Voor de allereerste keer in de geschiedenis van de mensheid neemt de hoeveelheid landbouwland op de aarde af. Sinds wij een goede 10.000 jaar geleden massaal de overgang maakten van zwervende jagers-verzamelaars naar territoriale landbouwers was er geen houden aan. Bijna de helft van de gematigde wouden (onder meer de West-Europese eikenbossen) en een kwart van de tropische wouden moesten er al aan geloven. Op het eind van de 20e eeuw was 38 procent van het landoppervlak van de aarde ingenomen door landbouw. Alleen woestijnen bleven gespaard van ontginning, en biotopen die om vooral klimatologische redenen ongeschikt zijn voor landbouw, zoals de taiga en de toendra.
...

Voor de allereerste keer in de geschiedenis van de mensheid neemt de hoeveelheid landbouwland op de aarde af. Sinds wij een goede 10.000 jaar geleden massaal de overgang maakten van zwervende jagers-verzamelaars naar territoriale landbouwers was er geen houden aan. Bijna de helft van de gematigde wouden (onder meer de West-Europese eikenbossen) en een kwart van de tropische wouden moesten er al aan geloven. Op het eind van de 20e eeuw was 38 procent van het landoppervlak van de aarde ingenomen door landbouw. Alleen woestijnen bleven gespaard van ontginning, en biotopen die om vooral klimatologische redenen ongeschikt zijn voor landbouw, zoals de taiga en de toendra. In tropische regio's blijft ontbossing een groot probleem. Er wordt land vrijgemaakt voor de cultuur van vooral soja en palmolie, en voor het kweken van vee. Maar volgens New Scientist is er sinds het begin van de 21e eeuw een verrassende trend: er wordt nu meer landbouwgrond verlaten en opnieuw ingenomen door natuur dan er elders wordt ontgonnen. Elke trimester komt er een oppervlakte landbouwgrond vrij die gelijk is aan de oppervlakte van België. Er zijn twee belangrijke oorzaken voor dit fenomeen. Ten eerste trekken steeds meer jonge mensen weg uit het platteland, op zoek naar een gevarieerder en rijker bestaan in de almaar groeiende steden. In 1960 woonde een derde van de wereldpopulatie in steden, vandaag is dat meer dan 54 procent. Een recent verslag van twee Chinese overheidswetenschappers in Nature schetst een onthutsend beeld van de leegloop van het Chinese platteland. In 2015 lieten migrerende mannen 60 miljoen kinderen, 50 miljoen bejaarden en 47 miljoen vrouwen achter in plattelandsdorpen. De voorbije kwarteeuw sloot meer dan twee derde van de plattelandsschooltjes de deuren. De frequentie van zelfmoord ligt op het Chinese platteland driemaal hoger dan in de VS. Een vergelijkbaar fenomeen doet zich voor in Zuid-Amerika en Afrika. Pogingen om het te counteren, stuiten op praktische obstakels. Programma's om mensen te stimuleren weer naar het platteland te verhuizen, monden dikwijls uit in een verhuizing naar kleinere steden of voorsteden van waaruit mensen werk op het platteland kunnen combineren met de voordelen van het leven in een stad. Zolang het platteland niet aantrekkelijker gemaakt kan worden, zal het blijven leeglopen. Wat misschien geen slechte zaak is als het om andere soorten dan de mens gaat. Een tweede belangrijke oorzaak voor de leegloop van het platteland zijn veranderende consumptie- en productiepatronen. De switch van wol naar katoen en vooral synthetische stoffen voor onze kledij had een enorme impact op landen als Australië en Iran. De schapenteelt stortte er in, waardoor grote arealen land vrijkwamen - schapen grazen dikwijls op gronden die niet geschikt zijn voor gewassen. Alerte natuurbehoudsorganisaties doken in het gat, kochten goedkope gronden op en beheren ze zo dat ze opnieuw interessant worden voor bedreigde dieren en planten. Die initiatieven leveren werkgelegenheid en opbrengsten op, onder meer door het aanbieden van ecotoerisme. De terugkeer van landbouwland naar een natuurlijk ecosysteem kan dus ook economisch een goede zaak zijn. Voor de biodiversiteit is landbouw natuurlijk funest. Een grootschalige studie in Conservation Biology rekende voor dat er wereldwijd op landbouwgrond 20 à 50 procent minder wilde dieren en planten voorkomen dan in natuurlijke systemen. Op intensieve landbouwgebieden, zoals bij ons in Vlaanderen, is er amper biodiversiteit te bespeuren. De studie stelde ook dat in veel gevallen de oorspronkelijke diversiteit hersteld kan worden als het land weer aan de natuur gegeven wordt. Zelfs bij ons kunnen maïsakkers met relatief weinig inspanningen weer omgebouwd worden tot heide en andere natuur. Toch ziet de toekomst er over het algemeen weinig rooskleurig uit. Om de noden van de groeiende wereldbevolking op te vangen zou er volgens Nature tegen 2050 een extra hoeveelheid land met de oppervlakte van China nodig zijn. Uitdijende steden en extra landbouwgrond (zelfs rekening houdend met een hogere productie per hectare) zullen een tol blijven eisen van het landgebruik. Het probleem zou volgens Nature alleen efficiënt opgelost kunnen worden door van land een publiek goed te maken, en de verdeling tussen functies op globale schaal te beheren. Dat klinkt als een academische utopie. Iets realistischer zijn de pleidooien om alle visserij te verbieden in de open oceaan: de bijna 60 procent van de oceaan die buiten territoriale wateren ligt. Een verslag in Public Library of Science Biology meldde dat daaruit uitsluitend voordelen gepuurd zouden worden, ook voor de door overexploitatie geteisterde visserij in de territoriale wateren, die zou kunnen worden aangevuld door productie van de open zee. Amper tien landen (met op kop Japan, Zuid-Korea en Spanje) nemen 70 procent van de visserij op de open oceaan voor hun rekening. Nu gebeurt dat zo goed als wetteloos, met alle gevolgen van dien. Het vakblad Science analyseerde dan weer de link tussen de verwachte groei van de bevolking en de behoefte aan voedsel. Tegen 2050 zal er 70 procent meer voedsel nodig zijn dan nu. Tegen het eind van de eeuw zelfs drie keer zoveel. Dat halen we nooit zonder een drastische verhoging van de productie, en dan moeten we ook de verliezen door inefficiënte opslag- en transportcapaciteiten beperken. Palmolie (voor verwerkte voedingsproducten) en sojabonen (voor het veevoer dat de groeiende vraag naar vlees moet dekken) zullen blijven knagen aan het beschikbare landareaal. China zou met zijn groeiende economie tegen 2024 de volledige huidige sojaproductie van de VS, Brazilië en Argentinië nodig hebben om aan de vraag naar vlees te kunnen voldoen. Vleesconsumptie stijgt hand in hand met de groeiende welstand van stadsmensen. Als iedereen in de wereld vegetarisch zou eten, zou er bijna de helft minder landbouwgrond nodig zijn dan vandaag. Volgens Science kunnen we niet anders dan drastisch ingrijpen in de aangroei van onze bevolking. Als er niets gebeurt, zullen we tegen het eind van deze eeuw met 10 of zelfs 11 miljard mensen zijn - nu zitten we aan 7,5 miljard. Het 'optimum' wordt gelegd op 2 miljard: het maximale aantal mensen dat in volstrekte harmonie met andere levensvormen kan leven. Strijd tegen armoede, samen met de opvoeding van vrouwen in (vooral) ontwikkelingslanden, is de beste manier om overbevolking te bestrijden: hoe meer vrouwen naar school kunnen gaan, hoe minder kinderen ze krijgen. Een verrassend cijfer is dat in Europa en Noord-Amerika bijna de helft van de zwangerschappen niet 'gepland' is (dat is niet hetzelfde als 'niet gewenst'). Ook bij ons zou een betere familieplanning dus nog vruchten kunnen afwerpen in de strijd tegen overbevolking en milieuoverlast. Het absurde aan de manier waarop wij de aarde uitputten, is dat de planeet zelf een prachtig voorbeeld is van circulaire regulatie: ze draait volledig op hernieuwbare energie en ze produceert geen niet-herbruikbare afvalstoffen. Wij hebben dat systeem doorbroken. We hebben zelfs pogingen gedaan om natuurlijke processen te versnellen door middel van kunstmatige artefacten, zoals meststoffen en pesticiden, waardoor we het geheel helemaal ontwricht hebben. In dat proces hebben we massa's dieren en planten in de vernieling gedreven. Een confronterend rapport in Science besloot dat Europa de voorbije kwarteeuw meer dan driekwart van zijn insecten (in totale aantallen, niet in soorten) is kwijtgespeeld als gevolg van massaal pesticidegebruik. En dan vragen mensen zich af waarom zwaluwen, nachtegalen en andere insecteneters het zo moeilijk hebben. Alle inspanningen van de jongste 50 jaar ten spijt zijn we er niet in geslaagd onze kwalijke invloed op de biodiversiteit te counteren. Het verlies van biodiversiteit ging samen met de ontwikkeling van de mensheid. Het moet 2 miljoen jaar geleden al begonnen zijn, toen onze voorouders zich als primitieve jagers op het terrein van (onder meer) grote katachtigen begaven. Sabeltandtijgers en holenleeuwen waren bij de slachtoffers. Ook grote grazers, zoals mammoeten, moesten eraan geloven. Een kwart van de schildpadsoorten in de wereld verdween onder onze druk. Vandaag drijven we de laatste grote dieren die er nog zijn de dood in. Dat is niet zonder gevolg. Apen en olifanten hebben bijvoorbeeld een invloed op de verspreiding en vernieuwing van het tropisch regenwoud, door de plantenzaden die ze transporteren. Als die optie wegvalt, zal het woud degraderen. Dat is ook voor de mensheid geen goede zaak, want het speelt een belangrijke bufferende rol tegen de opwarming van het klimaat. Een prangend probleem is dat behoud van biodiversiteit voor veel mensen helemaal geen prioriteit is. Waarom kan het ons niet schelen? Volgens een team psychologen in Science begint het al met de terminologie: milieuproblemen zijn in feite 'mensenproblemen'. Het is niet het milieu dat in de fout gaat, het zijn wíj die voor overbelasting zorgen - maar dat willen we niet geweten hebben. Zelfs als we in enquêtes verkondigen dat we bezorgd zijn om het milieu, passen we ons gedrag niet aan wanneer we iets concreets kunnen doen. Afval sorteren, ja, dat is makkelijk. Maar iets meer betalen voor duurzaam gevangen vis? Met de fiets naar het werk gaan in plaats van met de auto? Dat zal voor de volgende keer zijn. De massale verhuizing van mensen naar de stad koppelt hen zó sterk los van de natuur dat ze er geen bezorgdheid voor voelen. Ze worden ondergedompeld in een economisch model van eindeloze groei. Godsdiensten stellen de mens op een piëdestal, hoog boven de andere wezens. Op school wordt amper aandacht besteed aan natuur en ecologie. En mensen die er wél aandacht voor hebben, krijgen vaak een label opgeplakt ('geitenwollensokkendragers') en krijgen het verwijt dat ze de vooruitgang remmen. Natuur mag, zo heet het, zolang ze maar niet in de weg ligt. Een recente studie in Conservation Biology besloot dat natuurreservaten vooral gecreëerd worden in marginale gebieden die voor niets anders geschikt zijn. Daardoor missen ze voor een deel hun doel. Sinds 2004 zijn er wereldwijd 40.000 nieuwe natuurgebieden beschermd, maar ze bieden bescherming aan niet meer dan 84 bedreigde gewervelde diersoorten, terwijl dat er bij een betere keuze van terreinen makkelijk meer dan 3500 hadden kunnen zijn. Ongeveer 14 procent van het land op aarde geniet vandaag een of andere vorm van bescherming (een verdriedubbeling op veertig jaar tijd), maar dat is onvoldoende om een verder verdwijnen van biodiversiteit te vermijden. In Afrika, Zuid-Amerika en Zuid-Azië is, volgens een verslag in Nature, 30 à 60 procent van de zoogdieren van meer dan 10 kilogram en 25 à 40 procent van de grote vogels met uitsterven bedreigd. Meer dan de helft van de bestaande natuurgebieden zijn 'reservaten op papier', waar geen enkele inspanning wordt gedaan om de biodiversiteit te bevorderen of een verdere teloorgang tegen te gaan. Een studie in Science stelde vast dat in tropische wouden waarin mensen jagen voor lokale vleesconsumptie de vogelpopulaties 58 procent kleiner zijn dan elders, en de zoogdierpopulaties liefst 83 procent. Dat is op termijn onhoudbaar - ook voor de lokale bevolking, die zonder vlees dreigt te vallen. Een wat vreemd gevolg van de gebrekkige aandacht voor biodiversiteit is dat zelfs natuurbeschermers de lat lager lijken te leggen. In Nature verscheen een grondige herziening van het concept 'biodiversiteit': het moet niet langer primair gaan om het beschermen van zo veel mogelijk soorten, wel om het handhaven van zo veel mogelijk ecologische functies in een biotoop. Als dat met minder soorten kan, des te beter. Koraalriffen hebben geen honderden soorten vissen nodig om optimaal te blijven functioneren. 'Alleen naar soorten kijken, is als in een garage een lijst maken van alle onderdelen van een wagen, zonder dat je weet wat ze doen', zo legde een ecoloog het plastisch uit. Toch duikt er her en der goed nieuws op. Science maakte het onderscheid tussen wetenschap die doorgaans positief en toekomstgericht is, en ecologisch ingrijpen dat meestal een somber beeld van de planeet schetst en daardoor niet echt inspirerend werkt. Daarom is het nuttig net de veerkracht van de natuur te benadrukken: verlaten landbouwgronden kunnen opnieuw uitgroeien tot iets moois, iets met veel meer planten en dieren - niet altijd de meest zeldzame, maar wel de pioniers die de weg naar echte natuur banen. Voor kleine gebieden zijn menselijke ingrepen, zoals natuurontwikkeling, mogelijk. Voor grotere gebieden is dat om financiële redenen uitgesloten. Daar moet men de natuur haar gang durven te laten gaan. 'Een mens die een levensbedreigende ziekte overwonnen heeft, is na afloop niet meer dezelfde, hoewel hij opnieuw kerngezond kan zijn', klinkt het in Nature. Met nieuwe natuur is het net zo. 'De Venus van Milo heeft na haar reconstructie haar schoonheid bewaard, ondanks het feit dat ze geen armen meer heeft.' Kijk naar de situatie in Iran. Sommige van de vrijgekomen schapengronden kennen er nu een heropleving van de antilopen die er leefden vóór het gebied door herders werd ingepalmd. Ze vormen nu weer een bron van voedsel voor de uiterst zeldzame Aziatische jachtluipaard, die door de schapenboeren in de vernieling werd gejaagd. In Europa leidt een groeiende maatschappelijke tolerantie voor 'wilde natuur' tot een terugkeer van soorten zoals de bruine beer en de wolf, die zelfs de aanwezigheid van de mens niet meer schuwen. De natuur wordt opgewaardeerd, onder meer in schoolprojecten, in stadsplanning met steeds meer aandacht voor groen en bijenhotels en andere faciliteiten, en in excursiemogelijkheden in natuurgebieden. Als het levenscomfort van mensen maar hoog genoeg is, komt er vanzelf ruimte voor andere soorten dan de eigen soort.