Een blauwgeschilderd huis in de Londense wijk Richmond, een gigantische woonkamer met daaromheen een galerij, waarin rekken met Afrikaanse maskers, kunst uit alle windstreken en duizenden boeken staan: David Attenborough, 92, lijkt in zijn eigen museum te wonen.
...

Een blauwgeschilderd huis in de Londense wijk Richmond, een gigantische woonkamer met daaromheen een galerij, waarin rekken met Afrikaanse maskers, kunst uit alle windstreken en duizenden boeken staan: David Attenborough, 92, lijkt in zijn eigen museum te wonen. Toen hij in 1954 zijn eerste reis maakte, waren grote delen van de wereld nog nooit bestudeerd: zwart-witopnamen uit het oerwoud of wilde dieren in een televisiestudio volstonden om mensen te boeien. In de daaropvolgende decennia reisde Attenborough voor de BBC van de Zuidpool tot Borneo, van Australië tot de Galapagoseilanden, naar onherbergzame bergstreken en door woestijnen. Vele jaren lang stelde hij de natuur als een wonder voor. De laatste jaren is hij bezorgder geworden. Op de klimaattop van 2018 in Katowice riep Attenborough de regeringsleiders op om eindelijk in actie te komen. Op hetzelfde moment maakte de BBC bekend dat hij werkt aan een documentaire over de klimaatverandering ( Climate Change - The Facts), die dit voorjaar zou worden uitgezonden. Attenborough groeide op in Leicester, waar zijn vader aan het hoofd stond van University College. Zoon David werd in 2002 verkozen tot een van de '100 Greatest Britons'. Naar hem werden onder andere een vleesetende plant en een mierenegel genoemd. Hij vindt het vreselijk om als 'national treasure' beschouwd te worden. Anderzijds kan hij bijzonder goed de Britse Queen nabootsen. Sir David, had u als kind een schatkist? David Attenborough: Ik had een kast vol fossielen. Het waren er heel wat. Alleen fossielen? Attenborough: Nou ja, ik had ook een staartmezennest, prachtig, mooi rond, met korstmossen. Ik had het uit een meidoornstruik geplukt, natuurlijk pas toen de vogels uitgevlogen waren. Ik had ook de huid van een ringslang en heel veel tropische vissen. Die kweekte ik. En ook boomkikkers, salamanders, te veel om op te noemen. Ik fietste als jongen vaak 15 of 25 kilometer, tot aan een steengroeve, om fossielen te zoeken. Wat is daar zo boeiend aan? Attenborough: Het geeft een bijzonder gevoel als een stuk rots afbreekt en je de resten te zien krijgt van een levend wezen dat 150 miljoen jaar geen zonlicht heeft gezien en nooit door iemand anders gezien werd. Dat is magie. Pure magie! Herinnert u zich het eerste fossiel dat u ooit vond? Attenborough: Dat was een ammoniet uit Leicestershire, waar ik opgegroeid ben. Ik kan me ook nog goed een vakantie herinneren aan de kust van Wales. Daar vond ik een grote, ronde kei. En helemaal bovenaan, vastgebakken in het gesteente, zat een dibunophylum-koraal. Daar kun je natuurlijk niet bij, tenzij je het hele rotsblok in stukken hakt. Dus heb ik de hele vakantie al kloppend doorgebracht. Met succes? Attenborough: Wat denkt u? Bent u niet altijd een verzamelaar gebleven? Attenborough: Blijkbaar is dat een diepgeworteld mannelijk instinct. Typisch voor de jager-verzamelaar? Attenborough: Misschien. Er zijn inderdaad weinig vrouwelijke verzamelaars, maar de weinigen die er zijn, zijn dan ook geweldig. Zo ken ik er een paar die negentiende-eeuws porselein verzamelen. Maar over het algemeen is verzamelen eerder iets voor mannen. En bijna altijd begint het in de natuur. Charles Darwin, de grootste bioloog aller tijden, verzamelde kevers en verbaasde zich erover dat er alleen al in Groot-Brittannië zoveel honderden soorten bestaan. Hij vroeg zich af waarom dat zo was. Die eenvoudige vraag heeft geleid tot de belangrijkste theorie uit de hele biologie. Waar gaat het bij verzamelen om? Om het zoeken? Het vinden? Het bezitten? Attenborough: Het is puur spel, van het begin tot het einde. Kinderachtig. Zielig. Een heerlijke manier om te ontspannen. Voor uw negentigste verjaardag had de BBC een uitzending gemaakt waarin een verzamelaar een versteende haaientand liet zien die hij in zijn bezit had. Maar u had er ook een, en de uwe was groter. Draait het ook daarom? Attenborough: Natuurlijk. Wacht, ik laat hem u zien. (Hij staat op en komt terug met iets, ongeveer een vuist groot, wat op een bijl lijkt.) Het is misschien wel de grootste ter wereld. Hij is afkomstig van een haai die miljoenen jaren geleden geleefd heeft. Hebt u hem gevonden of gekocht? Attenborough: Die hier? Heeft een rivaal mij gegeven. Hoeveel fossielen, boeken en primitieve voorwerpen hebt u hier? Attenborough: Ach, toe nou... Wilt u het niet zeggen? Attenborough: Ik heb ze nooit geteld. Dat zou ook vulgair zijn, vindt u niet? Is het u om de esthetiek te doen? Attenborough: Het gaat om schoonheid, ja. En soms ook om het feit dat het je terugvoert in de tijd. Deze hoed met pareltjes, bijvoorbeeld, met luipaardtanden - een oude dame heeft hem mij gegeven toen we ooit maandenlang op Borneo zaten. Op een nacht gaf ze hem cadeau. Ik ben dol op deze hoed. Hij lijkt bedoeld voor een klein hoofd. Attenborough: Hij staat mij niet echt, ik weet het. Maar zij was er erg mooi mee. Het was een sympathieke oude vrouw. U hebt de oorlog meegemaakt. Heeft uw levenslange fascinatie voor de ongerepte natuur daarmee te maken? Attenborough: Nee, ik verzamelde al dingen voor de oorlog. We woonden in Leicester en werden twee, drie keer gebombardeerd. Maar er is geen invasie geweest. De oorlog betekende voor mij dat er minder eten en minder snoep was. Meer niet. Ik kan niet zeggen dat de oorlog psychologisch een grote wonde heeft geslagen. Tijdens de oorlog hebben uw ouders twee Joodse meisjes uit Duitsland opgevangen. Attenborough: Ze hebben zes of zeven jaar bij ons gewoond. Mijn vader en mijn moeder waren sterk sociaal geëngageerd. Het waren overtuigde Europeanen, vooral mijn moeder, ze sprak uitstekend Frans en Duits. Op een dag stonden die twee meisjes daar ineens. Ze hadden naar New York moeten doorreizen, maar alle overtochten waren stilgelegd. Dus zei mijn moeder gewoon: 'Helga en Irene maken nu deel uit van ons gezin. Het zijn jullie zussen. En ze blijven bij ons tot ze veilig weer weg kunnen.' Wat vonden u en uw broers daarvan? Attenborough: Mijn broer, de acteur, heeft vaak verteld hoe fantastisch hij het vond. Ik niet. Ik vond het vreselijk. Het waren mijn zussen niet. Maar het waren aardige meisjes, we raakten elkaar gewoon. En uiteindelijk werden ze echte zussen. We zijn hen nog regelmatig gaan bezoeken in New York. Intussen zijn ze allebei overleden, maar ik was erg op ze gesteld. En hoe was het tussen u en uw twee broers? Waren jullie concurrenten? Attenborough: Toe nou. Mijn oudere broer Richard was acteur, en dat was hij eigenlijk al sinds hij zes jaar oud was. Ik had belangstelling voor fossielen, en mijn jongere broer John was overal in geïnteresseerd, vooral in auto's. Hij kreeg later een hoge functie bij Alfa Romeo. We zijn nooit concurrenten van elkaar geweest. Toen Richard met meisjes begon uit te gaan, dacht ik: lieve deugd, hij zou fossielen kunnen gaan zoeken, en wat doet hij? Dansen! Dat was niets voor u? Attenborough: Als ik fossielen kon zoeken? Denkt u toch eens na. Hebt u de film Jurassic Park gezien, waarin uw broer Richard de miljardair speelt die een park voor dinosaurussen laat bouwen? Attenborough: Ja, ik heb zelfs mee nagedacht over de bezetting. Toen Dick het manuscript kreeg, woonde hij nog geen twee kilometer bij mij vandaan. Hij vroeg me hoe ik de rol van de paleontoloog voor me zag. Ik stelde voor om Jack Horner als voorbeeld te nemen, een fantastische specialist in dinosaurussen. En dat hebben ze dan ook gedaan. Het was een buitengewone film. We weten nu natuurlijk dat het wetenschappelijk gezien niet allemaal even correct was. Maar dat kun je over nagenoeg alles zeggen. Wetenschap is voortdurend in ontwikkeling. Alles wat twintig jaar geleden is gemaakt, bevat vanuit het huidige standpunt fouten. U bent uw hele leven bezig geweest met jongensdromen te realiseren. Attenborough: Absoluut. Het is inderdaad de eeuwige jongensdroom. Daarmee is alles gezegd. Eigenlijk kunnen we het gesprek hier beëindigen. U bent vroeger zonder Google Maps, zonder internet of smartphone de wildernis in getrokken. Hoe vind je dan de weg? Attenborough: Door iemand mee te nemen die de weg kent. Als je in Borneo helemaal in je eentje rondtrekt, kun je ernstig in de problemen raken. Ik moet toegeven dat ik zelfs een keer compleet de weg ben kwijtgeraakt. Ik heb daar toen niet al te veel ruchtbaarheid aan gegeven, maar het is wel waar. Waar was dat? Attenborough: In Zuid-Amerika. Ik liep in een woud met bomen van zeker 30 meter hoog. Daar zie je geen zon. Dan zie je geen hoogteverschillen. Alleen bladeren. Plotseling besefte ik dat ik verdwaald was. Na een tijdje dook er een plaatselijke jager op, die mij teruggebracht heeft. Ik deed natuurlijk alsof ik alles onder controle had. Hoe kun je in de wildernis gevaren herkennen? Attenborough: Als je bij 'gevaar' aan dieren denkt, valt het erg mee. Er zijn maar weinig dieren die je willen opeten. Ze weten niet wat je bent. Normaal gezien zijn dieren erg voorzichtig en verdwijnen ze voor ze goed en wel beseffen dat ze jou gezien hebben. Het is dus niet heel riskant wat ik doe. Het is veel gevaarlijker om Piccadilly Circus over te steken. Hoe gedraagt een mens zich het best tegenover geïsoleerd levende volkeren? Attenborough: Door altijd beleefd te blijven. En aan te nemen wat ze je aanbieden. Ook al weet je totaal niet wat het is? Attenborough: Uiteraard. Ik was ooit op bezoek in een dorp in Guyana, waar mij kasiri werd aangeboden. Dat is een drank die gemaakt wordt van maniok die door de vrouwen wordt voorgekauwd om beter te fermenteren. Kasiri stinkt naar braaksel. Ik wist dat ik dat het maar één keer naar mijn neus kon brengen zonder over te geven. Dus heb ik alles in één keer opgedronken en gezegd: 'Zeer goed.' Waarop zij dachten: hij vindt het lekker, geef hem nog een beetje. Hebt u zich nooit afgevraagd of het resultaat van uw reizen zoveel zware inspanningen waard was? Attenborough: O, ik heb me altijd geamuseerd. Zelfs als we niet vonden wat we zochten. Op zoek gaan naar soorten gordeldieren is altijd een goede uitvlucht om de uitgestrekte vlakten van Paraguay te doorkruisen en paard te rijden met gaucho's en indianen. Ik moest toch één reden opgeven bij mijn bazen waarom we maandenlang in de streek rondtrokken? Het zuidelijke kogelgordeldier was als reden overtuigend genoeg. Was u teleurgesteld als u sommige dieren te snel vond? Attenborough: O ja. Tijdens onze eerste reis naar West-Afrika wilden we exemplaren vangen van een zeer zeldzame vogelsoort, die nog geen enkele Europeaan te zien had gekregen. De grijsnekkaalkopkraai. We vonden hem al na drie weken, hoewel we drie maanden ingepland hadden. Ik heb dat lange tijd aan niemand verteld. Herinnert u zich momenten van geluk? Attenborough: Met een behoorlijke uitrusting voor het eerst naar een koraalrif duiken is overweldigend. Zweven in het water, misschien 50 of 100 verschillende soorten observeren, zoiets heb je nooit eerder meegemaakt. Daar zie je wezens waar je nog nooit van gehoord had, een wereld vol uitzonderlijke schoonheid. Fascinerend. Is dat waar het om draait: indrukwekkende momenten verzamelen? Attenborough: Het maakt wel een verschil of je ammonieten of herinneringen verzamelt. Ik ben niet het type dat 's avonds thuis zit om terug te denken aan al het moois dat hij heeft beleefd. Ik ben meestal al bezig met de volgende dag. In een van uw boeken schreef u: 'De natuur springt vaak nogal ruw om met onze romantische voorstellingen over de wildernis.' Wat bedoelt u daarmee? Attenborough: Ik bedoel bijvoorbeeld dat de beste manier om de mooiste vlinders te lokken stront is, desnoods je eigen stront. En het is niet mooi om te zien hoe een leeuw de darmen uit een antilope scheurt. Je zit heel lang op zulke momenten te wachten, en dan hoor je plotseling het gekrijs van dat arme dier, terwijl het bloed in het rond spat. Niet bepaald prettig. Wat miste u het meest als u op reis was? Attenborough: Mijn familie. Materiële dingen zijn niet zo van belang. Was u een goede vader? Attenborough: Dat moet u aan mijn kinderen vragen. Met kerst was ik altijd thuis, maar ik heb veel verjaardagen gemist. Al werd dat gecompenseerd: ik bracht altijd veel dieren voor hen mee. Dit huis zat ooit vol salamanders, kaketoes, pythons, kameleons, apen, galago's en kolibries. Heel mooi. U hebt heel wat beroemdheden ontmoet. Hebt u die mensen door de bril van de wetenschapper bekeken en hun gedrag bestudeerd? Attenborough: Ik kan niet beweren dat ik door mijn werk de mens veel beter heb leren kennen. Ik denk dat ik dezelfde methoden gebruik als u om in te schatten of iemand opschepperig, onzeker of laf is. Wat was uw ervaring met de Queen? Er lijkt mij geen grotere tegenstelling te bestaan dan tussen de wildernis en Buckingham Palace. Attenborough: Tja, het koningshuis is iets heel eigenaardigs. Als antropoloog vind ik het interessant om te zien hoe de samenleving behoefte heeft aan een persoon die helemaal anders is dan we zelf zijn. En hoe absurd, irrationeel en onlogisch dat ook mag lijken, dat is precies de indruk die je krijgt. Dat is de Queen. Ze kan vast over water lopen. Zij is anders. En dus behandel je haar ook met de nodige egards. Om informeler met elkaar om te gaan kan alleen zij het initiatief nemen. Bereidt u bij dergelijke gelegenheden een uitspraak of een grapje voor om het ijs te breken? Attenborough: Nee. Tot mijn eigen ontzetting heb ik mezelf tijdens een gesprek in de tuin eens zoiets gepermitteerd. We waren over koetjes en kalfjes aan het praten toen de Queen naar een zonnewijzer onder bomen wees en iets zei als: 'Dat is een van mijn lievelingsobjecten.' En ik zei: 'Die staat wel handig in de schaduw van de bomen opgesteld.' Waarop zij: 'O, ik neem aan dat u bedoelt dat we zo niet echt het uur kunnen aflezen.' Vreselijk was dat. Bent u er trots op dat u samen met de koningin een van de meest bewonderde persoonlijkheden van het Verenigd Koninkrijk bent? Attenborough: Dat betekent helemaal niets. Met alle respect voor uw metier, maar dat is een overdrijving van journalisten. U dwingt bewondering af omdat u ons de planeet hebt laten zien waarop we leven. Vindt dat u altijd een realistisch beeld van de natuur hebt gegeven? Attenborough: Realistisch is niet het juiste woord. Je kunt nooit alle aspecten van de waarheid weergeven. Maar ik denk niet dat we de natuur ooit op een oneerlijke manier voorgesteld hebben. We hebben ze zeker soms dramatischer doen lijken dan ze is, maar dat hoort bij de job. U moet dit gesprek ook op een bepaalde manier interessant laten lijken. Maar ik heb nooit opzettelijk gelogen. U kreeg kritiek van George Monbiot, de Britse schrijver en milieuactivist, omdat u te laat en te weinig zou hebben gedaan tegen de vernieling van het milieu. Attenborough: George moet regelmatig een column vullen en dat is een verantwoorde houding. Maar ik sprak al over milieubescherming nog voor hij ooit een woord geschreven had. Wat klopt is dat ik het in de jaren vijftig en zestig niet over milieubescherming had, dat deed toen niemand. Het was nog geen item. Sinds de jaren tachtig eindigen al mijn reeksen met een oproep voor de bescherming van de natuur. Alleen: alvorens mensen bezorgd kunnen zijn om iets, moeten ze ervan leren houden. De meeste mensen hebben geen binding meer met de natuur. Daarom laat ik in mijn reportages zien hoe prachtig, fantastisch en spannend de natuur is. Ik heb net een groot project afgerond voor Netflix, dat alleen maar over milieuproblemen gaat. Mijn geweten is zuiver. U hebt vorig jaar tijdens de VN-klimaattop gezegd: 'Leiders van de wereld, neem de leiding.' Wat verwacht u van hen? Attenborough: Ze kunnen heel wat dingen doen, de klimaatverandering zou boven aan hun lijst moeten staan. Voor de nodige wetgeving zorgen zou al een goed begin zijn. Maar de mensen moeten zelf ook meer doen: stoppen met brandstofverspilling, geen plastic tassen meer gebruiken, regelmatig vegetarisch eten. Als we de planeet willen redden, moeten we internationaal in actie komen. Dat is ooit al gelukt, toen heel wat landen afspraken hebben gemaakt om te stoppen met de walvisvangst. U verkent de aarde al meer dan een halve eeuw. Wat hebt u geleerd over uzelf? Attenborough: Ik neig niet naar navelstaarderij en zit thuis niet na te denken over wat ik eventueel over mezelf heb geleerd. Eerlijk gezegd heb ik daar nog nooit een gedachte aan verspild. Hebt u iets geleerd over de mens in het algemeen? Attenborough: De enige dieren die ons iets over de mens kunnen leren, zijn de andere primaten. En dan eigenlijk ook alleen maar de vanzelfsprekende dingen. Als je een grote mannelijke gorilla benadert, moet je je nederig opstellen. En de manier waarop je dat doet, is vergelijkbaar met de manier waarop je je gedraagt tegenover de Queen: laat je hoofd zakken, maak een buiging, spreek niet te luid. Woede, jaloezie, kwaadaardigheid, wraak: bestaat dat ook allemaal bij dieren? Attenborough: Dat is vaak moeilijk te zeggen. Als u een olifant ziet die op een berg knoken afgaat, is de verleiding groot om te denken dat hij zich voorstelt: 'Misschien is dat wel mijn groottante.' Maar het zou net zo goed kunnen dat hij gewoon denkt: 'Wat een rare knoken zijn me dat?' Je kunt altijd beter voorzichtig zijn met veronderstellingen en je niet te veel overgeven aan romantische voorstellingen. Wat is het domste dier? Attenborough: Wel, zee-egels zijn niet al te snugger en kwallen staan niet bekend om hun gevoel voor humor. U noemt zichzelf een agnosticus. Hebt u ooit bovennatuurlijke of goddelijke ervaringen gehad? Attenborough: Ik heb vormen van schoonheid gezien die ongelooflijk veel indruk op mij gemaakt hebben. Maar het is nooit bij me opgekomen dat een oude man met een baard aan de basis daarvan zou liggen. Hebt u zich nog nooit in een situatie bevonden dat u begon te bidden? Attenborough: Nee. Ik heb in mijn jonge jaren bergen beklommen. Op een keer ben ik van een rots van twaalf, vijftien meter naar beneden gevallen. Het enige wat ik dacht was: nu heb je echt je ouders teleurgesteld, die zullen vast heel boos zijn. In een van uw boeken schrijft u dat u na de dood van uw vrouw 'verloren' was. Wat geeft u troost? Attenborough: Actief zijn, neem ik aan. Dingen doen. Uw grootste reis hebt u nog voor de boeg. Nieuwsgierig? Attenborough: Hebben we het nu over de dood? Ja. Attenborough: Daar ben ik niet bijster nieuwsgierig naar. Die kan ik vast nog wel een paar dagen uitstellen. Ik veronderstel dat je de ogen sluit en blij bent dat je geen pijn meer voelt. Waar zou u begraven willen worden? Attenborough: Begraven zou verspilling van ruimte zijn op deze toch al overvolle planeet. Cremeren lijkt me uitstekend. Dus niet op Nieuw-Guinea of een andere geliefde plek? Attenborough: Waarom? Ik zou de schoonheid daar niet meer ruiken, zien of voelen. Het speelt geen rol waar je een mens naartoe brengt als er geen leven meer in zit.