Je hoeft tegenwoordig zelfs niet meer buiten te komen om onze natuur in kaart te brengen. Zeker voor vleermuizen kan het allemaal volautomatisch. Vleermuisonderzoekers gebruiken detectoren die opnames maken van de geluiden die vleermuizen uitzenden als ze 's nachts op jacht zijn. Geluiden die wij niet kunnen horen, want ze bevinden zich in het ultrasone spectrum van de geluidsgolven, waar onze oren niet voor gemaakt zijn.
...

Je hoeft tegenwoordig zelfs niet meer buiten te komen om onze natuur in kaart te brengen. Zeker voor vleermuizen kan het allemaal volautomatisch. Vleermuisonderzoekers gebruiken detectoren die opnames maken van de geluiden die vleermuizen uitzenden als ze 's nachts op jacht zijn. Geluiden die wij niet kunnen horen, want ze bevinden zich in het ultrasone spectrum van de geluidsgolven, waar onze oren niet voor gemaakt zijn. Af en toe leveren de opnames verrassingen op. Wout Willems van de vleermuizenwerkgroep van Natuurpunt laat weten dat er vorig jaar op twee plekken in Vlaanderen (Damme in West-Vlaanderen en Riemst in Oost-Limburg) grote hoefijzerneuzen zijn waargenomen. Hun geluiden zaten verborgen in bijna een half miljoen opnames met de detectoren - vleermuizen roepen constant als ze rondvliegen. De grote hoefijzerneus wordt in Vlaanderen (en Nederland) als uitgestorven beschouwd. De laatste waarneming dateert van 1995. Een groepje van twaalf dieren dat toen in een schuur verbleef, verdween na de renovatie van het gebouw. Grote hoefijzerneuzen slapen en overwinteren in grotten of gebouwen. De vraag is of de recente waarnemingen betekenen dat de grote hoefijzerneus, die nergens in zijn leefgebied écht algemeen is, aan een opmars bezig is, want over het algemeen zou de populatie afnemen. Mogelijk passeren er bij ons af en toe zwervers uit de Ardennen en Noord-Frankrijk, waar de soort wat algemener is. Meestal vliegen grote hoefijzerneuzen, die erg plaatstrouw zijn, nooit verder dan 30 kilometer van hun vaste plekjes, maar af en toe worden er excursies van meer dan 100 kilometer opgetekend.Grote hoefijzerneuzen zijn middelgrote vleermuizen. Ze danken hun naam aan hun (naar onze normen) lelijke neus, die speciaal ontwikkeld is om efficiënter de ultrasone golven op te vangen die op een prooi of obstakel weerkaatst worden - met hun doorwrochte neus kunnen de diertjes dus beter 'zien'. Ze leven vooral van grote motten en kevers. De soort komt in een breed leefgebied voor, dat zich uitstrekt van bij ons tot in China en Japan. Ze heeft een wat kwalijke reputatie gekregen doordat ze drager is van coronavirussen, waaronder mogelijk de voorloper van het virus dat nu een pandemie veroorzaakt. Maar dat mag geen reden zijn om een hetze tegen de vleermuis te voeren. Zolang je ze met rust laat, is er geen enkel probleem. De sprong van een virus naar de mens gebeurt meestal trouwens na besmetting van een tussengastheer. Vleermuizen zijn een essentieel onderdeel van een goed draaiend ecosysteem. We zouden ze eerder moeten koesteren dan vrezen, ook al hebben ze hun reputatie tegen door de manier waarop wij hen systematisch misbruiken in onze artificiële horrorwereld. We kunnen beter inspanningen leveren om het de grote hoefijzerneus wat gemakkelijker te maken. Volgens een recente studie in The Journal of Applied Ecology is een goede maatregel daarvoor dat we onze hagen minder vaak snoeien: een keer om de drie jaar in plaats van elk jaar. Dan zou de soort makkelijker aan prooien raken. Ook Wout Willems van Natuurpunt pleit ervoor de nieuwkomer te 'verwelkomen' door een aangepast landschapsherstel waarbij we een mozaïeklandschap creëren van kleinschalige weiden, hagen en houtkanten. Dat klinkt eerder idyllisch dan angstaanjagend.