We hoeven er niet aan te denken als we dat niet willen. We verstoppen het leed onder grijze punt­daken. In anonieme rijen liggen langwerpige ge­bouwen tussen de weiden bij dorpen als Hedel, Grubbenvorst en Finsterwolde (De auteur is een Nederlander, nvdr.). Zeven industriedie­ren per Nederlander. Je zou over ze moeten strui­kelen, maar waar zijn ze allemaal? Open de deur van zo'n megastal en ze stuiven weg voor je voeten. Kippen zover je kijkt, meer dan tienduizend in een schuur. Een zee van gelige pluimbollen in tl-licht. Doe de deur weer dicht en ze lijken verdwenen. We verstoppen het leed in ondefinieerbare schijven en ballen. We lopen langs de schappen en kiezen uit de plastic bakjes. Een glimmende witte lap. Een ro­ze substantie die door een molen is gegaan. Iets in een jas van krokante korrels. En we verstoppen het leed met de verhalen die we vertellen. Over de na­tuur, over het dier en de dood, over hoe het nou eenmaal werkt, of vlug over iets anders.

We lopen langs de schappen en kiezen uit de plastic bakjes. Een glimmende witte lap. Een ro­ze substantie die door een molen is gegaan. Iets in een jas van krokante korrels.

Het begint bij kinderen en ik doe er zelf aan mee. Als veganist raak je er snel aan gewend dat je aan iedereen moet uitleggen waarom. Meestal kan ik dat wel. Maar toen het zevenjarige dochter­tje van een vriend het vroeg, wilden de woorden op­eens niet komen. We zaten aan tafel en mijn vriend serveerde het vlees apart. Met grote ogen zag zijn dochter dat ik dat niet hoefde, terwijl zij tot haar gruwel altijd álles moest eten, zelfs zoiets kokhals­ranzigs als groente. 'Erik eet geen vlees,' zei mijn vriend. O. Waarom niet?

Ik zocht naar het begin van mijn verhaal. De stal­len misschien. De dieren die zo dicht op elkaar zijn gepakt dat ze zich niet kunnen omdraaien. De har­de, smerige vloeren waarop ze de hele dag staan en slapen, in hun eigen poep, tot hun poten zweren. De lucht die zo benauwd en zuur is dat ze het aan hun longen krijgen.

Ik keek naar mijn vriend. Moest ik nu zo'n beetje het enige gaan verpesten wat zijn dochter wél zon­der drama opat? Moest ik zo nodig vertellen dat de dieren in die stallen elkaar uit frustratie te lijf gaan? Dat de snavels van kuikens zonder verdoving wor­den afgeknipt, zodat ze elkaar niet meer kunnen pikken? Dat de staarten van biggen onverdoofd worden afgebrand, zodat ze elkaar daar niet kun­nen bijten? Al had ik dat willen vertellen, ik wist niet hoe.

Ik wist niet zo snel met welke woorden ik een kind van zeven moest uitleggen dat kalfjes in de vee-industrie vaak meteen na hun geboorte alleen worden opgesloten. Het voelde veel te ongemakke­lijk om te vertellen over doorgefokte rassen, over dieren die zo snel groeien dat hun vlees ontsteekt en ze nog voor ze volwassen zijn door hun poten zakken. Ik proefde de woorden. 'Ik eet geen vlees omdat veel van die dieren pas voor het eerst bui­ten komen als ze op transport gaan, hardhandig bijeengepropt in slecht doorluchte vrachtwagens, met onvoldoende water en voedsel, voor panieke­rige tochten die soms door heel Europa gaan, door de verzengende hitte van Spanje of de vrieskou van Rusland, omdat ze daar voor een paar cent min­der geslacht kunnen worden.' Gezellig, oom Erik op bezoek, de kinderen huilend aan tafel. Ik was nog nooit door een zevenjarige gevraagd naar de twee miljoen dode dieren per dag, alleen al in Ne­derland. Ik kwam er duidelijk even niet uit.

'Omdat ik het zielig vind voor de dieren,' zei ik kortaf, en ik begon snel over iets anders.

Misschien moet ik leren om harder te zijn tegen kinderen, maar ik ken weinig ouders die deze ver­halen wel vertellen. Er zijn natuurlijk meer dingen die we van onze kinderen weghouden omdat we bang zijn dat ze er nachtmerries van zullen krij­gen. We hebben geen seks in hun bijzijn en we la­ten ze geen onthoofdingsvideo's van is zien. Toch geeft het te denken dat de waarheid over wat ze elke dag eten blijkbaar zo extreem is dat die in dezelfde categorie valt.

Als peuter leer je van plaatjesboeken dat zulke dieren op de boerderij thuishoren en dat ze het er geweldig vinden. Aan tafel leer je dat ze ook op je bord thuishoren.

Toen ik zelf klein was keek ik naar Seabert, de tekenfilm over een dapper zeehondje dat voor die­renrechten strijdt met zijn mensenvriendjes Tom­my en Aura. Van de poolcirkel tot de binnenlanden van Afrika, telkens vinden zij de stropersbende van Grijpwijk tegenover zich, die juist op het punt staat een walvis, gorilla of schildpad iets verschrikkelijks aan te doen. Verontwaardigd vroeg ik me af hoe een man als Grijpwijk zo gemeen kon zijn. Nu wil ik niets afdoen aan Seaberts belangrijke werk. Maar ik kan me de afleveringen niet herinneren dat deze zeehond, met al zijn geblaf over dierenleed, in ac­tie kwam voor de kippen van Hedel, de varkens van Grubbenvorst of de koeien van Finsterwolde.

© Querido

Als peuter leer je van plaatjesboeken dat zulke dieren op de boerderij thuishoren en dat ze het er geweldig vinden. Aan tafel leer je dat ze ook op je bord thuishoren. Hoe ze precies van het ene sta­dium in het andere geraken blijft nog vager dan het verhaal dat papa en mama elkaar héél lief von­den en er toen een baby kwam.

En waar de mees­te volwassenen hun kennisachterstand op het ge­bied van de menselijke voortplanting ruim inhalen met plaatjes die alle finesses afbeelden, bewaken ze waar het hun eten betreft liever zo lang mogelijk hun onschuld.