Sam Gilliams epische tableau April 4 heeft iets van een waterval van purperen tranen, van een melancholisch mistgordijn van delicate kleuren. De schoonheid van het doek spreekt voor zich, en je hoeft niet te weten waaraan de titel refereert om erdoor gegrepen te worden.
...

Sam Gilliams epische tableau April 4 heeft iets van een waterval van purperen tranen, van een melancholisch mistgordijn van delicate kleuren. De schoonheid van het doek spreekt voor zich, en je hoeft niet te weten waaraan de titel refereert om erdoor gegrepen te worden.Maar als je beseft dat Gilliam het schilderde een jaar na de moord op dominee Martin Luther King, op 4 april 1968, krijgt het abstracte werk plots een heel concrete betekenis. Dan wordt het een met bloed, zweet en tranen besmeurd lijkgewaad voor de dromen van de Afro-Amerikaanse gemeenschap.Verdriet, pijn en lijden vormen de hoofdpigmenten van de tentoonstelling Soul of a Nation: Art in the Age of Black Power, die nog tot 22 oktober loopt in het Londense Tate Modern.Maar de expo vertelt tegelijk een verhaal vol energie, vitaliteit en verzet. In de twee decennia die volgden op Kings legendarische 'I have a dream'-speech van 28 augustus 1963 gingen ook Afro-Amerikaanse kunstenaars op de barricaden staan. En dat om op hun manier uiting te geven aan de politiek-sociale strijd van burgerrechtenactivisten als King, Malcolm X, Angela Davis en James Baldwin, die je nog voor je de tentoonstelling binnenloopt op videoschermen te zien en te horen krijgt. Een stoffige retroshow volgestouwd met sixties- en seventiesparafernalia, of met vage, hoogdravende concepten hoef je dus niet te verwachten. Wat je krijgt, is een directe, diverse én kleurrijke beeldenstorm die je terugflitst naar een turbulent tijdperk waarin het begrip Black Power de kop opstak en de Amerikaanse droom werd doorgeprikt door Vietnam, studentenprotesten en rassenrellen.Soul of a Nation maakt duidelijk dat de indertijd voor het eerst hardop gestelde vragen rond de Afro-Amerikaanse identiteit vandaag nog altijd even relevant zijn. Zo mag Benny Andrews' rudimentair geschilderde Did the Bear Sit Under A Tree? (zie boven) dan wel gemaakt zijn eind jaren zestig, als aanklacht tegen zuiders racisme in ruraal Georgia. Met zijn niet mis te verstane boodschap - een boze, zwarte man balt zijn vuisten in de richting van de stars-and-stripes én de toeschouwer - zou het evengoed verzetskunst van nu kunnen zijn; een pamflet uit een protestmars van de Black Lives Matter-campagne, die direct verwijst naar de tragedies en triomfen van toen.Het is een van de vele voorbeelden van een 'afro-esthetiek' - voor zover dat containerbegrip bestaat - die resoneert tot vandaag. En waaruit hedendaagse artiesten de jongste jaren, in de slipstream van het blanke politiegeweld en het hernieuwde racisme van alt-right, opnieuw gretig uit plukken.Voor de cover van hun album ...And Then You Shoot Your Cousin koos hiphopband The Roots in 2014 voor een collage van Romare Bearden, een van de allereerste Afro-Amerikaanse kunstenaars die internationaal erkenning kregen; hij is hier met zes werken vertegenwoordigd.In 2016 liet popdiva Beyoncé zich voor haar clip bij Formation inspireren door de esthetiek van de radicale Black Panther Party, die tussen 1966 en 1982 vocht voor sociale en burgerrechten voor de zwarte minderheid in de States - de expo toont van die esthetiek verschillende straffe staaltjes. En ook de platenhoezen en video's van D'Angelo en Kendrick Lamar bulken van de verwijzingen naar de afrokunst van toen. Niet uit hippe nostalgie, maar uit respect, zelfbewustzijn en vanwege de sociale urgentie. 'Say it loud: I'm black and I'm proud!' brieste de Godfather of Soul James Brown in 1968, het jaar waarin naast King ook presidentskandidaat Bobby Kennedy werd vermoord, Richard Nixon werd verkozen als president en in New York werd de Columbia-universiteit bezet. Veel werken op de tentoonstelling zijn doordesemd met diezelfde vrijheidsdrang en opstandige trots.Afro-Amerikaanse kunstenaars, zo wordt beargumenteerd, werden lange tijd in de marge geduwd door een kunstwereld die systematisch racistisch was en haast uitsluitend werd bevolkt en bestierd door blanken. Geen wonder dat veel zwarte artiesten niet vies waren van een provocatie, of een boud statement meer of minder, om op die manier de deuren van musea en galeries open te beuken. Of tenminste toch die van de onverschilligheid van de conservatieve meerderheid.Dana C. Chandler, Jr. reconstrueerde de deur van het appartement waarin Black Panther-voorman Fred Hampton in zijn bed werd neergeschoten door de politie van Los Angeles.Faith Ringgold schilderde een frenetiek tableau vol bloedende blanken en zwarten, waarin je onmogelijk kunt uitmaken wie dader of agressor is.En Wadsworth Jarrell maakte een snoepkleurig, psychedelisch optical art-portret van Malcolm X, samengesteld uit tekstfragmenten van diens vlammende speeches. Maar hoe politiek gechargeerd veel werken op Soul of a Nation ook zijn, het is verre van een propagandashow voor Black Power, laat staan een funky kunstfestijn dat de clichés over afrokunst nog wat dikker in de verf zet. Wat de expo duidelijk maakt, is dat de artistieke emancipatiestrijd al even divers was als de Afro-Amerikaanse gemeenschap zelf en niet werd gedragen door één bepaalde stijl, goeroe of doctrine. Op die manier leest Soul of a Nation niet alleen als een plastische geschiedenisles die illustreert dat de strijd nog altijd niet gestreden is. Het lijkt alsof je via een alternatief parcours - lees: zonder de gevestigde, blanke namen - door het Amerikaanse kunstspectrum van de jaren zestig en zeventig wordt gegidst.Zowel abstract expressionisme, minimalisme, conceptuele kunst als popart passeert de revue. Installaties en beeldhouwwerken flankeren foto's, posters, films en schilderijen, vaak zonder zichtbare roots in Afro-Amerikaanse cultuur. Tenminste: tot je naar de titels kijkt. Of het bijbehorende tekstbord leest. Zo is een van de meest indrukwekkende ruimtes gewijd aan abstracte kunstenaars uit New York en Washington D.C. die mekaar kenden en hun werk vaak in groep tentoonstelden. Stuk voor stuk hadden ze een opleiding genoten aan befaamde kunstinstituten waar ze onder de indruk waren geraakt van Jackson Pollock, Mark Rothko, Frank Stella en andere abstracte expressionisten. Maar dan zonder hun roots te verloochenen. Hoewel ze geen figuratieve beelden maakten, sijpelden hun persoonlijke ervaringen en besognes toch hun kunst binnen. Sommigen, zoals Sam Gilliam, brachten abstracte hommages aan zwarte politieke leiders als Martin Luther King en Malcolm X. Anderen probeerden hun composities en methodes te verbinden met de improvisatorische jazz van muzikanten als John Coltrane, zoals William T. Williams, die zijn patronen van botsende lijnen en kleuren ritmeerde op basis van Coltranes bebop-exploten.Het was werk dat raciale en sociale barrières ontsteeg en door zijn intellectuele inslag ook de blanke kunstelite wist te bekoren. Ook al gingen daardoor voorzichtig deuren van gerespecteerde musea en galeries open, toch bleken veel zwarte kunstenaars en critici er bepaald niet happy mee. Zij waren van mening dat abstractie op geen enkele manier het leven van Afro-Amerikanen kon reflecteren, en voor hen dus geen waarde of relevantie had. Een van die hardliners was Emory Douglas, een kunstenaar die fungeerde als minister van Cultuur voor de Black Panther Party. Zijn militante motto luidde: 'Het getto zelf is de galerie van de revolutionaire artiest', aangezien zwarte Amerikanen niet alleen uitgesloten werden in de politiek, de media en de bedrijfswereld, maar ook in het mainstreamkunstcircuit. Bovendien stelde zich de vraag tot wie Afro-Amerikaanse kunstenaars zich in dat commerciële en elitaire circuit dienden te richten. Tot een blank publiek dat hen sociaal en politiek marginaliseerde? Of tot een zwart publiek waarvoor musea en galeries vreemd terrein waren? Vandaar dat her en der alternatieve kunstprojecten uit de grond werden gestampt, en de straat werd geclaimd als de uitgelezen plek om zwarte kunst te tonen en de emancipatorische boodschap ervan te verspreiden. In 1967 werd in Chicago Obac opgericht, de Organisation of Black American Culture, een groep schrijvers en artiesten die in het zuiden van de stad The Wall of Respect creëerde, met muurschilderijen van 'Black Heroes' - activisten, muzikanten, sportlui en dansers. Algauw kregen zulke sociaal geëngageerde murals navolging in heel Amerika, en later ook in de rest van de wereld, als een van de vroegste vormen van stedelijke streetart en graffitikunst. Ondertussen rolde in Californië dagelijks de krant van de Black Panther-beweging van de persen, onder de artistieke supervisie van Emory Douglas, die tal van illustraties, posters en flyers ontwierp.Een van de zalen van Soul of a Nation is overigens volledig gewijd aan het concept Black Heroes, om het celebritygehalte wat op te krikken en - o ironie - toch ook enkele werken van blanke kunstenaars naar binnen te smokkelen. Andy Warhol is aanwezig met een portret van Muhammad Ali, Alice Neel met een portret van schilder Faith Ringgold.Maar de twee frappantste doeken die de zelfbewuste, onafhankelijke Afro-Amerikaan moeten verzinnebeelden zijn van de hand van Barkley L. Hendricks. Icon for My Man Superman (Superman Never Saved Any Black People - Barry Seal) is een met ironie geparfumeerd zelfportret uit 1969 waarin de schilder pocherig poseert met een Superman-T-shirt en zonder pantalon aan, en met de Amerikaanse kleuren als kader. What's Going On uit 1974 is al even satirisch en subversief: een doek waarin vier funky brothers in chique, kraakwitte maatpakken een poedelnaakte zwarte babe flankeren. Het is een sexy staaltje street cool dat de afroclichés gretig omarmt, alsof Hendricks plagerig zegt tegen de blanke toeschouwers: 'Dit is hoe jullie ons zien, en willen zien. Kijken mag. Aankomen niet.'Dat de titel van het doek verwijst naar de gelijknamige protestsong van soullegende Marvin Gaye, is uiteraard geen toeval. Muziek was zowat de enige kunstvorm waarmee zwarte Amerikanen in de sixties en seventies wel de top en een breed publiek konden bereiken - van blues over jazz tot pop en rock. Voor de expo stelden de curatoren daarom niet alleen een Spotify-playlist samen, met songs van onder anderen Marvin Gaye (What's Going On), Stevie Wonder (Black Man), Nina Simone (I Wish I Knew How It Would Feel to Be Free) en Bob & Marcia (Young, Gifted and Black). Ze vroegen het befaamde Britse label Soul Jazz Records ook om de archieven in te duiken en een - overigens uitstekend - compilatiealbum samen te stellen dat het Black Power-verhaal ook op een muzikale manier vertelt.De expo eindigt in de vroege jaren tachtig, toen de proteststorm enigszins was gaan liggen, het materialistische Reagan-tijdperk aangebroken was en Black Power deels verdampt tot een merknaam.Hoewel de meesten outsiders bleven, hadden sommige Afro-Amerikaanse kunstenaars ondertussen hun kans gezien om een plek te veroveren binnen het weliswaar nog altijd blanker dan blank kleurende kunstestablishment. De bekendste was ongetwijfeld Jean-Michel Basquiat, die zelfs een heuse vedette wist te worden. Maar hoewel het in 1988 overleden wonderkind uit New York perfect binnen de tijdruimte van de tentoonstelling had gepast, is van Basquiat geen spoor te bekennen. Komt het omdat zijn woeste, neo-expressionistische werken tegenwoordig voor miljoenen dollars onder de veilinghamer gaan en hij dus te duur en te groot is voor Soul of a Nation? Of is het omdat de expo net de pointe wil maken dat er ook heel veel andere Afro-Amerikaanse kunstenaars waren die topkwaliteit leverden, zelfs al behoren ze nog altijd niet tot de canon en hadden ze een potente dosis black power nodig om uit het culturele getto te klauteren? Het definitieve antwoord krijg je op deze verrassende, veelzijdige en van relevantie dampende expo.Soul of A Nation: Art in the Age of Black Power, nog tot 22 oktober in Tate Modern, Londen.