...

Sinds een dikke week hangt hij er, aan de reling van het balkonnetje op één hoog. Aan de straatkant natuurlijk, want dat moest. Hij ziet eruit als een heel gewone aardbeienplant, maar dat is hij dus niet. In de plastic pot zitten Airbezen die de komende maanden het fijnstof in onze wijk moeten meten. Ik heb zo'n pot besteld omdat ik best benieuwd ben naar het resultaat in een buurt op een boogscheut van de E40, maar ook omdat ik zin heb in een statement én omdat het me bevorderlijk lijkt voor de opvoeding van de tiener in huis.De timing is perfect, want dezer dagen tob ik meer dan me lief is over ecologische afdrukken allerhande. Meer bepaald: hoe kan ik milieubewust door het leven gaan zonder daar constant mee bezig te moeten zijn en ook nog comfortabel te kunnen blijven leven? Dat comfort betekent voor mijn generatie blijkbaar iets anders dan voor de tieners en twintigers van vandaag, die zijn opgegroeid met het besef dat auto's, koeien en boontjes uit Kenia de boel verzieken. Dat was in de jaren tachtig toch anders. Toen waren we bang voor de atoomboom ('Reagan, Gorbatsjov, twee raketten in mijn hof'), zure regen en het gapende gat in de ozonlaag. We lazen Het vredesboek, kieperden onze haarsprays de vuilnisbak in en kochten een zwartwit No Time To Waste-shirt van Greenpeace. Dat moest volstaan. Niemand die ons vertelde over smogalarm, klimaatopwarming of de mogelijkheid om een low impact woman te worden. Ik was de dertig al voorbij toen ik voor het eerst over fijnstof hoorde. Van dezelfde groene die hier in Gent het Circulatieplan heeft ingevoerd trouwens. Lacherig werd daar toen nog over gedaan. 'Fijnstof? Waar hebben ze het over?' sneerde een liberale excellentie. 'Alsof we geen échte problemen hebben.' Wie toen aardbeiplanten had uitgedeeld om de vervuiling te meten, was meteen gecolloqueerd.Maar ondertussen zijn de geesten dus gerijpt. Of beter: zoveel onderzoekers kwamen tot dezelfde conclusies dat we het wel moesten beginnen geloven allemaal. Sommigen, groenig van inborst, hadden bijzonder snel door dat we ons niet met z'n allen in de file konden blijven vastrijden om dan in een felverlicht vrijstaand huis dikke biefstukken te gaan bakken. Bij anderen schreed dat inzicht een pak trager voort. Het is dan ook niet eenvoudig om te aanvaarden dat de waarheden waarmee je bent opgegroeid niet meer van deze tijd zijn. Vandaar ook dat veel babyboomers geneigd zijn om al die nieuwe gevaren naast zich neer te leggen. Geboren in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog wilden zij het vooral beter hebben dan hun ouders en dat betekende een villa op de buiten, een grote familiewagen, elke dag vlees op tafel en twee keer per jaar met het vliegtuig op vakantie. In zo'n gezin ben ik opgegroeid. En ja, ik heb er even overgedaan om afscheid te nemen van die realiteit. Niet alleen voor de gezondheid van mij en de mijnen of omdat ik zo langzamerhand ziek word van de eeuwige files, maar ook omdat zelfs ik weet dat het zo niet verder kan. Dus komt er hier al een hele tijd zo goed als geen vlees meer op tafel, koop ik zoveel mogelijk seizoensgroenten, branden de spaarlampen alleen als dat nodig is en doe ik mijn boodschappen in de buurt gewoon te voet.En nu hangt er dus ook een aardbeienplantje aan ons balkon. In het kader van het wetenschappelijk onderzoek én bij wijze van boodschap aan mezelf. Maar toch hoop ik in het geniep dat de blaadjes van de Airbezen over een paar maanden zullen aantonen dat de lucht hier helemaal schoon en ongerept is. Zodat we weer terug kunnen naar de onbezorgde tijd van toen. Dat T-shirt van Greenpeace moet hier nog ergens op zolder liggen.