Hommels zijn veel slimmer dan mensen voor mogelijk houden. Als ze de juiste training krijgen, kunnen ze zelfs voetbal leren spelen, weliswaar op hommelmaat. Maar wat het gereputeerde wetenschapsmagazine Science onlangs beschreef, grenst aan het onwaarschijnlijke. Hommels beschikken namelijk over strategieën om ervoor te zorgen dat ze altijd bloemen ter beschikking hebben - ze hebben nectar en stuifmeel nodig voor hun overleving.
...

Hommels zijn veel slimmer dan mensen voor mogelijk houden. Als ze de juiste training krijgen, kunnen ze zelfs voetbal leren spelen, weliswaar op hommelmaat. Maar wat het gereputeerde wetenschapsmagazine Science onlangs beschreef, grenst aan het onwaarschijnlijke. Hommels beschikken namelijk over strategieën om ervoor te zorgen dat ze altijd bloemen ter beschikking hebben - ze hebben nectar en stuifmeel nodig voor hun overleving. Door de klimaatopwarming worden hommels na hun winterslaap soms te vroeg wakker, wanneer hun bloemen er nog niet zijn. Wetenschappers hebben echter ontdekt dat hommels dan gaatjes boren in bladeren van bepaalde plantensoorten, waardoor die versneld bloemen gaan produceren. Voor tomaten kan de bloei op die manier zelfs met een maand versneld worden. Hommels werken zo actief aan de beschikbaarheid van bloemen. Hoe dat praktisch in zijn werk gaat is nog niet bekend. Als wetenschappers zelf vergelijkbare gaatjes maken in plantenbladeren, gebeurt er niets. Mogelijk spuiten hommels specifieke chemische stoffen in de plant om ze tot bloei aan te zetten. Ze mogen dan officieel bloemenkwekers genoemd worden. Hommels en bijen zijn belangrijke bevruchters van planten. Ze verzorgen de voortplanting van driekwart van de plantensoorten in de wereld, waaronder fruit en andere voedingsgewassen. Door de teloorgang van insectenpopulaties komt die dienstverlening in het gedrang, hoewel het inzicht daagt dat er meer natuurlijke bestuivers zijn dan gedacht. Een recent verslag in Biology Letters vestigde de aandacht op het belang van bestuiving door nachtvlinders als spanners en uiltjes. Die bezoeken zelfs planten waarop geen dagbestuivers worden waargenomen. Ook 's nachts verzorgen insecten dus het welzijn van onze planten, voor hun eigen heil natuurlijk. In New Scientist brak een wespenliefhebber een lans voor meer begrip voor wespen. Bijen en hommels kunnen op clementie rekenen van veel mensen, maar dat geldt zelden voor wespen. Die tellen liefst vier keer meer soorten dan bijen en hommels samen. Fantasierijke entomologen beschouwen bijen als 'veganistische wespen'. Ook die vervelende wespen leveren ecosysteemdiensten aan de mensheid: diensten die de natuur gratis verschaft, als we er maar voldoende respect voor opbrengen. Wespen bevruchten meer planten dan bijen. Ze zijn in diverse vormen verantwoordelijk voor de natuurlijke bestrijding van veel insecten die als schadelijk voor de landbouw worden beschouwd, zoals bladluizen en rupsen. Zonder sluip- en andere wespen zouden sommige plantenvretende insecten nog talrijker zijn dan nu het geval is. Bepaalde kevers en mieren zijn opruimers van mest en ander afval, inbegrepen dood hout. Zonder mestkevers zouden wij verdrinken in de uitwerpselen van onze almaar groeiende veestapel. Volgens een studie in Global Change Biology verzetten mieren in de straten van Manhattan in het Amerikaanse New York elk jaar het equivalent van zestigduizend hotdogs aan junkfoodafval. Zelfs de zo vermaledijde vliegen zijn nuttig als opruimers en recycleerders van afval. Muggen zijn voor de mens vooral lastig, maar ze verschaffen wel voedsel aan veel andere dieren, zowel onder water - muggenlarven zijn waterdiertjes - als erboven. Zonder muggen zou de biodiversiteit een stuk schraler zijn. Massa's libellen, vissen en vogels leven van de gigantische hoeveelheden muggen die de natuur produceert. Veel insectenetende vogels zoals zwaluwen krijgen het kwaad als gevolg van onder meer een afname van het aantal insecten. De laatste jaren verschijnen er met de regelmaat van een klok studies die aantonen dat het steil bergaf gaat met het aantal insecten in de wereld. Dat wordt zichtbaar gemaakt met een populair beeld dat veel mensen kennen: dat van het slagveld van insecten op de voorruit van wagens. Een halve eeuw geleden moest je bij elke tankbeurt in de zomer de lijkjes van platgeslagen insecten wegwassen, maar vandaag heb je dat probleem niet meer, want er hangen amper nog insecten op de voorruiten van wagens. De diertjes verdwijnen uit ons luchtruim. Voor de verklaring wordt met argusogen gekeken naar het massale gebruik van pesticiden in de landbouw. DDT had destijds rampzalige gevolgen voor het hele ecosysteem, waardoor het gebruik van het product finaal verboden werd. Maar de nieuwste lichting pesticiden (de neonicotinoïden) lijkt geen haar beter. Vorig jaar verscheen een studie van Nederlandse onderzoekers in The Journal of Applied Ecology die aantoonde dat het lantaarntje (een waterjuffertje) te lijden heeft van zelfs lage concentraties van een bepaald neonicotinoïde in het water van de sloten waarlangs het leeft. De diertjes gaan er niet van dood, maar ze eten minder en groeien langzamer, wat een negatief effect kan hebben op het aantal eitjes dat ze leggen. Studies hebben een breed gamma aan funeste effecten van neonicotinoïden op bijen en hommels aangetoond. In Communications Biology verscheen een verslag over een groep insecten die weinig aan bod komt in analyses van effecten van pesticiden: mieren. Ook hier werd gekeken naar lage dosissen van een neonicotinoïde, die niet meteen tot sterfte leiden. Maar kolonies van de bij ons meest voorkomende mier, de zwarte wegmier, blijven een stuk kleiner bij blootstelling aan het pesticide. Dat betekent waarschijnlijk dat ze sneller afsterven, wat nadelig kan zijn gezien de nuttige rol die mieren in onze leefomgeving vervullen. Over de gevolgen van de cumulatie van verschillende pesticiden op mieren bestaan geen eenduidige gegevens. In 2017 verscheen een geruchtmakende studie in Public Library of Science One, die aantoonde dat de hoeveelheid insecten in een zestigtal goed gemonitorde Duitse natuurgebieden in een kwarteeuw met liefst 75 procent was afgenomen. Dat catastrofale cijfer ging de wereld rond. In 2018 publiceerde Proceedings of the National Academy of Sciences gegevens uit het tropisch regenwoud van Puerto Rico, die illustreerden dat de biomassa van insecten (en spinnen) er de jongste halve eeuw met een factor 10 tot zelfs 60 was afgenomen. In 2019 kwam er een review van de situatie in Biological Conservation, waarvan onze landgenoot Kris Wyckhuys, een entomoloog die als consultant vanuit Vietnam opereert, een van de auteurs was. De studie concludeerde dat insecten 8 keer sneller uitsterven dan vogels of zoogdieren. Meer dan 40 procent van de soorten neemt in aantal af, een derde is rechtstreeks met uitsterven bedreigd. De belangrijkste factor voor de afname die de analyse isoleerde, was intensieve landbouw met de vernietiging van kleine landschapselementen als heggen en bloemenranden en het overmatig gebruik van pesticiden. Ook urbanisatie, ontbossing en klimaatopwarming zijn nadelig voor insecten, vooral in de tropen, waar de landbouw nog niet zo intensief is als bij ons. Begin dit jaar verscheen een nieuw overzicht in Annual Review of Entomology - het thema beroert duidelijk de gemoederen. Deze studie concludeerde dat de afname vooral ernstig is in wouden en beschermde natuurgebieden, zeker als ze grenzen aan landbouwzones en te klein zijn om als buffer tegen funeste omgevingsinvloeden te fungeren. Pesticiden en stikstofbemesting kunnen dan vooral kwetsbare - want zeldzame - soorten de genadeslag geven. De afname zou vanaf de jaren 50 zichtbaar geworden zijn en won sindsdien aan snelheid. Extreem zwaar getroffen families zijn schietmotten en sprinkhanen. Over de laatste groep verscheen een intrigerend verhaal in Proceedings of the National Academy of Sciences. Uit veldwerk bleek dat de toename van het broeikasgas CO2 in de atmosfeer als gevolg van onze verbranding van fossiele brandstoffen een schadelijk effect op sprinkhanen kan hebben. Onderzoek in grote Amerikaanse graslandreservaten zonder landbouw toonde namelijk aan dat de voedingswaarde van grassen afneemt als ze hogere CO2-concentraties te verwerken krijgen. Het gevolg was een afname met 30 procent van sprinkhanenpopulaties in 20 jaar tijd. CO2-uitstoot kan dus onverwachte effecten hebben, ook op insectenaantallen. De best bestudeerde insectengroep zijn uiteraard de dagvlinders, die tot de verbeelding spreken van veel mensen. Het overzicht in Annual Review of Entomology meldde dat er overal waar ernaar gekeken werd, een merkbare afname was van het aantal dagvlinders. Maar de 'meest extreme' situatie werd in Vlaanderen opgetekend. Dat leidde de auteur af uit een publicatie uit 2001 in Biological Conservation. Biologen Dirk Maes (INBO) en Hans Van Dyck (UCL) hadden het toen al over een 'Europees worstcasescenario' inzake dagvlinders in Vlaanderen. Van de 64 inheemse dagvlindersoorten waren er 19 verdwenen. De helft van de overblijvers was met uitsterven bedreigd. Interessant is dat beide auteurs recent met twee collega's in Natuur.focus een uitgebreide analyse brachten van bijna dertig jaar gestandaardiseerde dagvlindermonitoring langs 105 routes in Vlaanderen. Ze analyseerden de trends voor 21 'huis-tuin-en-keukenvlinders' - de vaakst voorkomende soorten dus. De meest getelde soort was het bruin zandoogje, gevolgd door het oranje zandoogje en het klein koolwitje. Beide zandoogjes behoren wel tot de 5 soorten die beduidend in aantal afnamen. 6 soorten namen in aantal toe, inbegrepen de ook van tuinen bekende atalanta en citroenvlinder. Voor 10 soorten kon geen duidelijke trend worden vastgesteld. Opvallend is dat bossoorten, zoals het bont zandoogje en het boomblauwtje, er gemiddeld met 19 procent op vooruitgingen, terwijl soorten die aan grasland gebonden zijn, zoals de andere zandoogjes, met 12 procent achteruitgingen. Onze bossen worden wat ouder en waarschijnlijk ook warmer, wat gunstig is voor vlinders. Graslanden daarentegen hebben te kampen met overmatige stikstofafzetting vanuit de landbouw, die de vegetatie sneller en hoger doet groeien, wat niet gunstig is voor vlinders. Graslandvlinders hebben graag plantensoorten als klavers, maar die raken overwoekerd door grassen als de bodem te sterk wordt verrijkt. Het dagvlinderverhaal illustreert dat er verschillen in de trends kunnen zijn in functie van waar en naar welke soorten je kijkt. Dat was ook de belangrijkste boodschap van de recentste analyse van de evolutie van insectenaantallen, onlangs in Science. De voornaamste conclusie van die analyse was dat het niet zo erg is als gerapporteerd werd in de studies van 2017 en 2018. Die werden als correct beoordeeld, maar ze behandelden specifieke situaties die niet zomaar naar de rest van de wereld kunnen worden geëxtrapoleerd. De studie in Science keek naar 166 langetermijnanalyses van 1676 sites in 41 landen. Ze klokte af op een gemiddelde afname met negen procent per tien jaar van de insectenpopulaties aan land, maar in het water werd een gemiddelde stijging met elf procent per tien jaar geregistreerd, dat laatste vooral ten gevolge van verhoogde aandacht voor waterzuivering. De voornaamste afnames werden in Noord-Amerika en Europa opgetekend. De studie stelde dat vooral veranderingen in landgebruik verantwoordelijk zijn voor de afname aan land. De globale afname van de aantallen insecten zou dus een stuk kleiner zijn dan eerder werd gerapporteerd. Een afname met 9 procent per 10 jaar is heel wat minder dan een afname tot 25 procent per 10 jaar, maar dat mag geen reden zijn tot optimisme: het impliceert nog altijd een terugval van de aantallen met meer dan een kwart over 30 jaar, wat dramatisch blijft. Het gaat ook om een gemiddelde, wat betekent dat er plekken zijn waar het véél erger is, zoals in de Duitse natuurgebieden die de basis vormden van de studie uit 2017. Ook de cijfers over waterinsecten kunnen lokaal sterk afwijken van de algemene trend. Een studie in Conservation Biology over insecten in een riviertje in een Duits natuurgebied registreerde een afname met 82 procent over een periode van 42 jaar. De diversiteit van de insectenfauna ging wel lichtjes omhoog, maar de aantallen crashten. De auteurs schreven hun vaststelling toe aan de stijging met gemiddeld 1,8 °C van de watertemperatuur als gevolg van de klimaatopwarming. Daardoor veranderden de eigenschappen van het riviertje. Een verslag in Science besloot dat ook de hoeveelheid hommels wereldwijd kreunt onder de gevolgen van de klimaatopwarming, vooral in Europa en Noord-Amerika. Er zijn ook problemen met de beschikbaarheid van voedselplanten voor insecten. In Ecological Applications verscheen een studie uit het Zwitserse kanton Zürich, die aantoonde dat de diversiteit van voedselplanten voor bijen, zweefvliegen en vlinders de jongste eeuw dramatisch is afgenomen. Het was een gevolg van de verregaande homogenisering van het landschap, waarbij specifieke biotopen zoals moerassen bijna volledig verdwenen. Wat overbleef was niet insectvriendelijk. 'Wie ziet er nog glimwormen?' vroeg een commentator zich af. Zelfs goedbedoelde ingrepen om insecten een handje te helpen kunnen onverwachte negatieve effecten hebben. Sommige biologen waarschuwen ervoor dat het gebruik van commerciële bloemenmengsels als voedsel voor bijen en vlinders zich in het slechtste geval tegen de dieren kan keren. Dikwijls zitten in die mengsels zaden van uitheemse soorten, zoals de steeds populairder wordende phacelia uit Noord-Amerika, die een magneet is voor bijen - de plant heet 'bijenbrood' in de volksmond. Ze zou echter vooral nuttig zijn voor de gedomesticeerde honingbijen en veel minder voor de wilde bijtjes die het in ons landschap steeds moeilijker krijgen omdat hun natuurlijke bloemen verdwijnen. De boodschap is dat je beter kunt werken met natuurlijke mengsels van lokale bloemen. Daar zullen plaatselijke bijtjes en andere bloemenbezoekers meer aan hebben dan aan vreemde mengsels, hoe goedbedoeld ze ook zijn. Meewerken met de natuur is altijd beter dan je eigen natuur creëren, zelfs in je tuin.