Aan het einde van het gesprek, voor hij een borrel inschenkt, zegt hij: 'Ik was al bang dat je zou vragen wat ik van het afgelopen jaar vond. Dan zou ik geantwoord hebben dat 2020 het jaar van de deemoed was. We hebben moeten erkennen dat we niet de oppermachtige heersers zijn op aarde. Welke opvattingen we ook hebben, welke God we ook aanbidden, allemaal beseften we dat er nog een grotere macht bestaat. Zelfs de leiders van deze planeet werden geveld door iets wat zo klein is dat we het niet eens een levend wezen kunnen noemen.'
...

Aan het einde van het gesprek, voor hij een borrel inschenkt, zegt hij: 'Ik was al bang dat je zou vragen wat ik van het afgelopen jaar vond. Dan zou ik geantwoord hebben dat 2020 het jaar van de deemoed was. We hebben moeten erkennen dat we niet de oppermachtige heersers zijn op aarde. Welke opvattingen we ook hebben, welke God we ook aanbidden, allemaal beseften we dat er nog een grotere macht bestaat. Zelfs de leiders van deze planeet werden geveld door iets wat zo klein is dat we het niet eens een levend wezen kunnen noemen.' Hij schenkt de borrel in. 'Maar als je mij daarna zou vragen of we van dat jaar ook iets geleerd hebben, zou ik nee geantwoord hebben. De mens is het product van de evolutie en die gaat niet zo snel. De meeste mensen veranderen meer van een halve liter jenever dan van honderdduizend jaar evolutie. Zodra we dat vaccin hebben, zullen we weer dezelfde zelfvoldane klootzakken zijn die we altijd al waren. Het grote probleem van indrukken is dat ze zo snel weer uitdrukken.' Een paar uur eerder. De bioloog zet een glas water op tafel. Ik kijk rond in zijn mooie werkkamer. Overal staan prachtige mahoniehouten kasten vol boeken. Daartussen leven een paar opgezette vogels. Ooit was dit de raadszaal van het oude gemeentehuis van Weesp. De lokale gezagvoerders discussieerden hier over de wanorde van de dag. De kleine gemeente gaat binnenkort fuseren met de stad Amsterdam. Op eigen verzoek, en tot groot afgrijzen van zijn beroemdste ingezetene. 'Het is alsof de muis aan de kat smeekt: "O grote kat, ik ben zo zwak en jij bent zo sterk. Wil jij mij niet beschermen?" " Allee dan", zegt de kat. "Kom maar hier."' Hij schudt het hoofd. 'Hoe stom kun je zijn? De mensen in Weesp moeten dringend meer sprookjes lezen.' Maar hij houdt de traditie van de oude raadszaal in ere: op deze plek geeft Midas Dekkers uitleg over de stand van de wereld, zoals hij altijd gedaan heeft. In de jaren zestig al prijkten zijn naam en telefoonnummer op een folder over het milieu, dat toen net uitgevonden was. 'Een paar vrienden hadden die geschreven', zegt hij. 'Ik stond er alleen maar op omdat ik in die tijd als enige een telefoon had. Wie meer wilde weten over het milieu, belde naar mij.' Vijftig jaar later is dat nog altijd zo. Ik vond 2020 een interessant jaar', zegt hij. 'Het leek wel één groot biologisch experiment. Alsof de directeur van de zoo zijn sociale dieren, die mensen toch zijn, in isolatie gezet had. Plots moest je op je tellen passen als je iemand anders kruiste, want we hadden meer van elkaar te vrezen dan te winnen. Boeiend experiment! Alleen jammer dat ik er zelf deel van moest uitmaken.' Niet dat hij veel gemist heeft. Behalve dan de bruine cafés die hem zo na aan het hart liggen en waarover hij een paar jaar geleden het prachtige boek Volledige vergunning schreef. 'Vroeger zou ik gezegd hebben: "Een week zonder café? Dat is onmogelijk, mijn leven wordt me afgenomen, ik moet naar de psychiater!" Maar als er ineens een allesoverheersend virus de knop omdraait, accepteer je dat. Dingen die onmogelijk leken, zijn nu toch mogelijk.' Om de tijd te doden, keek hij dan maar naar buiten met zijn verrekijker. Niet naar de vogels, zoals normaal, maar naar de mensen. Die zagen er niet zo gelukkig uit. 'We worden opgevoed met de gedachte dat we onszelf en de wereld moeten veranderen', zegt Dekkers. 'De moderne tijd heeft ons de illusie gegeven dat we alle omstandigheden ook kunnen veranderen. Op een koude dag maken we het warm in plaats van een jas aan te trekken. Als de wereld niet bij ons past, passen wij de wereld aan. Lang ging dat goed, maar ooit moesten we eens tegen de muur lopen.' Kunnen we in deze vreemde tijden toch nog gelukkig worden? Midas Dekkers: Die vraag stelt iedereen zich. Als mensen zich niet lekker voelen, denken ze: o jee, ik doe iets fout. Ik moet op cursus, meer damesbladen lezen of mijn heil zoeken bij een psycholoog of een andere oplichter. Terwijl elke bioloog u de oplossing kan vertellen: je wordt gelukkig als je je aanpast aan de omstandigheden die er heersen - dat geldt voor elke diersoort. Dat klinkt wel een beetje triest. Dekkers: Je moet je natuurlijk ook niet te veel aanpassen, anders ben je een lul. Mens zijn is een vak, het is altijd wat schipperen. De ene kan dat beter dan de andere. Dit jaar was er één omstandigheid die alle andere in de schaduw stelde: sommigen wisten zich goed aan te passen, anderen veel minder. Dat fenomeen aanschouw ik al jaren bij dieren en planten, nu eindelijk eens een keertje bij mijn eigen soort. Er waren mensen die zeiden: 'Hier wacht ik al eeuwen op, deze toestand bevalt me reuze, waarom kwam dat virus niet wat vroeger?' En je had mensen die dachten dat alles altijd hetzelfde zou blijven en heel onaangenaam verrast waren. Ze hadden vooral moeite om afstand te houden van elkaar. Dekkers: In de gedragskunde bestaat de term 'individuele afstand'. Bij de mens is die ongeveer een meter. Zolang je daar buiten blijft, maken we geen ruzie. Anders ontstaan er spanningen. Alleen op sommige plekken accepteren we dat mensen dichter bij ons staan, bijvoorbeeld in een volle tram. Door iemand een hand te geven, duw je die persoon ook op de juiste afstand. Figuren zoals Donald Trump doorbreken die code voortdurend. Wanneer die een hand geeft, trekt hij de andere ook naar zich toe. Dat is valsspelen, een gore truc waarvoor handen geven niet bedoeld is. Dat soorten afspraken zijn allemaal geregeld in een groep, maar ze zijn dit jaar bruusk veranderd. Dat lukte niet overal even goed. In de winkelstraten verdrongen mensen zich. Dekkers: Mensen blijven natuurlijk groepsdieren. Ze willen best de regels volgen, maar ze willen ook bij elkaar zijn. En dus trekken ze naar de winkelstraat, maar daar loopt het fout. Bij elk groepsdier hoort ook een groepsgrootte: vissen zwemmen per school, oesters per dozijn en een groep mensen is ongeveer met dertig. Denk bijvoorbeeld aan een klas schoolkinderen, een familiebijeenkomst, twee voetbalploegen die een match spelen... Dertig mensen, dat is overzichtelijk. Als je met meer bent, werken de mechanismen om onderlinge strijd en agressie in te tomen minder. We hebben daar wel oplossingen voor gevonden: een dorpsraad, een democratie... allemaal lapmiddelen om te verhullen dat grote groepen in de problemen raken. Dat gebeurt vandaag in de winkelstraten. Mensen gedragen zich plots als willoze wezens, omdat ze met te veel zijn. Hun biologische rem is stuk. Het doet me denken aan abattoirs waar koeien groepsgewijs door lange bochtige gangen willoos naar de slacht geleid worden, omdat ze niet kunnen zien welk lot hen aan het einde van de gang wacht. Jammer dat dit geen tv-interview is. Anders zou ik de beelden van die drukke winkelstraten monteren tussen die van koeien op hun laatste tocht, met een mooi muziekje op de achtergrond. (lacht) Het enige verschil is dat koeien oormerken dragen, en mensen mondkapjes. Tijdens deze coronacrisis begon iedereen ook fanatiek te sporten op straat. Hoe keek u daarnaar, als overtuigde sporthater? Dekkers: Het was inderdaad opvallend dat de voetbalcompetities doorgingen en de sportscholen openbleven. Die zijn hier in Nederland zowat heilig. Terwijl je er niets leert, het zijn onzinnige instituten. Echte scholen moesten dan wel dicht, net als de musea en de theaters. Waanzin! Ik weet wel dat de Grieken en de Romeinen ook al aan sport deden, maar daarna zijn we 1500 jaar bevrijd geweest van die onzin. Anderhalve eeuw geleden pas werd de sport heruitgevonden en vandaag hebben we het voorlopige dieptepunt bereikt: meer mensen dan ooit zijn bezig met hun lichaam. Elke keer als ik buitenkom, bots ik op volwassen mensen in belachelijke kinderkleren die aan het lopen zijn terwijl ze niet eens de trein hoeven te halen. Soms spreek ik hen daarop aan. 'Waarom doen jullie dit toch?' vraag ik dan. En dan volgt er altijd hetzelfde antwoord: 'Om mijn hoofd helemaal leeg te maken.' 'Maar dan wordt u een leeghoofd. Is dat het doel dat u nastreeft?', repliceer ik. 'Hoho, u bent mij er eentje', lachen ze dan en ze lopen voort. Ik ken wel een fijnere manier om mijn hoofd leeg te maken en te ontsnappen aan de dagelijkse waanzin: gezellig naar de kroeg of met mijn vrouw op een bankje naar de zonsondergang kijken. 'Een gezonde geest in een gezond lichaam', zeggen ze weleens. Zo mal klinkt dat toch niet? Dekkers: Dat beweerden de oude Grieken en Romeinen al. De Grieken waren fantastische atleten omdat ze betere krijgers wilden worden. Maar de Griekse beschaving leverde ons ook de beste filosofen op. Op het terrein waar de Olympische Spelen plaatsvonden, stond ook een tempel. Zij vonden wel een evenwicht tussen lichaam en geest. Nu wordt alleen het lichaam verheerlijkt en de geest verwaarloosd. Ik hou soms lezingen op universiteiten. Vroeger moest je dan naar indrukwekkende gebouwen zoeken, nu naar een sportveld. Daartussen zal wel ergens een universiteit liggen. Dankzij sport leef je langer, zeggen mensen die het kunnen weten. Dekkers: Dat is een grote misvatting. Fanatiek sporten haalt niet veel uit, gewoon bewegen is meer dan voldoende. Ik begrijp wel dat mensen op zoek zijn naar troost. Vroeger vonden ze die bij God, vandaag in de gedachte dat ze door sport langer zullen leven. Helaas is dat niet waar, wat moderne oplichters ook beweren. Nu snap ik wel dat de overheid sport aanmoedigt. De Romeinen hadden het al over brood en spelen: zij sportten niet voor een hoger doel, maar om het volk koest te houden. Dat is vandaag nog steeds zo: de natie werkt zichzelf in het zweet op de sportvelden en zwijgt. Zeker in moeilijke tijden zoals vandaag moet je al een heel domme regering zijn om dat niet aan te moedigen. Stel dat u het in deze vreemde tijden voor het zeggen had, wat zou u dan doen? Dekkers: In eerste instantie zou ik troost bieden. Als je in de middeleeuwen naar een ziekenhuis ging, konden ze weinig voor je doen. Maar de nonnen zorgden wel voor troost. Gelukkig is de medische wetenschap vandaag veel verbeterd, maar die portie troost zijn ze vergeten. Je bent nog maar net genezen, en hop, ze trappen je al uit je ziekenhuisbed en het is tijd voor de volgende. Dus als jij ziek wordt, Stijn, aai ik over je bol en vraag ik of je iets anders wilt drinken dan water. De moderne mens heeft meer dan ooit nood aan troost. Gelukkig hoeven politici die niet te bieden. Daarvoor hebben we het koningshuis uitgevonden: een sukkel met een lieve vrouw die dat karweitje opknapt in hun plaats. Maar troost bieden heeft geen enkele zin als we tegelijkertijd niet naar oplossingen zoeken op lange termijn, zodat we in de toekomst niet meer ziek kunnen worden. Zoals? Dekkers: Als we wereldrampen als deze willen voorkomen, moeten we dringend iets doen aan de overbevolking. Er zijn gewoon veel te veel mensen op aarde. Boeren mogen almaar minder koeien houden, omdat er te veel stikstof uitgescheten wordt. Maar mensen mogen zo veel kinderen krijgen als ze willen. Met alle problemen van dien: er moeten meer huizen en autowegen gebouwd worden, meer monden gevuld worden... Veertig jaar geleden hadden we al een probleem om iedereen voedsel te geven. We hebben dat voorlopig kunnen oplossen met technologie en door natuur op te offeren. Het ene probleem is nog niet weg, of het volgende dient zich al aan: doordat er te veel mensen zijn, vergroot ook de kans op pandemieën, want virussen bestaan bij gratie van mensen die te dicht op elkaar wonen. Ook deze crisis zullen we wel weer overleven met de hakken over de sloot. Maar hoelang gaan we nog blijven pokeren met ons geluk en niets doen aan het echte probleem? We kunnen toch geen mensen doden? Dekkers: Uiteraard niet, en we moeten ook geen migranten weigeren. Iedereen die vandaag op aarde leeft, moeten we ruimhartig behandelen. Maar uiteindelijk zullen we wel verplicht worden om iets te doen aan het probleem van de overbevolking. Er is maar één manier om ervoor te zorgen dat ook ons nageslacht gelukkig wordt: zorgen dat er niet te veel nageslacht komt. Al lijkt dat vandaag wel het laatste politieke taboe. Het is voor politici een vaststaand axioma: 'Er komen in de toekomst meer mensen. Punt.' Wat stelt u dan voor? Een eenkindpolitiek zoals in China? Dekkers: Een vriend van mij vatte dat Chinese beleid als volgt samen: 'Het eerste kind mag je houden, het tweede gaat in de pan. Dat eten we op.' (lacht) Misschien is het een ongepaste grap, maar er zit wel een kern van waarheid in. Mijn vrouw en ik hebben geen kinderen. Voortdurend moeten wij ons daarvoor verantwoorden. Terwijl het net omgekeerd zou moeten zijn. Als de buurvrouw baart, overladen we haar met beschuiten en cadeautjes. 'O fantastisch, wat een leuk kind.' Terwijl we moeten denken: o jee, alweer een nagel aan de doodskist van de wereld. Het zou een schande moeten zijn dat je een kind krijgt. Kinderen krijgen is een mensenrecht. De meeste vrouwen willen kinderen, want die maken hen gelukkig. Dekkers: Maar waarom zou een vrouw zonder kinderen geen volwaardige vrouw kunnen zijn? Ze zeggen vaak dat mannen hun pik achternalopen en gedreven worden door hun mannelijke hormonen - uiteraard is dat niet netjes. Maar vrouwen doen dat ook: ze laten zich leiden door hun vrouwelijke hormonen en de behoefte om te baren. Wij zijn de enige diersoort die weet dat er van het fijne paren het akelige baren kan komen: schapen of geiten beseffen dat niet. We zijn ook de enigen die daar iets aan kunnen doen. Sinds de jaren zestig bestaat de pil, maar we gebruiken ze veel te weinig. Wie is er dan achterlijk? De schapen en de geiten of de mens? Waarom wil iedereen dan toch een kind krijgen? Dekkers: Dat kun je alleen sociologisch verklaren. Ik ben in de stad opgegroeid. Toen ik in het dorp ging wonen, merkte ik dat mannen gingen werken en vrouwen thuisbleven. Maar als je geen kind had, wie moest je dan naar school brengen? Je sociale leven werd behoorlijk beperkt, je kon over niets meepraten. Intussen werken vrouwen ook, maar ze hebben moeite om carrière te maken. Mannen krijgen daar de schuld van - niet helemaal onterecht. Maar het grootste probleem zijn hun kinderen: vrouwen baren gewoon hun eigen blok aan hun been. De vrouwenemancipatiebeweging zou gebaat zijn met minder kinderen. En de rest van de wereld ook. Het wordt donker in de oude raadszaal van Weesp. Genoeg water gedronken, de schemerlamp mag aan. Het is tijd voor troost: Midas haalt de fles jenever boven. 'Het is nu zo erg dat we al onze hoop moeten stellen in tien farmaceutische multinationals', zucht hij. 'Als ik één ding weet over die lui, dan is het dat ze niet deugen. De hele mensheid heeft zijn lot in de handen gelegd van een onbetrouwbaar stelletje superkapitalisten.' We drinken nog een borrel op dat rare jaar 2020, waarin ook mooie dingen te zien waren: een prachtige tentoonstelling van de Nederlandse fotograaf Eddy Posthuma de Boer in het fotomuseum van Den Haag bijvoorbeeld. Op een van zijn foto's uit 1969 staat een groep jonge biologiestudenten aan de universiteit van Amsterdam. Er werd zelfs een prentkaart van gemaakt, waarschijnlijk omdat de toekomst op die foto uit 1969 nog kleur beloofde. 'Herkent u de jonge blaag die in het midden zit?', vraag ik. 'Ik wilde in die dagen professor in de natuurkunde worden', antwoordt hij. 'Dus ging ik dat studeren. Maar tijdens dat eerste jaar aan de universiteit ontdekte ik het leven en meisjes. Mijn studie natuurkunde werd een flop. Toen keek ik in de folder van de universiteit naar alle richtingen die ze aanboden en ik schrapte alles wat ik niet wilde doen. Alleen biologie bleef over. In mijn tijd waren het alleen harige mensen die dat studeerden - zelfs de meisjes hadden in mijn herinnering baarden. Zo wilde ik niet worden. Ik wilde een cartoonist zijn. Of de gitarist van een beroemde band. Tot ik thuis in de spiegel van mijn studentenkamer keek: daar zag ik geen gitarist of cartoonist staan, maar een bioloog met zo'n typische biologenblik en slobbertrui. Uiteindelijk moet je jezelf toch accepteren zoals je bent. Ik kijk altijd met grote ogen naar mannen die plots vrouw willen worden of omgekeerd. Van mijn part mogen mensen zoveel laten snijden aan zichzelf als ze willen - ik vind het zelfs een interessant fenomeen. Maar, denk ik soms, zou het niet eenvoudiger zijn om gewoon te aanvaarden dat je een man of een vrouw bent? Je had ook een hagedis kunnen zijn. Die lopen ook niet naar de dokter om te vragen: "Ik voel mij diep vanbinnen een mens, dokter. Zou u mij niet kunnen ombouwen?" Als je vrede hebt met jezelf, heb je het geluk binnen handbereik.'