In 1953 werden Vlaanderen en Nederland getroffen door uitzonderlijk zware overstromingen. De catastrofe leidde tot grote inspanningen om dijken te verstevigen. Tegelijk werd de Schelde uitgebaggerd om de haven van Antwerpen toegankelijker te maken. Zo werd de stroom dieper en smaller, waardoor het getij toenam en de natuur op de oevers werd beschadigd.
...

In 1953 werden Vlaanderen en Nederland getroffen door uitzonderlijk zware overstromingen. De catastrofe leidde tot grote inspanningen om dijken te verstevigen. Tegelijk werd de Schelde uitgebaggerd om de haven van Antwerpen toegankelijker te maken. Zo werd de stroom dieper en smaller, waardoor het getij toenam en de natuur op de oevers werd beschadigd. 'Alles gebeurde zonder enige aandacht voor de natuur langs en in het water', zegt Patrick Meire, hoogleraar ecologie en waterbeheer aan de Universiteit Antwerpen. 'Het gevolg was een groot verlies aan natuurwaarden die de dijken bescherming boden. De schorren langs de Schelde erodeerden en verloren hun waarde. De Schelde was in de jaren 1970 ook een open riool. Het besef daagde dat het zo niet verder kon.' In die moeilijke jaren werden de eerste plannen gemaakt om langs de Schelde natuurreservaten te creëren. In 1970 kwam er een beschermd natuurgebied aan de monding van de Durme in de Schelde. In 1976 werd het Verdronken Land van Saeftinghe op Nederlands grondgebied beschermd. 'Maar in 1976 was er ook de dramatische overstroming van de gemeente Ruisbroek langs de Schelde', vertelt Meire. 'Iedereen herinnert zich de beelden van het bezoek van koning Boudewijn aan het rampgebied. Het resulteerde in het ambitieuze Sigmaplan, dat gemodelleerd werd naar het Deltaplan waarmee de Nederlanders een nieuwe catastrofe als die van 1953 wilden vermijden.' Het Sigmaplan steunde op drie pijlers: ongeveer 500 kilometer hogere en sterkere dijken, 13 gecontroleerde overstromingsgebieden waarin een tijdelijke waterovervloed kan worden opgevangen, en een stormvloedkering voor noodgevallen. De eerste twee luiken zijn deels gerealiseerd, de stormvloedkering is er nog altijd niet. Vanaf 1980 werden vanuit de Antwerpse universiteit ook de eerste schuchtere stappen richting natuurontwikkeling gezet. Dijken werden aangepast of verlegd om de natuur nieuwe kansen te geven. 'In het begin van de jaren 1990 kwamen er vernieuwende symposia waarin het ecologisch herstel van de Schelde centraal stond', legt Meire uit. 'Er werden zelfs plannen gesmeed om het gebied van Schelde, Dender en Durme integraal tot staatsnatuurreservaat uit te roepen, maar dat lukte niet. In die tijd dook voor het eerst het idee op om ruimte op het land vrij te maken om overtollig water op te kunnen vangen, het zogenaamde ontpolderen. Dat ging in tegen wat de mens gewoon was, namelijk land winnen op het water. Die trend keren lag niet voor de hand. Maar we beseften dat het nodig was als we het water zo veel mogelijk wilden beheersen.' Ook was het inzicht gegroeid dat de Schelde als één bassin moest worden gezien, van het Nederlandse Vlissingen tot in Gent. Bovendien begon de Europese regelgeving mee te spelen, met de Vogel- en Habitatrichtlijnen die maakten dat je niet langer zomaar natuur kon opofferen aan landbouw en industrie. 'Dan kwamen de grote overstromingen in de winter van 1993-94 die weer tot paniek leidden', vertelt Meire. 'Die werden opnieuw een hefboom voor drastische ingrepen. Het was ondertussen duidelijk geworden dat het Sigmaplan gebruikt kon worden om milieu- en natuurwinst te realiseren, onder meer door water te zuiveren en biodiversiteit te bevorderen. In 1999 werkten Vlaanderen en Nederland een langetermijnvisie voor het Schelde-estuarium uit, waarin natuurlijkwinst naast veiligheid en toegankelijkheid een derde en evenwaardige doelstelling werd.' Een kantelpunt vormde in 2005 een nieuw verdrag tussen Vlaanderen en Nederland over de verdere uitdieping van de Schelde. Dat voorzag in ruimte voor nieuwe natuur: de uitbreiding van het grensoverschrijdende natuurreservaat Het Zwin en de ontpoldering van de Nederlandse Hedwigepolder en het noordelijke deel van de Vlaamse Prosperpolder om waterrijk gebied te worden. Dat laatste was een ingreep die aansloot bij het prachtige gebied Doelpolder Noord (in het Waasland) dat gerealiseerd werd als compensatie voor natuur die verloren ging bij de uitbreiding van de haven van Antwerpen. Maar Zeeuws-Vlaanderen ging op de rem staan: het kon toch niet dat een Nederlandse polder werd opgeofferd om natuur te maken ter compensatie van havenontwikkeling en waterbeheersing in Vlaanderen. Gemakshalve werd vergeten dat de Hedwigepolder pas een eeuw geleden, als een van de laatste polders, op het water was 'gewonnen'. 'Ik heb de commotie rond de Hedwigepolder nooit goed begrepen', zucht Meire. 'Het heeft geduurd tot in 2012 voor de storm rond het project in Nederland wat ging liggen. Dan waren er nog juridische procedures die afgehandeld moesten worden. Nu is het eindelijk zover dat de werken kunnen beginnen. Ondertussen is de waterkwaliteit van de Schelde gelukkig sterk verbeterd. We hebben ook het voorbeeld van het overstromingsgebied van Kruibeke dat in het begin van 2018 operationeel werd en doet wat het moet doen: water zuiveren en het risico op overstromingen beperken. Het project heeft de steun gekregen van de lokale bevolking, die er kan gaan fietsen en wandelen. Het heeft mooie natuurwaarden opgeleverd, inbegrepen de terugkeer van soorten als de bever en de otter. Het bewijst dat overstromingsgebieden een hoge natuurwaarde kunnen hebben. De ontpoldering van de Hedwige- en Prosperpolders moet trouwens niet louter gezien worden als een compensatie voor het uitdiepen van de Schelde. Hij maakt ook deel uit van de wettelijk verplichte instandhouding van natuurwaarden in en langs de Schelde.' De ontpoldering van de twee polders, door het doorbreken van de Scheldedijk zodat het water erin kan, moet 465 hectare nieuwe natuur opleveren. Samen met het Verdronken Land en andere natuurgebieden in de regio moet het project resulteren in meer dan 3500 hectare ononderbroken zogenaamde robuuste natuur: het Grenspark Groot-Saeftinghe, dat uniek zal zijn in Europa. Het is hartverwarmend dat zoiets kan in onze moderne tijd. Hardleerse koppigaards blijven zich verzetten tegen de creatie van nieuwe natuur, hoewel er economische en andere baten aan gekoppeld zijn. Ze noemen ontpolderde natuur cynisch en zonder enig inzicht in natuurwaarden een 'modderbak'. Op verzoek van de Vlaams-Nederlandse Scheldecommissie hebben Nederlandse en Vlaamse wetenschappers de handen in elkaar geslagen om een rapport te maken over hoe de Hedwige- en de Prosperpolder zullen evolueren. Er kroop vier jaar werk in veld- en laboratoriumexperimenten en de ontwikkeling van een computermodel. Ecologie is een complex gebeuren. 'De ontwikkeling van nieuwe natuur zal een langzaam proces zijn, wat goed is om tot een solide ecosysteem te komen', legt Temmerman uit. 'De eerste twintig jaar verwachten we dat er vooral slik zal zijn: een open gebied met veel vogels en veel beestjes in de bodem die de ontwikkeling van planten vertragen. Er zullen geulen ontstaan voor een betere afwatering bij afnemend tij. Na twintig jaar zal het gebied evolueren tot een halfopen en gevarieerd landschap met een combinatie van kale slikken en begroeide schorren met planten als zeeaster en zeebies. Planten houden sediment tegen en zorgen dus mee voor de ophoging, wat ook voor hen zelf gunstig is, want zo wordt de bodem minder nat en zout. Over honderd jaar zal het door sedimentatie een van de hoogste gebieden in Zeeland geworden zijn, waardoor het de stijging van de zee- en Scheldespiegel makkelijk zal aankunnen. Het zal dus geen permanent gevulde waterbak worden.' Het model fungeert als een tijdmachine om de toekomst te voorspellen. Maar hoe verder in de toekomst het gaat, hoe meer onzekerheden er opduiken. Het heeft ook beperkingen. Het houdt onder meer weinig rekening met de aanwezigheid van dieren, met uitzondering van de voor de ontwikkeling van slikken en schorren cruciale zeeduizendpoten. 'De concrete veldgegevens die we al hebben, passen wel goed in de voorspellingen', countert Temmerman. 'We zullen uiteraard permanent metingen ter plekke uitvoeren, waarmee we het model constant kunnen voeden, zodat het steeds accurater zal worden. We twijfelen er niet aan dat we eventuele ongewenste ontwikkelingen zullen zien aankomen, zodat we er tijdig op kunnen ingrijpen.' De cijfers die Temmerman presenteert over de impact van de ontpoldering op de Schelde zelf, spreken tot de verbeelding: 'Per jaar zal er naar schatting 100.000 ton droog sediment in de vorm van slib en zand in de nieuwe overstromingsgebieden van de Hedwige- en Prosperpolders worden afgezet. Dat is het equivalent van de lading van 5000 vrachtwagens die niet langer in de Schelde zal circuleren, waardoor het Scheldewater minder troebel zal worden. Dat is gunstig voor dieren en planten. Er zal elk jaar ook zo'n 2000 ton koolstof worden afgezet, of het equivalent van de koolstofproductie van 3000 wagens die elk 20.000 kilometer rijden. Dat is nuttig voor de strijd tegen de klimaatopwarming.' Een boutade zegt dat wie zijn kop nu in het zand steekt, hem straks uit het water zal moeten halen. De klimaatopwarming en de daarmee gepaard gaande stijging van de zeespiegel zijn een bedreiging voor het welzijn van veel oeverbewoners - inbegrepen een deel van de Antwerpenaren. De landbouwpolders liggen allemaal zeer dicht bij of zelfs lager dan de huidige zeespiegel, dus zijn ze extra gevoelig voor overstromingen. Ook daarvoor kan het openstellen van een verhoudingsgewijs kleine oppervlakte polder voor wateropvang soelaas brengen. Natte gebieden vangen ook meer koolstof op dan landbouwgronden. Nieuwe natuur op de plaats van landbouw compenseert dus deels de grote effecten van landbouw op de klimaatopwarming. De nieuwe natuurgebieden zullen overigens nog andere nuttige ecosysteemdiensten bieden - economische voordelen van natuur voor de mens - zoals het creëren van ruimte voor de voortplanting van vissen en garnalen en het aantrekken van toerisme. Zij die vrezen dat ze geen 'historisch' landbouwpolderlandschap meer te zien zullen krijgen, hoeven zich geen zorgen te maken: er blijven tientallen kilometers wegen door mooi polderlandschap over tussen de Schelde en de kust. 'Niemand zal hier spijt van krijgen', stelt hoogleraar Meire met klem. 'Ecologie en economie kunnen elkaar versterken in het creëren van klimaatbestendige leefgebieden. Het Sigmaplan is een succesverhaal in het verbinden van natuur, veiligheid en economie. Natuur is geen deel van het probleem, ze is een deel van de oplossing. Maar we moeten de dynamiek van de natuur zo veel mogelijk respecteren en alleen ingrijpen als er echt iets mis zou lopen. We vertrouwen erop dat het niet nodig zal zijn. Er zijn grenzen aan het manipuleren van natuur die we niet willen overschrijden.' De grensoverschrijdende samenwerking tussen Vlaanderen en Nederland heeft ondertussen een nieuwe ambitie gelanceerd: het hele grenspark Schelde Delta als uniek laten erkennen door de Werelderfgoedorganisatie Unesco. Het gaat daarbij niet alleen om het grenspark Groot-Saeftinghe, ook om het rivierenpark van de Scheldevallei, het grenspark van de Kalmthoutse Heide en het Nationaal Park van de Oosterschelde. Het dossier zal in 2020 worden ingediend. De hoop is dat het gebied de gegeerde status van de Unesco in 2022 krijgt.