Op sommige plekken in de wereld duiken libellen massaal in oliemeertjes. Ze lijken die te verkiezen boven meertjes met zuiver water, hoewel ze sterven in de olie. Elders vallen grafzerken in de smaak, of wagens, maar dan uitsluitend als ze een bepaald type verf hebben. Soms zie je waterinsecten eieren afzetten op een raam - héél onaangepast. Ook zonnepanelen en zelfs asfalt trekken de dieren aan. Zulke 'vergissingen' zijn een bijzonder onderschatte vorm van verstoring van natuurlijk gedrag. Wat er de de gevolgen van zijn, kunnen we nog niet goed inschatten.

© Getty Images/iStockphoto

We weten dat de biodiversiteit op aarde sterk vermindert, en dat steeds meer soorten het moeilijk krijgen. Er is de klimaatopwarming, er is lucht- en watervervuiling, er is grootschalig habitatverlies, er is de intensieve landbouw met zijn pesticiden. Dat zijn bekende bedreigingen. Maar soms komen dieren in de problemen doordat ze foute inschattingen maken van nieuwigheden in hun leefomgeving, nieuwigheden die meestal een menselijke oorsprong hebben. Dat verschijnsel heeft een naam: de ecologische valstrik.

Bioloog Hans Van Dyck van de UCL, een van onze grootste vlinderexperts en een gedreven populariseerder van wetenschappelijk onderzoek, buigt zich al enige tijd over die valstrik. 'Het is surrealisme in de praktijk', zegt hij. 'Wij zien, ruiken, voelen niet wat andere organismen ervaren - dat is een handicap van biologisch onderzoek. Als wij landschappen aanpassen, spelen wij met de zintuigen van organismen, hoewel dat niet de bedoeling is. Pas als we ons daarvan bewust zijn, kunnen we er ook iets aan doen.'

Een voorloper van het concept werd in de jaren 1970 beschreven door biologen die opmerkten dat eenden soms in een meeuwenkolonie gingen broeden, omdat de aanwezigheid van meeuwen hen tegen roofdieren zou beschermen. Uiteindelijk bleken ze vooral eieren te verliezen aan stelende meeuwen. Wat een gunstige aanpassing moest zijn, werd een tegenvaller.

© Getty Images/iStockphoto

'Sinds een jaar of tien worden er vergelijkbare situaties in menselijke leefgebieden beschreven', vertelt Van Dyck. 'Steden en intensieve landbouwgebieden zijn totaal anders dan wat dieren in de loop van hun evolutie ervaren hebben: de informatiebronnen waarop ze zich bij hun keuzes baseren, functioneren niet meer goed. Daardoor komen ze soms in een ongeschikte biotoop terecht. Een ecologische valstrik heeft niets te maken met dieren die een slechte biotoop aanvaarden, omdat de goede volledig bezet zijn. Nee, ze laten een goede biotoop links liggen om zich in een minder goede te vestigen. Dat is een recept voor mislukking.'

Verblinde motten

Dat waterinsecten olie, glas en asfalt boven water verkiezen, is daar een dramatisch voorbeeld van. De dieren gebruiken gepolariseerd licht als baken om water te vinden. Een wateroppervlak is een spiegel van in één vlak gepolariseerd licht. Maar glas, olie en asfalt polariseren licht ook. En aangezien de dieren aan de slag gaan met wat ze evolutionair hebben meegekregen om water te vinden, komen ze nu in de problemen.

© Getty Images/iStockphoto

'We weten al sinds het onderzoek van de Nobelprijswinnende bioloog Niko Tinbergen dat dieren vaak eenvoudige triggers gebruiken om ogenschijnlijk complexe keuzes te maken', legt Hans Van Dyck uit. 'Stekelbaarsjes gaan compleet over de rooie als ze een rode vlek zien, omdat ze geprogrammeerd zijn om te reageren op andere mannetjes die, net als zij, een rode borst hebben. Maar ze zien niets anders dan dat rood. Hetzelfde geldt voor waterinsecten, met hun gepolariseerde licht, waardoor ze in onze voor hen vreemde omgeving massaal in een ecologische valstrik trappen.'

Jagers maken al lang gebruik van een natuurlijk beperkt inschattingsvermogen, door eenden naar een vijver te lokken met lokeenden - zelfs als die nogal rudimentair gemaakt zijn, kan dat werken. 'Om een habitat te kiezen, gaan dieren vaak af op keuzes die soortgenoten maken', zegt Van Dyck. 'Wij doen dat trouwens ook als we op een onbekende plek een restaurant moeten kiezen. Maar het gaat hier niet uitsluitend over een beperkt inschattingsvermogen. Het is ook een, voor het brein, goedkope manier van werken die voordelig is, tenzij in sterk veranderende omstandigheden of als er misbruik van wordt gemaakt.'

© Getty Images/iStockphoto

Soorten die zintuiglijk beetgenomen worden, vinden we ook in de natuur. Het succes van de koekoek, die zijn eieren dumpt in nesten van zangvogels, steunt erop. De misleide gastheren zien het verschil niet tussen hun eitjes en die van de koekoek. Ze blijven een jonge koekoek zelfs voeden als die een stuk groter geworden is dan zijzelf. Orchideeën, die geen nectar produceren maar wel bestuivers als bijen nodig hebben voor hun voortplanting, hebben dan weer een natuurlijke selectie ondergaan waardoor hun bloem nu zo sterk op een vrouwtjesbij lijkt dat mannetjes erop landen. Bedriegen en bedrogen worden - het zit niet alleen in onze natuur stevig ingebakken.

Ook nachtelijke verlichting wordt een groot probleem, zeker als er ultraviolet licht in het spel is. 'Nachtvlinders worden aangetrokken door uv-licht', stelt Van Dyck. 'Als er een grote hoeveelheid uit een lamp komt, kan dat zelfs extra problemen creëren - in ons jargon heet dat een "superstimulus". Dat zag een andere Nobelprijswinnende bioloog, Konrad Lorenz, al. Als je een broedende gans laat kiezen tussen eieren van verschillende grootte, zal ze steevast op het grootste ei gaan zitten, op het belachelijke af: nog liever worstelt ze met een reuze-ei dan rustig op een normaal ganzenei te gaan zitten. Het is instinctief. Een lamp kan ook zo'n superstimulus zijn. Motten kunnen ze niet weerstaan. Ze kunnen bovendien verblind raken door de overmaat aan licht, waardoor hun zintuigen een tijdlang niet goed functioneren. Voor dieren die niet lang leven, kan dat een significant verschil in succes betekenen.'

© Getty Images/iStockphoto

Hoe dramatisch een ecologische valstrik voor een populatie is, hangt af van welke proportie van die populatie foute keuzes maakt. Voor algemene waterinsecten zal het wel meevallen, maar als zeldzame vogels met een ecologische valstrik te maken krijgen, kunnen de gevolgen dramatisch zijn. Van Dyck onderzocht met zijn studenten het wedervaren van de zeldzame grauwe klauwier in de Ardennen. Die broedt doorgaans in meidoorn- en sleedoornhagen in kleinschalig landbouwgebied, maar sinds een jaar of twintig wordt hij sterk aangetrokken door kaalkappen in sparrenbossen, hoewel hij daar minder jongen kan grootbrengen en die jongen geringere overlevingskansen hebben. Toch kiezen de vroegst aankomende vogels, vaak ook de sterkste, resoluut voor het nieuwe systeem.

'De grauwe klauwier was oorspronkelijk een bosvogel die zich heeft aangepast aan kleinschalig landbouwgebied', legt Van Dyck uit. 'Nu wordt hij aangetrokken door de kapvlaktes, waar hij minder succesvol is. In bossen leven grotere insecten dan in landbouwgebieden, maar als de vogel jongen heeft, zijn die er niet meer. Daardoor ontstaan er problemen met de voeding van het kroost. Bovendien leven er aan de rand van de kale plekken gaaien, die niet veel moeite hebben om klauwiernesten te vinden, want de vogels broeden er in schrale sparrenbomen - en niet in bijna ontoegankelijke hagen, zoals in landbouwgebied. Beide factoren veroorzaken samen een keten van mislukte broedseizoenen.'

Een orchidee is zo geëvolueerd dat haar bloem sterk op een vrouwtjesbij lijkt. © Getty Images/iStockphoto

'Varianten van dat verschijnsel zien we bij andere vogels. Van kieviten mislukken jaar na jaar veel broedsels, omdat ze halsstarrig blijven nestelen op akkers, waar hun nesten jaar na jaar omgeploegd worden. De aantrekkingskracht van een akker in maart is blijkbaar zo sterk dat ze er niet in slagen hun beeldvorming bij te sturen. Ze blijven reageren op zintuiglijke prikkels die lange tijd goed gewerkt hebben.'

Verwarde trekvogels

Ook natuurbeheersmaatregelen kunnen ecologische valstrikken creëren. Dat is verontrustend. Hans Van Dyck: 'We bekijken natuurreservaten te veel door een menselijke bril. De dingen die van tel zijn voor dieren en planten zien we niet altijd. Zo kunnen we een ogenschijnlijk mooi heidegebied creëren, waarin dieren fundamentele dingen missen. Ze komen wel langs, vaak ook omdat ze elders niet veel mogelijkheden meer hebben, maar vinden niet wat ze nodig hebben. Ook beheersmaatregelen kunnen de mist ingaan. Met bloemrijke akkerranden, bijvoorbeeld, kun je wel wilde hommels lokken, maar wat als ze te ver moeten vliegen naar een plek waar ze een nest in de bodem kunnen maken?'

Libellen leggen massaal eieren op glas, olie of asfalt in plaats van op water. © Getty Images/iStockphoto

Uitheemse plantensoorten, zoals de Amerikaanse vogelkers, kunnen trekvogels die terugkeren uit tropische overwinteringsgebieden in de war brengen. Vogels die in de winter hier blijven, zoals mezen, evalueren hun biotoop permanent. Ze weten min of meer waar ze aan toe zijn. Trekvogels moeten vaak in korte tijd een beslissing nemen over waar ze gaan nestelen. In een omgeving die snel verandert, kunnen ze dan fouten maken. Ze verkiezen doorgaans een stukje bos met veel bladeren, omdat daar in principe veel insecten op zitten. Maar insecten mijden de bladerrijke Amerikaanse vogelkers net. Kom je als vogel in een stukje bos met veel Amerikaanse vogelkers terecht, dan sukkel je in de problemen.

'De meeste bosdieren zijn niet in het bos als dusdanig geïnteresseerd, wel in wat ze er kunnen vinden', zegt Van Dyck. 'Bij ons is de zeldzame heivlinder gebonden aan de heide- en duinbiotoop, maar in Zuid-Europa is hij een echte bosvlinder, onder meer omdat de heide er veel te warm is voor de soort.'

'Omgekeerd heb je soorten als de rugstreeppad, die vroeger bij ons vooral in plasjes in de duinen leefde. Dat leefgebied is zo goed als volledig verdwenen. De soort vindt een surrogaatgebied in plasjes op opgespoten terreinen, waardoor ze het in sommige haven- en industriegebieden uitstekend doet. In haar geval draait de perceptie dus goed uit. De pad ziet natuurlijk niet het idyllisch plaatje van de duin, en evenmin de lelijkheid van het industriële landschap. Als het werkt, werkt het - een evolutionair principe, zowaar.'

'Van kieviten mislukken jaar na jaar veel broedsels, omdat ze halsstarrig blijven nestelen op akkers, waar hun nesten omgeploegd worden.' © Getty Images/iStockphoto

Van Dyck verwijst, in dit verband, naar het concept Umwelt - ofwel: dat deel van een omgeving dat betekenis heeft voor een organisme. Het komt van een Duitse wetenschapper die zich in het begin van de twintigste eeuw probeerde in te beelden hoe een teek zijn omgeving evalueert. Een teek kan bijna niet zien, en toch weet hij donders goed wanneer er een mens of een ree nadert waarop hij zich vervolgens kan laten vallen om bloed te zuigen en zich voort te planten. 'Je zou door de ogen of de antennes van een organisme moeten kunnen kijken of ruiken om te begrijpen wat het van zijn leefwereld vindt', zegt Van Dyck. 'Dat is wetenschappelijk fascinerend én uitdagend.'

Verloren vlindergeneratie

In zijn eigen onderzoek focust Hans Van Dyck nu vooral op het leervermogen en zelfs de psychologie van vlinders. Veel vlindersoorten doen het slecht. Vergeleken met een halve eeuw geleden lijken hun aantallen gedecimeerd. Af en toe is er een invasie van distelvlinders, en sommige jaren zijn er wat meer dagpauwogen. En in tuinen waar mensen vlindervriendelijke maatregelen nemen, zie je ook nog wel wat vlinders. Maar doorgaans is het kommer en kwel. 'De oppervlakte landschap waar voor een vlinder werkelijk niets meer te vinden valt, neemt onrustwekkende proporties aan', stelt Van Dyck vast. 'In het landbouwlandschap dat ons voedsel maakt, lijdt een vlinder honger.'

De rugstreeppad paste zich aan door plasjes op opgespoten terreinen te zoeken. © Getty Images/iStockphoto

Ook de klimaatopwarming veroorzaakt problemen. Een soort als de argusvlinder, die ooit heel algemeen was, is bij ons en in onze buurlanden bijna uitgestorven. In gewone omstandigheden zijn er per jaar twee generaties vlinders (we spreken dan over hun hele levenscyclus, van ei via rups en pop tot vlinder). Maar doordat het langer warm is, komen er in de herfst nog vlinders uit de eitjes van de tweede generatie, die vroeger als rups overwinterd zou hebben. Dat is vaak te laat om zelf nog eitjes te kunnen leggen, waardoor er het volgende jaar veel minder nieuwe vlinders zijn. De soort heeft ook last van te veel stikstof in de planten waarvan ze leeft - een gevolg van verontreiniging. 'Zo brengt een cocktail van snelle milieuveranderingen veel soorten in de problemen', zegt Van Dyck met een zucht. 'Dat gebeurt in een nooit eerder in de natuur gezien tempo, waardoor ze vaak niet de tijd krijgen om zich aan te passen.'

Een vlindersoort als het bont zandoogje - Van Dycks voornaamste studieobject - doet het dan weer uitstekend: het is goed op weg om de algemeenste vlinder van Vlaanderen te worden. 'Het natuurbehoud focust misschien wat te veel op verliezers, terwijl je uit de studie van winnaars veel kunt leren dat voor het natuurbehoud nuttig kan zijn. Het bont zandoogje is de merel onder de vlinders. Het is, net als onze merel, een soort die oorspronkelijk in bossen leefde en nu het platteland aan het koloniseren is. Het legt daarbij een uitzonderlijke flexibiliteit aan de dag: vlinders uit het platteland gebruiken bijvoorbeeld meer geuren dan vlinders uit het bos. Vlinders uit landbouwgebied overleven nog altijd probleemloos in een bos, maar omgekeerd gaat het minder gemakkelijk. De in het bos achtergebleven zandoogjes zijn bosdiertjes gebleven.'

Het flexibele bont zandoogje is goed op weg om de algemeenste vlinder van Vlaanderen te worden.

Supergespecialiseerde soorten die over één set zintuiglijke informatie beschikken en maar één type omgeving aankunnen, belanden in een evolutionair doodlopend straatje als hun leefomgeving verandert. Dat geldt niet voor de zandoogjes. Net als bij de mens heb je bij hen individuen met verschillende temperamenten, zoals durvers en voorzichtigen. Je kunt natuurlijk niet als een psycholoog een goed gesprek met een vlinder voeren om zijn karakter te peilen, maar via experimenten kun je het wel bepalen, bijvoorbeeld door na te gaan hoe snel diertjes in gevangenschap een nieuwe omgeving gaan verkennen.

'Je ziet het belang van psychologische verschillen ook in de gevechten die zandoogjes met elkaar om de beste territoria voeren', zegt Van Dyck. 'Onze hypothese is dat de vlindertjes die de sprong naar het landbouw-gebied maakten, voortvarender zijn dan de achterblijvers in het bos.'

Ondanks alles blijft Hans Van Dyck optimistisch over de toekomst van onze biodiversiteit. Omdat hij van nature een optimist is, en omdat hij aan de universiteit met jonge mensen werkt, die hij een toekomstperspectief wil bieden. 'Er zijn geen eenvoudige recepten voor beterschap, maar het zou helpen mochten ecologische en evolutionaire inzichten meer aan bod komen in opleidingen en het beleid. Biologen zouden architecten, ingenieurs en productontwikkelaars vaker moeten inspireren om rekening te houden met mogelijk funeste effecten op de biodiversiteit.'

Hans Van Dyck

- 1970: geboren in Herentals

- Studie: biologie (Universiteit Antwerpen)

- 1997: doctor in de wetenschappen (Universiteit Antwerpen)

- Tot 2004: doet aan postdoctoraal onderzoek met een FWO-mandaat

- Sinds 2004: hoogleraar biologie aan de Université catholique de Louvain

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.