De Canadese gans is niet meer weg te denken uit het Vlaamse landschap. De soort werd meer dan een eeuw geleden uit Noord-Amerika geïmporteerd als drijvend sieraad voor parkvijvers (en waarschijnlijk ook als jachtwild). Maar ze hield zich niet aan die mensvermakende doelstelling en begon zich te verspreiden. Nu zijn er op de meeste Vlaamse wateren Canadese ganzen te vinden. Ze veranderden ook hun natuurlijke gedrag: in Noord-Amerika zijn het trekvogels, bij ons maken ze alleen wat plaatselijke omzwervingen.
...

De Canadese gans is niet meer weg te denken uit het Vlaamse landschap. De soort werd meer dan een eeuw geleden uit Noord-Amerika geïmporteerd als drijvend sieraad voor parkvijvers (en waarschijnlijk ook als jachtwild). Maar ze hield zich niet aan die mensvermakende doelstelling en begon zich te verspreiden. Nu zijn er op de meeste Vlaamse wateren Canadese ganzen te vinden. Ze veranderden ook hun natuurlijke gedrag: in Noord-Amerika zijn het trekvogels, bij ons maken ze alleen wat plaatselijke omzwervingen. Zoals de meeste ganzen kunnen ze schade veroorzaken aan landbouwgewassen, maar ze hebben vooral een funeste impact op natuurgebieden. Door hun agressieve gedrag brengen ze andere dieren in de verdrukking, en door hun mestproductie wijzigen ze eigenschappen van soms zeldzame waterrijke biotopen. Daarom wordt de soort als 'invasief' beschouwd en zijn er maatregelen genomen om ze te bestrijden. Sinds 2009 worden er jaarlijks zo'n 2000 Canadese ganzen gevangen en gedood. Aangezien de populatie maximaal 15.000 dieren zou tellen, treft de verdelging een substantieel deel ervan. Het aantal Canadese ganzen in Vlaanderen zou al gehalveerd zijn.Bioloog Tim Adriaens van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) beschreef met enkele collega's de resultaten van de verdelging in het vakblad PeerJ. Ze rekenden voor dat Vlaanderen door de drastische aanpak tegen 2050 minstens 20 miljoen euro kan besparen. Dat succes is autoriteiten in Noord-Amerika niet ontgaan: zij hebben het INBO al gevraagd om de verdelgingsmethodiek toe te lichten. Zoals inheemse ganzen bij ons verandert de Canadese gans haar gedrag ook in haar oorspronkelijke leefgebied, waardoor sommigen ze ook daar als een probleem beginnen te beschouwen. De inspanningen om de ganzen te verdelgen wordt deels geleverd door mensen die al meespeelden in een ander Vlaams succesverhaal: de verdelging van de muskusrat. Die werd in de twintigste eeuw op grote schaal uit Noord-Amerika ingevoerd, onder meer omdat ze zo'n fantastisch pelsje heeft. Maar een aantal dieren ontsnapten uit kwekerijen - uiteraard - en begonnen aan een Europese veroveringstocht, waarbij ze schade aan dijken en grachten aanrichtten. Vanaf 2000 begon de Vlaamse Milieu Maatschappij (VMM) met de verdelging. Het eerste jaar werden 40.000 muskusratten in fuiken gevangen en gedood, in 2009 waren het er nog 4000, en ondertussen is de soort officieel 'bijna uitgeroeid'. Dat Nederland en Duitsland er moeilijk in slagen de muskusrattenpopulatie onder controle te krijgen, benadrukt hoe uniek de Vlaamse inspanning is. Succes in de strijd tegen invasieve soorten ligt niet voor de hand. Soms zijn bizarre maatregelen nodig. In Zweden zijn ze erin geslaagd de wasbeerhond zo goed als uit te roeien. Dat is een Oost-Aziatisch dier dat sterk lijkt op (maar niet verwant is met) de uit Noord-Amerika afkomstige wasbeer. Ook wasbeerhonden kwamen in de eerste helft van de vorige eeuw in pelsdierkwekerijen terecht, en ook zij ontsnapten, waarna ze een solide 'wilde' populatie uitbouwden. Alleen aan de rand van hun verspreidingsgebied, zoals in Zweden, konden ze succesvol bestreden worden. Dat gebeurde met specifieke strategieën, zoals 'Judas': een tam mannetje met een radiozender dat ingezet werd om vrouwtjes te lokken, die vervolgens werden doodgeschoten. In Vlaanderen zijn er nog maar enkele wasbeerhonden waargenomen, vooral verkeersslachtoffers. De wasbeer zelf is een ander verhaal. Hij zou ook bij ons al wat talrijker zijn - de Europese populatie wordt op meer dan een miljoen geraamd. De problematiek kreeg een boost in de jaren negentig, toen kinderen massaal een wasbeer als huisdier wilden, omdat hij zo'n prominente rol als schatje in de animatiefilm Pocahontas speelde. Nogal wat van die dieren werden snel als een last ervaren en werden losgelaten, de gemakkelijkste optie om zonder schuldbewustzijn komaf te maken met ondoordacht aangekochte huisdieren. In onze natuur komen nogal wat Amerikaanse waterschildpadden terecht die als minischildpadje voor in een aquarium gekocht zijn maar, zodra ze volwassen zijn, in een beek of vijver worden gekieperd om ervan af te zijn. Tussen 2010 en 2014 werden er nog 300.000 in België geïmporteerd. De dieren zijn niet bestand tegen onze wintertemperaturen: dat beperkt hun voortplantingsmogelijkheden en impliceert dikwijls ook dat ze doodvriezen. We zullen ermee moeten leren leven dat sommige soorten onuitroeibaar zijn. Voorbeelden daarvan zijn de nijlgans en de halsbandparkiet, die eerst vooral in parken voorkwamen maar ondertussen ook elders steeds talrijker worden. Ze benadrukken het belang van een goede definitie van het begrip 'invasieve soort' (soms wordt ook 'exotische soort' gebruikt). Het gaat om dieren en planten die dankzij menselijke tussenkomst ergens zijn aanbeland waar ze nooit op eigen kracht zouden raken. Soms woekeren ze en worden ze talrijk. En soms gaan ze zo snel deel van de plaatselijke fauna en flora uitmaken, dat het weinig zin heeft om de term 'invasief' lang te handhaven. De nijlgans en de halsbandparkiet kunnen we officieel tot de Vlaamse fauna rekenen. De fazant is een soort uit Azië die ten tijde van de Romeinen in onze contreien als jacht- en kweekwild is geïmporteerd, maar nu rekent niemand ze nog tot de invasieve exoten. Ook een soort als de goudjakhals, een kleine verwant van de wolf die uit het Nabije Oosten en Zuidoost-Europa stamt, is op weg naar hier. Anders dan de wolf heeft ze (waarschijnlijk) nooit in onze regio's geleefd. Als ze hier op eigen kracht zou raken - door de klimaatopwarming en de groeiende tolerantie van mensen tegenover roofdieren - zou ze geen invasieve exoot zijn maar een soort die haar verspreidingsgebied uitbreidt als reactie op veranderende omgevingsomstandigheden. Dat is een wereld van verschil, want bijvoorbeeld de Europese Commissie kijkt angstvallig toe op het wedervaren van invasieve soorten. Ze hanteert een zwarte lijst van soorten die bestreden moeten worden, uit vrees voor een te groot effect op inheemse dieren en planten (en eventueel ook schade voor de mens). Op die hitlist staan al meer dan honderd soorten, waarvan een veertigtal dringend zouden moeten worden uitgeroeid. De kostprijs van de schade die invasieve soorten kunnen aanrichten, werd in 2016 op 12 miljard euro geraamd. Het leeuwendeel van de invasieve soorten (meer dan 90 procent) zou geen negatief effect hebben. Maar als er schade is, kan ze substantieel zijn. Her en der wordt opgeroepen tot clementie, net omdat niet alle invasieve soorten schadelijk zouden zijn. Sommige kunnen zelfs nuttig zijn. De driehoeksmossel is daar een mooi voorbeeld van. Ze is een zoetwatersoort uit Centraal-Europa die in de twintigste eeuw via kanalen West-Europa veroverde - een gewone migrant, dus. Ze floreerde in zandwinningsputten: daar vond ze een niche waarin zo goed als geen inheemse mossels leefden. Vervolgens kwam ze als invasieve soort via schepen in Noord-Amerika terecht. Daar werd ze eerst sterk bestreden, omdat ze zozeer woekerde in grote meren dat ze er de lozingspijpen van industrieën blokkeerde. Ecologen hebben er nu vastgesteld dat ze een gunstig effect heeft op haar nieuwe leefmilieu: haar filtercapaciteit is zo groot dat ze troebele wateren weer helder maakt. Oorspronkelijke soorten waarvan de populatie door vervuiling zware klappen heeft gekregen, krijgen daardoor nieuwe kansen. Invasieve soorten beheren is zelden eenvoudig. Wetenschappers krijgen wel zicht op de ernst van de problematiek, die alle biotopen kan treffen, zowel op het land als in de zee - een substantieel deel van de schelpen op onze stranden is van overzeese oorsprong. In een recente studie in Proceedings of the National Academy of Sciences rekenden onderzoekers voor dat tot 16 procent van de miljoenen dier- en plantensoorten in de wereld de capaciteit heeft om zich te verspreiden als gevolg van menselijke activiteiten. En door de globalisering verhogen de kansen van opportunistische soorten nog. Nature Communications meldde vorig jaar dat het aantal invasieve soorten de jongste twee eeuwen gestaag is gestegen. Meer dan een derde van alle registraties van invasieve soorten wereldwijd vond plaats na 1970 - omgerekend gaat het om anderhalve invasie van een nieuwe soort op een bepaalde plek per dag. Er zit wel variatie in de trends. In de negentiende eeuw had invasiviteit vooral betrekking op planten, door de groeiende handel in soorten voor de nieuwe tuinenrage. Kolonisten sleepten wel nogal wat dieren, zoals vogels en zoogdieren, mee van huis naar hun nieuwe oord en omgekeerd. Schelpdieren en insecten begonnen pas na 1950 de wereld te exploreren, toen de internationale handelsactiviteiten toenamen. Wat zijn de concrete effecten van invasieve soorten op inheemse dieren en planten? Die vraag blijft meestal onbeantwoord. Het Journal of Biogeography beschreef de veranderingen in het Europese visbestand sinds 1840: 15 inheemse soorten verdwenen, al dan niet door de introductie van 26 exoten. In totaal nam de biodiversiteit dus wel met 11 soorten toe. Als de studie rekening hield met het transport van vissoorten binnen Europa, kwamen er 77 extra soorten in het spel. Daardoor veranderde meer dan 20 procent van de Europese vispopulaties significant. De Europese visfauna ziet er almaar 'homogener' uit. Het sterkt de vrees voor wat sommige wetenschappers de 'mcdonaldisering van de natuur' noemen: wereldwijd gaan overal dezelfde soorten floreren - soorten die het goed doen in het zog van de mens en de inheemse fauna en flora naar de achtergrond dringen. Andere wetenschappers stellen daar tegenover dat het meestal héél lang duurt voor een invasieve soort een lokale biotoop zo sterk domineert dat ze de plaatselijke soorten in de vernieling dwingt. Het blijkt gelukkig minder gemakkelijk om een soort globaal te doen uitsterven dan weleens gedacht wordt. In het kader van wat ondertussen de zesde uitstervingsgolf van leven op aarde heet - een cadeautje van de moderne mens aan de wereld - is dat een schrale troost.