Charles Darwin noemde het een 'abominable mystery': het ontstaan van bloemen. Ze doken ineens op in de geschiedenis van het leven, ogenschijnlijk zonder voorgeschiedenis van geleidelijke ontwikkeling. Moleculair plantenbioloog Philip Ruelens van de KU Leuven en zijn collega's melden in The Plant Cell dat ze nieuw licht op h...

Charles Darwin noemde het een 'abominable mystery': het ontstaan van bloemen. Ze doken ineens op in de geschiedenis van het leven, ogenschijnlijk zonder voorgeschiedenis van geleidelijke ontwikkeling. Moleculair plantenbioloog Philip Ruelens van de KU Leuven en zijn collega's melden in The Plant Cell dat ze nieuw licht op het ontstaan van planten kunnen laten schijnen. Ze onderzochten de genetische gereedschapskist die planten gebruiken om bloemen te maken, met daaraan gekoppeld de tweeslachtigheid: mannelijke meeldraden en vrouwelijke stampers. Uit hun speurwerk puurden ze de samenstelling van genen die voorlopers waren van de bloemenmakers. Die bootsten ze na om te kijken wat ze deden. Het resultaat zou geruststellend geweest zijn voor Darwin: ook de evolutie van bloemen was een geleidelijk proces, dat in de hand werd gewerkt door het dupliceren van genen die vervolgens elk een eigen weg gingen. Bioloog Tobias Ceulemans van de KU Leuven en zijn collega's beschrijven in Nature Plants hoe planten kunnen samenleven omdat ze elk een eigen voedingspatroon volgen, waardoor hun onderlinge competitie beperkt is. Ze gebruikten radioactieve merkers om de verschillende wegen die bodemfosfor naar planten aflegt te volgen. Fosfor is een belangrijke voedingsstof voor planten. Het komt in de bodem in verschillende chemische vormen voor, en die blijken in verschillende plantensoorten terecht te komen. Uiteenlopende voedingspatronen maken uiteraard een grotere biodiversiteit mogelijk. Maar fosforvervuiling als gevolg van grootschalig gebruik van meststoffen kan dat mooi afgelijnde natuurlijke patroon doorbreken.