zijn allereerste landstitel moest helpen. In het stadion San Paolo wachtten 85.000 uitzinnige fans hem op. Diep in de catacomben stelde een journalist in een zee van lichtflitsen een gewaagde openingsvraag: of Maradona wist wat de camorra was, en of hij wist dat het maffiageld overal in zat, zelfs in het voetbal? Het was donderdagavond, een dag nadat Diego Maradona (60) was overleden, en de documentaire die Asif Kapadia over de Argentijn maakte, bleek nog altijd even sterk. Het verhaal was aloud, Bijbels bijna. We zagen de opkomst en ondergang van een van de grootste voetballers aller tijden. Een jongen die zijn onschuld verliest en te snel man wordt. Die de wereldse verleidingen in een katholieke stad niet kan weerstaan. Tackles ontwijkt en kritiek pareert. Met een veel te grote bontjas voor de camera verschijnt. En dan, even voorbij halfweg, kwam het mooiste beeld: nadat Maradona SSC Napoli in 1987 voor het eerst kampioen had gemaakt, zagen we op de muur van een begraafplaats een spandoek hangen met de tekst: 'Je weet niet wat je hebt gemist.' Het werd stil in huis. De zin reet oude wonden open. Inderdaad, vloekte ik, ik weet niet wat ik heb gemist. Mijn generatie, die van de dertigers, komt overal net te laat. Net te laat om de Berlijnse Muur te zien vallen, net te laat om Nirvana te zien spelen, maar vooral net te laat om Diego Maradona voorbij vijf Engelsen te zien slalommen. De keiharde middagzon. De reclameborden van Fuji Film en Coca-Cola. De vreemde schaduw - Een windmolen? Een antenne? Een reusachtige paardenbloem? - in de middencirkel van het volgepakte Aztekenstadion in Mexico City. Maradona die op eigen helft aan de bal komt, versnelt, met kleine passen en de borst vooruit voorbij Beardsley glijdt, voorbij Reid, Sansom, Butcher, Fenwick, uiteindelijk ook voorbij doelman Shilton - alles met die mysterieuze linkervoet, tien penseelstreken in iets minder dan elf seconden - heel even valt voor de bal het doelnet raakt, dan weer opstaat en juichend naar de hoekschopvlag loopt: voor ons, dertigers, is het weinig meer dan een echo uit een vorig tijdperk. We klikken het aan op YouTube, we worden geraakt en we vloeken. Want we hebben het niet beleefd. We waren er niet bij. Ook ons was Diego Armando Maradona te snel af. Hoe goed was hij werkelijk? Moeten we vertrouwen op de cijfers en de statistieken? Wat baten biografieën en documentaires? Net te laat. Diego Maradona kwam in mijn leven in de zomer van 1994. Ik was negen en wekenlang had ik stickers van Panini verzameld en geruild, stickers van mannen met bizarre kapsels en nog bizardere namen: Roberto Baggio, Tomas Brolin, Carlos Valderrama - stuk voor stuk hoofdrolspelers van de wereldbeker die dat jaar in Amerika zou plaatsvinden. De gele limonade smaakte heerlijk, Philippe Albert scoorde tegen Oranje, het leven was een Disneyfilm. Maar toen speelde Argentinië tegen Griekenland en viel er een bliksemschicht op mijn hoofd. Na een uur wedstrijd kwam de bal bij de Argentijnse kapitein, Diego Maradona, die de bal heerlijk voorbij doelman Antonis Minou trapte. Wat na dat doelpunt gebeurde, leek nog het meest op de bekende scène in The Shining, waarin Jack Nicholson met een bijl een deur in gensters slaat en ' Here's Johnny!' schreeuwt: Maradona spurtte naar de dichtstbijzijnde camera en brulde al zijn frustraties de huiskamers in. Ik schrok. Wie was die gekke, gevaarlijke man? Bij wijze van verwerking speelde ik de dagen nadien in de tuin zijn dribbels na. (Doorgaans struikelde ik na de tweede verdediger al: een bloempot of een stoel.) Even later kwam het bericht, ongetwijfeld via teletekst, dat Maradona de wereldbeker had moeten verlaten. In zijn urine was een vreemd product aangetroffen, de Disneyfilm was uit. Zie je wel, dacht ik, die man is gek. Maar aan de toon waarmee mijn vader en mijn oom die zomer over Maradona spraken, merkte ik hoe belangrijk hij wel was. 'Dit moet je zien', zei mijn oom terwijl hij een VHS-cassette in de videorecorder schoof. 'Dit is het mooiste wat er ooit op een voetbalveld te zien is geweest.' De cassette toonde lichtjes schommelende beelden van de gekke man, een pak jonger nog, tijdens een opwarming met zijn ploeg, Napoli. Met losse veters en reclame voor Mars op de rug van zijn trainingsjack hield hij de bal hoog. Hij liet hem stuiteren op zijn hoofd, zoals een dolfijn in het dolfinarium. Schudde met de heupen. Lachte als een kind. Streelde de bal met schouder, knie en teen. Door de luidsprekers schalde Live Is Life van Opus en zelfs al verstond ik van de tekst geen woord, ik begreep onmiddellijk: dit is inderdaad waar het leven om draait. Iemand doet iets wat we niet verwachten en het hele stadion, het hele theater, veert op. Iemand geeft zich over aan zijn instinct, gooit alle rede en alle regels overboord, en de hele wereld is ontroerd. Toen, in de woonkamer bij mijn oom, was ik nog te jong om het op die manier te beseffen. Maar ik voelde wel, en misschien is dat waarom Maradona zo veel harten heeft veroverd, dat in het speelse de ware schoonheid schuilt. Een 'kinetische schoonheid' bijna, zoals David Foster Wallace het vele jaren later in zijn beroemde lofrede op tennisser Roger Federer zou noemen. Een schoonheid van een universele soort, die boven de grenzen van geslacht, leeftijd of cultuur uitstijgt. Volgens Wallace helpen zulke momenten ons, stervelingen, ons met ons lichaam te verzoenen. Grote atleten lijken als katalysatoren te werken, schrijft hij, op ons besef van hoe prachtig het is om te kunnen voelen en waarnemen, door de ruimte te bewegen, met materie om te gaan. Nog in dat essay somt Wallace voorbeelden van 'Federer Moments' op: momenten van tovenarij, waarbij de tennisspeler een slag tentoonspreidt waardoor je als toeschouwer - zeker als je zelf hebt gesport en dus de onmogelijkheid begrijpt van wat je de man zojuist zag doen - je mond voelt openvallen, je ogen voelt uitpuilen en je jezelf geluidjes hoort maken die je echtgenote doen vragen of alles nog wel oké met je is. Nog meer dan in de cijfers, de statistieken of de plank vol boeken zou daarin weleens de grootsheid van Diego Maradona kunnen schuilen: dat iedereen die ouder is dan 35 zijn 'Maradona Momenten' heeft. De Hand-van-God-goal, waarbij hij de bal met zijn hand over de Engelse doelman Peter Shilton wipte. 'De dribbel van de eeuw', vier minuten later in die wedstrijd. Het tweede doelpunt tegen de Belgen op datzelfde WK van Mexico '86, eerst door een bos van verdedigers en dan overhoeks langs Jean-Marie Pfaff, 'toen de beste keeper van de wereld'. Ik hoorde mijn vader over de slalom praten zoals hij zijn vader over de maanlanding moet hebben gehoord, en die zíjn vader over de eerste auto in de straat. Het was fantastisch, onvoorstelbaar, bijna niet te geloven, echt waar, maar wat spijtig toch: je bent net te laat geboren. En dus hingen in mijn kamer posters van Marc Emmers en Danny Boffin: ook voetballende krullenbollen, helaas net iets minder goddelijk. Ik keek als een verslaafde naar voetbalwedstrijden op tv, wachtend op een flits, een actie, een ingeving die desnoods slechts van ver op een 'Maradona Moment' leek. Het kwam niet. Van tovenarij was in de jaren negentig weinig sprake. Michael Schumacher volgde Ayrton Senna op. Lance Armstrong ontnam Marco Pantani alle zin in spontaniteit. En Zinédine Zidane draaide dan wel graag om zijn as, zo zwierig als Maradona werd hij nooit. De zakelijkheid won het in die jaren van de flits. (Akkoord, in Amerika was er Michael Jordan. Maar die zag je hier slechts zelden op tv.) Pas met de komst van Lionel Messi, jaren later, maakte mijn hart weer af en toe een sprongetje. De plotse versnellingen tussen twee, drie, vier verdedigers door. De penseelstreken met de linkervoet. De wonderlijke doelpunten, vaak live te zien. En toch was er weinig magie. Daarvoor miste Messi reliëf, als personage, en had hij het nadeel dat hij na Maradona kwam. Alles van voetbaltovenarij was al eens vertoond, wat voegde je er in godsnaam nog aan toe? Gelukkig bleef Maradona al die tijd aanwezig in mijn leven. Op mijn twintigste speelde ik zelfs heel even met Pluisje samen, en wel bij VG Oostende in vierde nationale. Een jongen uit onze ploeg was klein, had kromme benen en kon dribbelen als de beste. Als vanzelf noemde iedereen hem Pluisje, naar het idool van de vorige generatie. Af en toe kopte ik een voorzet van Pluisje tegen de netten en waande ik me heel even op Mexico '86. (Na de roes kwam de werkelijkheid snel weer binnen: het Burgemeester Thienpontstadion in Oudenaarde is het Aztekenstadion niet.) Op rugzakreis door Zuid-Amerika zag ik overal muurschilderingen van Maradona; niemand is vaker op een gevel afgebeeld dan hij. Ik droeg in die tijd graag een truitje van Boca Juniors en werd daar telkens door de lokale bewoners op nageroepen. Van het kleinste dorpje op de Boliviaanse Altiplano tot in Buenos Aires, waar ik naar een wedstrijd in La Bombonera ging kijken, het voetbalstadion waar het voor Diego Maradona ooit allemaal begon. Boca speelde die avond tegen River Plate en vlak voor de rust zinderde het gerucht door de staantribunes: 'God is hier vanavond, hij zou op de viptribune zitten.' Na de wedstrijd bleef ik een uur aan de uitgang van die tribune wachten, maar God daalde niet neer, die avond. Het dichtst bij Maradona kwam ik uiteindelijk vele jaren later, in een lege bioscoopzaal in Matonge. Op een zondagmiddag in de zomer van 2019 werd ik er overdonderd door de documentaire van Asif Kapadia over de Napelse, 'blauwe' periode van Maradona. Die krullenbol. Die dikke dijen. Die knikkers van ogen. Die flitsen op het veld. Die volkshysterie. Die pasjes op de dansvloer. Dat bijna te perfecte levensverhaal: van de goot naar de top en weer terug. En natuurlijk ook die slalom. Alsof je naar een PlayStationwedstrijd zit te kijken en de gamer alleen Maradona kan laten versnellen. 'Sorry, ik moet huilen', hoorde ik de Spaanstalige commentator zeggen. 'Heilige God, bedankt voor het voetbal. Gooooooooal. Diegooooo. Maradona, ik kan er wel om huilen. Neem me niet kwalijk. Wat een onvergetelijke solo. Kosmische vlieger, van welke planeet ben jij gekomen?' Maar in die lege zaal in Matonge werd me nog maar eens duidelijk dat ook Maradona zelf in de schaduw van de slalom heeft geleefd. De eindbeelden waren hartverscheurend: hoe de zwaarlijvige, afkickende Maradona over het duistere voetbalpleintje schuifelde, met aan zijn voeten geel-roze voetbalschoenen, het was moeilijk om naar het bioscoopscherm te blijven kijken. 'Maradona in Napels is het verhaal van zijn leven', zei sportjournalist Daniel Arcucci boven de beelden. 'Rebel. Bedrieger. Held. God. Misschien de beste voetballer ooit. Maar de prijs daarvoor was te hoog. Omdat niets wat daarna kwam goed afliep. Het was voorbij met Maradona de voetballer en alles wat overbleef, was de mythe.' Ruim een jaar later is Maradona dood. En worden wij, dertigers, opnieuw teruggeworpen op YouTube-filmpjes, krantenartikels en getuigenissen van de generaties voor ons. Van Jean-Marie Pfaff, onder meer, die op de dag van Maradona's overlijden in De afspraak zei dat 'Diego een hele lieve jongen was'. Van Jorge Valdano ook, een van de Argentijnse doelpuntenmakers in de finale van Mexico '86, die in de Spaanse krant El Pais schreef: 'De verschrikkelijke, terminale reis van mens naar mythe verdeelde hem in tweeën: aan de ene kant Diego, aan de andere kant Maradona. Fernando Signorini, zijn fitnesscoach, een gevoelige, intelligente man die hem misschien beter heeft gekend dan wie ook, zei altijd: "Ik zou Diego volgen tot het einde van de aarde, maar Maradona zou ik nog niet naar de hoek van de straat volgen."' Wie zullen we ons blijven herinneren: de mens of de voetballer? De jonge of de oude? Diego, de lieve jongen uit de armenwijk, of Maradona, de man die verstrikt raakte in een web van maffia, drugs en vrouwen? En hoelang kan een voetballer ook na zijn dood tot de verbeelding blijven spreken? Vijf jaar? Tien jaar? Twintig jaar misschien? Wie kent Ayrton Senna nog? Tenzij je Diego Armando Maradona heet, wellicht. Dan gooi je alle rede en alle regels overboord, en veert ook straks het hele theater op. Zou het? Ik belde nog eens met mijn vader. Ook hij had naar de documentaire van Asif Kapadia gekeken. 'Heel mooi', zei hij. 'Maar toch nog altijd niet te vergelijken met hoe het echt was, in onze tijd.' We zullen het nooit weten wat we hebben gemist.