'We hebben een volslagen verkeerd beeld van hoe radicalisering werkt. In de pers lees je voortdurend dat radicalisering een zaak is van jonge mannen met baarden, die achter hun computerscherm radicaliseren. Dat is gewoon niet zo. Radicalisering is een fenomeen dat je bij de meest diverse groepen ziet.'

Aan het woord is Ben O'Loughlin, die als professor internationale relaties aan de Universiteit van Londen onderzoek doet naar desinformatie en online radicalisering. Toen de strijd tegen het terrorisme na de aanslagen van 11 september 2001 ontbrandde, kreeg O'Loughlin van overheidswege de opdracht om het fenomeen van online radicalisering in kaart te brengen. Dat deed hij aan de hand van focusgroepen, waarbij onderzoekers lange, diepgravende interviews voerden met mensen die veel Al Qaeda-propaganda consumeerden. Daarbij probeerde hij te achterhalen waarom mensen zich daartoe aangetrokken voelden.

Ben O'Loughlin: Het is een mythe dat radicalisering vooral online gebeurt. Uit al onze onderzoeken bleek dat mensen radicaliseerden door wat ze op televisie zagen, of door verhalen die ze van een familielid hoorden. Ze werden kwaad omdat ze vonden dat Israël zich schandalig gedroeg tegenover de Palestijnen, of omdat ze vonden dat Amerika oorlog voerde tegen moslims.

U begon uw onderzoek tijdens de Al-Qaeda-jaren. Zijn er verschillen met het IS-tijdperk?

O'Loughlin:Er zijn inhoudelijke verschillen. De Al-Qaeda-radicalisering werd vooral gedreven door geestelijken, die de grote verdeeldheid tussen soennieten en sjiieten uitbuitten. Bij de Islamitische Staat (IS) is het allemaal sensationeler, alsof je een Playstationspel binnenstapt. Mensen die tot de IS aangetrokken zijn, zijn minder geïnteresseerd in de religieuze ideeën. Maar ook voor IS-sympathisanten geldt dat ze niet radicaliseren via het internet.

Hoe ging de overheid om met uw bevindingen?

O'Loughlin:Toen we ons rapport presenteerden, waarin we uitlegden dat online radicalisering een mythe is, besloot het ministerie van Buitenlandse Zaken onze bevindingen te negeren. Overheden stellen online radicalisering graag voor als een enorm probleem, omdat ze zo de indruk kunnen wekken dat ze het hard aanpakken. Het geeft een bedrijf als Telegram of Twitter de kans om te zeggen dat ze bijvoorbeeld 150.000 accounts hebben neergehaald. Dat maakt het tastbaar. Maar de politie- en veiligheidsdiensten waarmee we werken, vertelden me dat het online gedeelte van radicalisering nauwelijks 10 procent van het geheel is. Negentig procent gebeurt dus offline.

Overheden stellen online radicalisering graag voor als een enorm probleem, omdat ze zo de indruk kunnen wekken dat ze het hard aanpakken.

Ben O'Loughlin

Kunt u beschrijven hoe die offline radicalisering werkt?

O'Loughlin: In het Verenigd Koninkrijk komt drie op de vier IS-strijders uit amper drie gemeenten. Via off the record-briefings van de Amerikaanse en Britse inlichtingendiensten heb ik begrepen dat ze vooral beïnvloed werden door geestelijken, die hen aanmoedigden om te gaan. Als het de schuld van het internet was, zou er een gelijkmatige spreiding over de bevolking zijn.

Verwacht u dat er een omslagpunt komt naar online radicalisering?

O'Loughlin:Ik denk van niet. Het is inderdaad zo dat jongere generaties minder televisie kijken dan oudere generaties. De manier van nieuws consumeren verandert. Maar de aanzet zijn nog altijd dingen die ze op televisie zien. Pas daarna gaan ze op het internet en zien ze hun ideeën bevestigd. Hun online activiteit is dus een gevolg van de radicalisering, niet de oorzaak.

Is het dan zinloos om op te treden tegen online radicalisering?

O'Loughlin: Je moet uiteraard accounts verwijderen die gewelddaden laten zien. En je moet desinformatie uiteraard blijven weerleggen. Maar je mag niet denken dat je daarmee de oorzaak van radicalisering aanpakt. Die oorzaak is politiek. Daar kunnen onderzoekers en journalisten niet veel aan veranderen.

De oorzaak van radicalisering is politiek. Daar kunnen onderzoekers en journalisten niet veel aan veranderen.

Ben O'Loughlin

En dus heeft de strijd tegen Russische trollen weinig zin?

O'Loughlin: Veel mensen in Rusland of in Oost-Europa vinden oprecht dat Rusland een slachtoffer is dat ingesloten wordt door de NAVO. Daar willen ze zich tegen afzetten. Als ze daarbij onwaarheden schrijven, moet je die ontkrachten. Maar je moet begrijpen dat het een politieke strijd is die al generaties lang wordt gevoerd.

De NAVO heeft verschillende Strategische Commandocentra om Russische desinformatie bestrijden. Is dat een goede strategie?

O'Loughlin: Ik snap dat NAVO dat doet. Rusland richt zich op Russischtaligen in de Baltische staten, waardoor die zich existentieel bedreigd voelen. In de Baltische staten is de bevolking er echt van overtuigd dat er zonder NAVO-bescherming opnieuw Russische tanks over de grens zullen rollen. Alleen moet NAVO beseffen dat die Stratcoms het probleem niet oplossen.

Bovendien heb je het risico van institutionalisering: zodra je zo'n centrum hebt, kom je al snel in een dynamiek terecht waarbij je het moet blijven financieren, omdat je anders zwak overkomt. Veel Russen zullen het niet erg vinden als er meer rivaliteit komt met het Westen. Het geeft hun een zekere legitimiteit, zoals in de Koude Oorlog.

Vóór de val van de Belgische regering beloofde minister van Digitale Agenda Alexander De Croo om geld vrij te maken voor de strijd tegen online desinformatie. Wat zou u hem aanraden?

O'Loughlin: Hij moet beseffen dat het aantal mensen dat beïnvloed wordt door desinformatiecampagnes klein is. Alle studies van de voorbije vijf jaar bevestigen dat de zogenoemde filterbubbels een beperkt fenomeen zijn, waar hoogstens 10 procent van de bevolking vatbaar voor is. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat je dat moet accepteren. We wéten voorlopig nog niet wie die mensen zijn en waarom ze anders denken. Voorlopig kun je dat probleem dus niet oplossen.

Alexander De Croo moet beseffen dat het aantal mensen dat beïnvloed wordt door desinformatiecampagnes klein is.

Ben O'Loughlin

Hoe moeten journalisten met desinformatie omgaan?

O'Loughlin:Wat je vooral niet mag doen, is desinformatie te veel aandacht geven. Schrijf niet over alles wat op extremistische websites verschijnt. Je hebt als journalist niet de plicht om aan iedereen het woord te laten. Als 99 procent van de wetenschappers A zegt, en amper 1 procent zegt B, hoef je dat ene procent niet aan het woord te laten. Tegenwoordig gebeurt het te vaak dat je in een talkshow een klimaatontkenner naast een serieuze klimaatwetenschapper is. Het is totaal onverantwoord om mensen die foute informatie verkondigen een platform te geven.

Jeroen Zuallaert en Arno Meijnen