Kwallen behoren tot de succesvolste organismen in de oceaan. En ze doen het steeds beter, omdat de klimaatopwarming voor warmere zeeën zorgt en overbevissing door de mens voor meer ruimte. Daarenboven zijn er weinig echte kwalleneters. Zelfs de mens waagt er zich amper aan, dus wordt er bijna niet op kwallen gevist. Een kwal bestaat voor 96 procent uit water, dus is er niet veel energie uit te puren.
...

Kwallen behoren tot de succesvolste organismen in de oceaan. En ze doen het steeds beter, omdat de klimaatopwarming voor warmere zeeën zorgt en overbevissing door de mens voor meer ruimte. Daarenboven zijn er weinig echte kwalleneters. Zelfs de mens waagt er zich amper aan, dus wordt er bijna niet op kwallen gevist. Een kwal bestaat voor 96 procent uit water, dus is er niet veel energie uit te puren. Toch hebben kwallen parasieten. Alles in de wereld heeft parasieten. Een belangrijke parasiet van onze inheemse kwallen is de kwalvlo. Ze is algemeen in de Noordzee. Als u op het strand aangespoelde oorkwallen ziet, moet u maar eens zoeken naar opvallende vlekken op hun vier 'oren'. Dat zijn overigens geen gehoor- maar voortplantingsorganen, met voorsprong de meest energierijke delen van de kwal. Het is geen toeval dat de parasieten vooral daar zitten. In onze wereld zijn vlooien bloedzuigende insecten, maar in de kwallenwereld zijn het cellenvretende piepkleine kreeftachtigen. Ze kunnen een centimeter groot worden, maar blijven meestal veel kleiner. Hun opvallendste kenmerk zijn twee grote groene ogen, die bijna de volledige zijkanten van de kop innemen. Ze hebben ook antennes, maar bij de vrouwtjes zijn die kort. Dat ze bij de mannetjes een stuk langer zijn, suggereert dat ze vooral dienen om vrouwtjes te detecteren door middel van geursignalen. De diertjes planten zich geslachtelijk voort. Als een mannetje een vrouwtje gevonden heeft, blijft hij bij haar tot de tijd rijp is voor een paring. Sommige mannetjes dragen een vrouwtje rond, andere kruipen erop tot het zover is. Ze lossen hun zaad dan in een soort buideltje van het vrouwtje, waarna die haar eitjes naar de buidel transfereert voor bevruchting. Het mannetje verdwijnt, het vrouwtje koestert de eitjes, waaruit na verloop van tijd jongen kruipen. Intrigerend is dat een vrouwtje haar jongen enkele dagen in haar buidel houdt en ze vervolgens naar hun eerste slachtoffer brengt. Ze maakt gaatjes in een kwal, waarin ze telkens één jong duwt. Die moeten zelf hun weg naar de diepere delen van hun nieuwe biotoop vinden. Kwallen hebben een sterke regeneratiecapaciteit, waardoor de gaatjes vrij snel gedicht worden. Als je de schaarse wetenschappelijke verslagen over het wedervaren van kwalvlovrouwtjes met hun jongen leest, lijkt het alsof ze inzicht hebben in de basisbeginselen van de ecologie. Dat hebben ze uiteraard niet, ze zijn gekneed door het hyperefficiënte proces van natuurlijke selectie. Maar ze zorgen ervoor dat ze niet te veel jongen op dezelfde kwal afzetten, want het is zaak dat de gastheer niet bezwijkt onder een overpopulatie van parasieten. Het is wel mogelijk dat meerdere vrouwtjes jongen afzetten op dezelfde kwal, maar blijkbaar is er toch populatieregulatie in het spel, want zelden blijft er meer dan een handvol jongen in leven in een kwal. Kwalvlojongen zouden in extreme gevallen zelfs elkaar opeten in plaats van zich uitsluitend aan kwallencellen te goed te doen. Kwalvlooien kunnen actief rondzwemmen. Ze veranderen geregeld van slachtoffer. Soms kan de helft van een kwallenpopulatie met vlooien besmet zijn. Sommige wetenschappers gaan ervan uit dat kwalvlooien pas recent overgegaan zijn op een parasitaire levensstijl: ze hebben slechts weinig échte parasietaanpassingen.